Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF2675

Datum uitspraak2008-07-15
Datum gepubliceerd2008-09-26
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers104.006.660
Statusgepubliceerd


Indicatie

Afrekening huwelijkse voorwaarden met verrekenbeding dat niet is nagekomen zodat al het vermogen wordt vermoed te zijn gevormd uit onverteerde inkomsten; investeringen in voorhuwelijkse panden moeten worden verrekend, en wel op evenredige wijze; aflossingen van de financiering van de tijdens het huwelijk gekochte panden worden vermoed te zijn gedaan met te verrekenen vermogen, man mag tegenbewijs leveren.


Uitspraak

15 juli 2008 Familiekamer Zaaknummer 104.006.660 Rekestnummer (oud) 164/2007U G E R E C H T S H O F T E A M S T E R D A M nevenzittingsplaats Arnhem Beschikking in de zaak van: [verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker in het principaal beroep, verweerder in het incidenteel beroep, verder te noemen “de man”, procureur mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, tegen [verweerster], wonende te [woonplaats], verweerster in het principaal beroep, verzoekster in het incidenteel beroep, verder te noemen “de vrouw”, procureur mr. A. van Hees. 1 Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Utrecht van 16 april 2003, 30 november 2005, 8 november 2006, 27 december 2006 en 24 januari 2007, uitgesproken onder zaaknummer / rekestnummer 145965 / FA RK 02-2762. 2 Het geding in het principaal en het incidenteel beroep 2.1 Bij beroepschrift, ingekomen per fax ter griffie van het hof op 7 februari 2007, is de man in hoger beroep gekomen van voormelde beschikkingen van 30 november 2005 en 8 november 2006. Hij verzoekt het hof: A. Voornoemde beschikkingen van 30 november 2005 en 8 november 2006 te vernietigen en met instandhouding van de beschikkingen voor het overige, te weten dat de man op basis van de overige onderdelen met uitzondering van de panden een bedrag van € 5.180,29 aan de vrouw dient te betalen, te bepalen dat de man terzake van verrekening van de diverse panden niets aan de vrouw verschuldigd is; B. Met vaststelling van de methodiek omtrent de taxaties zoals opgenomen in het beroepschrift; C. subsidiair: tot vaststelling van een bedrag dan wel percentage te komen zoals het hof juist acht; D. de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure en E. de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 2.2 Bij verweerschrift, ingekomen per fax ter griffie van het hof op 10 april 2007, heeft de vrouw het verzoek in hoger beroep van de man bestreden. Daarbij heeft zij tevens incidenteel beroep ingesteld. De vrouw verzoekt het hof in het principaal beroep de man in zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn verzoeken af te wijzen en in het incidenteel beroep voornoemde beschikking van 8 november 2006 te vernietigen voorzover de incidentele grieven strekken en alsnog de wijze van afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de verrekening vast te stellen conform de primaire althans de subsidiaire stellingen van de vrouw met betrekking tot de onderscheiden vermogensbestanddelen. 2.3 Daarop heeft de man in het incidenteel beroep een verweerschrift ingediend, ingekomen ter griffie van het hof op 20 juni 2007, waarin hij het hof verzoekt (het hof begrijpt:) om het verzoek in het incidenteel beroep af te wijzen. 2.4 Bij aangepast verweerschrift in het incidenteel beroep, ingekomen per fax ter griffie van het hof op 5 september 2007, heeft de man verzocht als onder 2.3 weergegeven. 2.5 De mondelinge behandeling heeft op 22 november 2007 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, de man bijgestaan door mr. A.H. van Tets-Asjes, advocaat te Utrecht, en de vrouw bijgestaan door mr. M.L.A. van Opstal, advocaat te ‘s-Hertogenbosch. De mondelinge behandeling is voortgezet op 14 april 2008, waarbij partijen en hun advocaten zijn verschenen. 2.6 Het hof heeft kennis genomen van de overige stukken, waaronder: - een brief van 23 augustus 2007 van mr. Van Opstal met bijlagen, - een brief van 8 november 2007 van mr. Van Opstal met bijlagen, - een brief van 13 november 2007 van mr. Van Tets-Asjes met bijlagen, - een brief van 3 april 2008 van mr. Van Opstal met bijlagen. 3 De vaststaande feiten Ten aanzien van partijen 3.1 Partijen zijn op 27 september 1977 met elkaar gehuwd. Zij hebben voorafgaand aan het sluiten van het huwelijk de vermogensrechtelijke gevolgen van hun huwelijk geregeld bij notariële akte van 22 september 1977. In de huwelijkse voorwaarden is voor zover thans van belang bepaald: “Artikel 1. Tussen de echtgenoten zal generlei gemeenschap van goederen bestaan. (…) Artikel 3. Ieder der echtgenoten heeft, zolang zij een gemeenschappelijke huishouding voeren, recht op de helft van hun onverteerde inkomsten; indien de uitgaven de inkomsten overtreffen, zal het tekort te hunnen laste komen naar verhouding van hun zuivere vermogens. Na verloop van ieder kalenderjaar zal tussen de echtgenoten een zodanige verrekening plaats hebben, dat het overschot, waarmede in dat jaar de inkomsten de uitgaven hebben overtroffen, te hunnen laste komt, naar verhouding van hun zuivere vermogens bij de aanvang van dat kalenderjaar. Te dezen wordt/worden verstaan: Onder inkomsten: al hetgeen bij een goed beheer tot het verteerbaar inkomen kan worden gerekend; (…) Artikel 4. De uit het vorige artikel voortvloeiende vordering tot verrekening vervalt, indien zij niet is ingesteld binnen twee jaar na het einde van het kalenderjaar, waarover verrekening moet plaats hebben.” Blijkens de staat van aanbrengsten behorend bij genoemde akte heeft de man de hierna te noemen panden [pand a] en [pand b] te [plaatsnaam] ten huwelijk aangebracht, waartegenover staat een hypothecaire schuld van hem aan zijn moeder van f 300.000,-. Blijkens die staat heeft de vrouw ten huwelijk aangebracht enige roerende zaken, met name meubels en elektrische apparatuur. 3.2 De man heeft een kamerverhuurbedrijf gedreven in de vorm van een eenmanszaak. Voorafgaand aan het huwelijk heeft hij twee panden, [pand a] en [pand b] te [plaatsnaam] gekocht en geleverd gekregen van zijn moeder. Tijdens het huwelijk heeft de man de volgende panden te [plaatsnaam] gekocht: - [pand c], op 11 december 1978; - [pand d], op 2 april 1979; - [pand e], op 11 dan wel 15 april 1994 en - [pand f] 39 en 39A, op 19 maart 1996. 3.3 Op 30 maart 2000 heeft de man de besloten vennootschap [X] B.V. opgericht, verder te noemen “de holding”. De man is directeur/enig aandeelhouder van de holding. De panden [pand a], [pand b], [pand d] en [pand f] 39 heeft de man ingebracht in de holding. De overige panden behoren tot zijn privé-vermogen. 3.4 Tijdens het huwelijk hebben partijen voorts – voor zover thans van belang – een zeilboot type Sailhorse 2414 en een Mercedes E290 gekocht. Deze staan op naam van de man. Daarnaast beschikken partijen over de volgende bank- en girorekeningen: - een girorekening bij de Postbank met nummer [...] op naam van de man; - een girorekening bij de Postbank met nummer [...] op naam van de man; - een bankrekening bij de Rabobank met nummer [...] op naam van de man; - een bankrekening bij de Commerzbank met nummer [...] op naam van de man; - een bankrekening bij de Commerzbank met nummer [...] op naam van de vrouw; - een bankrekening bij de Fortis bank met nummer [...] op naam van de vrouw; - een bankrekening bij de Fortis bank met nummer [...] op naam van de vrouw en - een bankrekening bij de Fortis bank met nummer [...] op naam van de vrouw. 3.5 De vrouw heeft bij inleidend verzoek de rechtbank verzocht echtscheiding uit te spreken en te bepalen dat de man een bijdrage voldoet in het levensonderhoud van de vrouw van € 3.000,- per maand. Bij aanvullend verzoek heeft zij verzocht primair de omvang van de huwelijksgemeenschap te bepalen en de verdeling te gelasten van alle vermogensbestanddelen in die zin dat aan ieder van partijen de helft van het vermogen toekomt en subsidiair de omvang van de verrekeningsvordering op grond van het periodieke verrekenbeding vast te stellen en te bepalen dat aan de vrouw de helft van het tijdens het huwelijk opgebouwde te verrekenen vermogen toekomt. 3.6 Bij de beschikking van 16 april 2003 heeft de rechtbank echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 23 juni 2003 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. In de echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank de behandeling van de zaak voor het overige aangehouden. 3.7 Bij de beschikkingen van 30 november 2005 en 8 november 2006 heeft de rechtbank kort gezegd overwogen dat nu partijen ten tijde van het huwelijk niet zijn overgegaan tot verrekening op basis van de huwelijkse voorwaarden, deze verrekening overeenkomstig artikel 1:141 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (verder te noemen “BW”) alsnog dient plaats te vinden. De rechtbank heeft de peildatum van de verrekening vastgesteld op 8 april 2002, de datum van het uiteengaan van partijen. De rechtbank heeft ten aanzien van diverse vermogensbestanddelen van partijen de wijze van verrekening bepaald, de behandeling van de zaak en iedere verdere beslissing aangehouden. 3.8 Bij de beschikking van 27 december 2006 heeft de rechtbank bepaald dat tegen de beschikking van 8 november 2006 hoger beroep open staat. 3.9 Bij de beschikking van 24 januari 2007 heeft de rechtbank – voor zover thans van belang – het bedrag dat de man moet betalen als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw bepaald op € 2.500,- per maand, zolang de vrouw nog in het pand aan de [pand b] woont, en daarna op € 3.000,- per maand en de behandeling van de zaak aangehouden. 4 De motivering van de beslissing 4.1 In geschil is de verrekening op basis van de huwelijkse voorwaarden. Uitgangspunt bij de beoordeling van het geschil is, zoals de rechtbank onbestreden (als onder 3.7 weergegeven) heeft geoordeeld, dat partijen na de scheiding ingevolge artikel 1:141 BW verplicht zijn tot verrekening over te gaan. Deze verrekening strekt zich uit over het saldo ontstaan door belegging en herbelegging van hetgeen niet is verrekend, en de vruchten daarvan. Daarbij geldt in dit geschil dat ingevolge artikel 1:141 lid 3 BW het bij het einde van het huwelijk aanwezige vermogen wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden (de onverteerde inkomsten), tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit. Ingevolge artikel 1:136 BW geldt dat indien een goed onder aanwending van te verrekenen vermogen is verkregen, het verkregen goed tot het te verrekenen vermogen wordt gerekend voor het aandeel dat overeenkomt met het bij de verkrijging uit het te verrekenen vermogen aangewende gedeelte van de tegenprestatie gedeeld door de totale tegenprestatie. Bestaat tussen de echtgenoten een geschil omtrent de vraag of een goed tot het te verrekenen vermogen wordt gerekend en kan geen van beiden bewijzen dat het goed tot het niet te verrekenen vermogen wordt gerekend, dan wordt ingevolge dat artikel dat goed aangemerkt als te rekenen tot het te verrekenen vermogen. Tegen de door de rechtbank vastgestelde peildatum van de verrekening, 8 april 2002, zijn geen grieven gericht. Het hof gaat dan ook van die peildatum uit. In het principaal beroep 4.2 De grieven van de man zijn gericht tegen de waardering van de panden en de percentages die de rechtbank ter verrekening heeft gesteld. 4.3 Met grief I betoogt de man dat de rechtbank ten onrechte ervan uitgaat dat terzake de panden enig bedrag ter verrekening staat. 4.3.1 Primair betoogt de man dat er niets te verrekenen is, omdat terzake de panden een negatief saldo bestaat. De man beroept zich ter ondersteuning van zijn betoog op een brief van 26 januari 2006 met overzicht (verder te noemen: het overzicht van [A.]), overgelegd als productie 5 bij het beroepschrift. De man betoogt dat de schulden terzake de panden zijn toegenomen. Veronderstellenderwijs uitgaande van de juistheid van die stelling laat dat echter onverlet dat wellicht, zoals de vrouw aanvoert, gedurende het huwelijk met onverteerde inkomsten is afgelost op die schulden. Een dergelijke aflossing kan van invloed zijn op de verrekening. 4.3.2 Subsidiair betoogt de man dat de panden die hij vóór het huwelijk heeft gekocht ([pand a] en [pand b]) buiten de verrekeningsverplichting vallen. De tijdens het huwelijk gekochte panden zijn gekocht door middel van herfinanciering met als basis de twee voor het huwelijk gekochte panden en vallen daarom ook buiten de verrekeningsverplichting, aldus de man. 4.3.3 Met betrekking tot de panden die de man vóór het huwelijk heeft gekocht overweegt het hof het volgende. Aan de man kan worden toegegeven dat de door de man ten huwelijk aangebrachte panden en de waardestijging daarvan tijdens het huwelijk op zichzelf niet onder het verrekenbeding vallen en buiten de verrekening behoren te blijven. Dit laat echter onverlet dat in die panden met onverteerde inkomsten kan zijn geïnvesteerd dan wel dat met die inkomsten kan zijn afgelost op leningen die zijn aangegaan ten behoeve van de verwerving van die panden. De resultaten van dergelijke investeringen en aflossingen komen naar het oordeel van het hof als resultaten van de (her)belegging van onverteerde inkomsten en de vruchten daarvan in aanmerking voor verrekening, zo acht het hof in lijn met het arrest van de Hoge Raad van 25 april 2008 (LJN BB7043) en wel op evenredige wijze. Dat partijen bij het overeenkomen van de huwelijkse voorwaarden besproken hebben en ook de bedoeling hadden dat die resultaten buiten iedere verrekening zouden vallen, heeft de man niet dan wel onvoldoende gemotiveerd gesteld. De man heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om te kunnen oordelen dat de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat anders moet worden beslist. 4.3.4 Dat de tijdens het huwelijk gekochte panden zijn gekocht door middel van herfinanciering met als basis de twee voor het huwelijk gekochte panden heeft de vrouw betwist. Het hof zal bij de bespreking van de overige grieven zo nodig ingaan op de vraag of sprake is van de door de man gestelde herfinanciering en op de vraag of terzake de tijdens het huwelijk gekochte panden nog verrekening dient plaats te vinden. 4.3.5 Voor zover de vrouw heeft beoogd te stellen dat de vóór het huwelijk gekochte panden op dezelfde wijze in de verrekening moeten worden betrokken als de tijdens het huwelijk gekochte panden, overweegt het hof als volgt. De vrouw heeft, ter onderbouwing van die stelling, betoogd dat de panden slechts een maand voor het huwelijk zijn aangeschaft, terwijl het huwelijk toen al lang gepland was. De man heeft daartegenover gemotiveerd verweer gevoerd. Volgens de man was het de bedoeling van hem en zijn moeder dat hij die panden reeds in 1974 van zijn moeder zou kopen, maar hebben zij daarvan afgezien vanwege de hoge rentestand van destijds. Wel spraken de man en zijn moeder af, aldus de man, dat de man de panden mocht kopen tegen de taxatiewaarde van die panden in 1974. Juist met het oog op de koop van beide panden in 1977, toen de rentestand gunstiger was, vlak voor het huwelijk, zijn huwelijkse voorwaarden gemaakt. Die gang van zaken heeft de vrouw niet betwist. Voor zover de vrouw ter onderbouwing van de stelling heeft betoogd dat alle hypothecaire schulden mede door haar (als medeschuldenaar) zijn aangegaan, oordeelt het hof dat die omstandigheid op zichzelf haar stelling niet gegrond maakt. Gezien de hiervoor genoemde gang van zaken is het hof van oordeel dat de vrouw onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan moet worden aangenomen dat de vóór het huwelijk gekochte panden op dezelfde wijze in de verrekening moeten worden betrokken als de tijdens het huwelijk gekochte panden. 4.3.6 Uit het vorenstaande volgt dat terzake de panden enig bedrag ter verrekening kan bestaan. Voor zover de man tijdens het huwelijk met de panden inkomsten behaalde, dienen die inkomsten, voor zover die tijdens het huwelijk onverteerd zijn gebleven, in de verrekening te worden betrokken. Grief 1 faalt. 4.4 Aangezien grief 1 faalt, komt het hof toe aan beoordeling van de subsidiair door de man aangevoerde grieven II tot en met XI. In het principaal en incidenteel beroep [pand a] en [pand b] 4.5 Het hof ziet aanleiding de grieven II en III van de man en grieven I en II van de vrouw gezamenlijk te behandelen. Deze grieven betreffen de vraag op welke wijze de lening bij Roparco is afgelost en de vraag wat in verband met de vóór het huwelijk gekochte panden ter verrekening staat. Bij dat laatste geldt als uitgangspunt dat de waarde van de panden in 1974 f 300.000,- en in 1977 f 600.000,- was. De rechtbank heeft die waarden immers vastgesteld, terwijl de man die waarden niet en de vrouw die waarden (in haar onder 2.2 genoemde verweerschrift onder 27) onvoldoende gemotiveerd heeft bestreden. 4.5.1 De man stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat een bedrag van f 203.189,- met onverteerde inkomsten is afgelost. Volgens de man is slechts een bedrag van f 61.189,- met onverteerde inkomsten afgelost. De rest is volgens de man door middel van herfinanciering afgelost. De man heeft daartoe gesteld dat van die f 203.189,- nog f 15.000,- via een Amev-rekening op de lening bij zijn moeder en (blijkens het overzicht van [A.]) f 152.000,- door middel van de lening bij Roparco (een rekening-courant-krediet) is afgelost. De Roparco-lening werd volgens de man “gevoed” door middel van een girorekening en een Amev-rekening. 4.5.2 De vrouw heeft die stelling gemotiveerd weersproken. Zij heeft aangevoerd dat zowel op de Amev-lening als de Roparco-lening met onverteerde inkomsten is afgelost en dat feitelijk de aflossingen op de Roparco-lening via de Amev-lening óók met onverteerde inkomsten zijn geschied. De vrouw heeft er daarbij meermaals op gewezen dat de man niet alle relevante rekeningafschriften heeft overgelegd en dat zij op die manier zijn stellingen niet kan controleren. Zo ontbreken de afschriften van de Roparco-lening over de periode 5 april 1993 t/m 16 april 1996, terwijl die lening pas in 1996 volledig afgelost, en ook de (complete) afschriften van de girorekening. Volgens de vrouw is f 203.189,- plus f 25.000,- met onverteerde inkomsten afgelost. 4.5.3 Het hof is van oordeel dat de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Roparco-lening niet met onverteerde inkomsten is afgelost en dat de aflossing van f 15.000,- via de Amev-lening niet ook onverteerde inkomsten betreft. De man heeft immers met name, tegenover het desbetreffende verweer van de vrouw, niet inzichtelijk gemaakt hoe de girorekening die de Roparco-lening “voedde” werd “gevoed”. Ook heeft de man, zo is het hof met de vrouw van oordeel, niet onderbouwd dat hij via de Amev-lening f 15.000,- op de lening bij zijn moeder heeft afgelost. Uit productie 10 bij het verweerschrift in het incidenteel beroep volgt weliswaar dat op 14 mei 1996 f 15.000,- is opgenomen, zoals het overzicht van [A.] ook vermeldt, maar uit die productie valt niet op te maken waarvoor dat bedrag is gebruikt. Ook uit de stellingen van de man vloeit voort dat regelmatig bedragen van de ene rekening naar de andere rekening werden geschoven en dat van allerlei rekeningen geld werd opgenomen voor (huishoudelijke) uitgaven door partijen. Zonder een compleet overzicht van en een gedegen toelichting op de rekeningafschriften en de uitgaven van partijen, welke de man niet heeft gegeven, heeft de man niet inzichtelijk gemaakt dat de door de vrouw genoemde aflossing van f 228.189,- niet met onverteerde inkomsten is geschied. Het hof gaat dan ook uit van het vermoeden dat die aflossing met onverteerde inkomsten is geschied. 4.5.4 De man heeft in het onder 2.3 genoemde verweerschrift een algemeen bewijsaanbod gedaan. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de man aangeboden een nadere onderbouwing van het overzicht van [A.] te bewijzen (door middel van het overleggen van rekeningafschriften of getuigenverklaringen) en aangeboden de rekeningafschriften van de girorekening over te leggen. Gelet op dit bewijsaanbod zal het hof de man toelaten tot het leveren van tegenbewijs van het vermoeden dat genoemde aflossing van f 228.189,- niet met onverteerde inkomsten is geschied. 4.5.5 Voor het geval de man niet mocht slagen in het leveren van bedoeld tegenbewijs overweegt het hof dat terzake de vóór het huwelijk gekochte panden ter verrekening staat deel aflossing f 228.189,- ------------------------------------------------------------ x waarde op peildatum van [pand a] en [pand b]. totale tegenprestatie f 600.000,- De vrouw heeft recht op de helft van het hieruit volgende bedrag. Voor het geval de man niet geheel mocht slagen in het leveren van bedoeld tegenbewijs overweegt het hof dat terzake het pand ter verrekening staat de waarde van het pand op de peildatum minus deel van aflossing van f 228.189,- waarvan moet worden uitgegaan dat het niet met onverteerde inkomsten is bekostigd ----------------------------------------------------------------------------------- x waarde op peildatum van [pand a] en totale tegenprestatie f 600.000,- [pand b]. De vrouw heeft recht op de helft van het hieruit volgende bedrag. [pand d] 4.6 Het hof ziet aanleiding grief IV van de man en grief IV van de vrouw gezamenlijk te behandelen. Deze grieven betreffen de vraag wat in verband met het pand [pand d] ter verrekening staat. 4.6.1 Het hof is met de man van oordeel dat, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, bij de berekening van de totale tegenprestatie rekening moet worden gehouden met - door de vrouw niet betwiste - f 10.726,82 aan kosten koper. Dat betekent dat de totale tegenprestatie f 105.000,- plus f 10.726,82, dus f 115.726,82, bedraagt. Dit brengt overigens uiteraard mee dat aflossingen terzake deze kosten, welke wellicht ook voorkomen op het overzicht van [A.], moeten worden meegenomen bij de berekening van hetgeen ter verrekening staat. 4.6.2 Partijen zijn het erover eens dat op de lening bij de ABN die is gebruikt voor de aankoop van het pand f 90.412,- met financiering van Roparco is afgelost. Ten aanzien van de aflossing van die financiering van Roparco gaat het hof, om vergelijkbare redenen als hiervoor onder 4.5.3 uiteengezet, uit van het vermoeden dat deze is geschied met onverteerde inkomsten. De man heeft namelijk met het overzicht van [A.] op bladzijde 5 niet aangetoond dat, zoals hij stelt, met een bedrag van (afgerond) f 14.588,- aan onverteerde inkomsten is afgelost op de lening bij de ABN en heeft niet aangetoond dat hij de rest van de lening niet met onverteerde inkomsten heeft bekostigd. De man heeft immers de op dat overzicht voorkomende aflossingen “van giro” niet (met stukken) onderbouwd. Het hof gaat daarom ook ten aanzien van het niet met financiering van Roparco afgeloste deel van de aflossing van bedoelde lening bij de ABN uit van het vermoeden dat is afgelost met onverteerde inkomsten. Gezien het hiervoor onder 4.5.4 genoemde bewijsaanbod zal het hof de man toelaten tot het leveren van tegenbewijs van het vermoeden dat de aflossing van bedoelde lening bij de ABN met onverteerde inkomsten is geschied. 4.6.3 Voor het geval de man niet mocht slagen in het leveren van bedoeld tegenbewijs overweegt het hof dat terzake het pand ter verrekening staat de waarde op peildatum daarvan. De vrouw heeft recht op de helft van het hieruit volgende bedrag. 4.6.4 Voor het geval de man niet geheel mocht slagen in het leveren van bedoeld tegenbewijs overweegt het hof dat terzake het pand ter verrekening staat de waarde van het pand op peildatum minus deel aflossing waarvan moet worden uitgegaan dat het niet met onverteerde inkomsten is bekostigd ---------------------------------------------------------------------------- x de waarde op peildatum van [pand d]. totale tegenprestatie f 115.728,82 De vrouw heeft recht op de helft van het hieruit volgende bedrag. [pand e] 4.7 Het hof ziet aanleiding grief V van de man en grief V van de vrouw gezamenlijk te behandelen. Deze grieven betreffen de vraag wat in verband met het pand [pand e] ter verrekening staat. 4.7.1 Het hof is met de man van oordeel dat, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, bij de berekening van de totale tegenprestatie rekening moet worden gehouden met - door de vrouw niet betwiste - f 26.387,71 aan overdrachtsbelasting, bancaire en notariskosten. Dat betekent dat de totale tegenprestatie f 275.000,- plus f 26.387,71, dus f 301.387,71, bedraagt. Dit brengt overigens uiteraard mee dat aflossingen terzake, welke wellicht ook voorkomen op het overzicht van [A.], moeten worden meegenomen bij de berekening van hetgeen ter verrekening staat. 4.7.2 Met de vrouw is het hof van oordeel dat de man met het overzicht van [A.] op bladzijde 14 niet heeft aangetoond dat met een bedrag van (afgerond) f 22.421,- aan onverteerde inkomsten is afgelost op de lening bij AMEV die is gebruikt voor de aankoop van het pand en dat de man niet heeft aangetoond dat hij de rest van de lening niet met onverteerde inkomsten heeft bekostigd. De man heeft immers de op dat overzicht voorkomende aflossingen “van giro” niet (met stukken) onderbouwd. Het hof gaat daarom uit van het vermoeden dat de lening bij Amev is afgelost met onverteerde inkomsten. Gezien het hiervoor onder 4.5.4 genoemde bewijsaanbod zal het hof de man toelaten tot het leveren van tegenbewijs van het vermoeden dat de aflossing van bedoelde lening bij Amev met onverteerde inkomsten is geschied. 4.7.3 Voor het geval de man niet mocht slagen in het leveren van bedoeld tegenbewijs overweegt het hof dat terzake het pand ter verrekening staat de waarde op peildatum daarvan. De vrouw heeft recht op de helft van het hieruit volgende bedrag. 4.7.4 Voor het geval de man niet geheel mocht slagen in het leveren van bedoeld tegenbewijs overweegt het hof dat terzake het pand ter verrekening staat de waarde van het pand op peildatum minus deel aflossing waarvan moet worden uitgegaan dat het niet met onverteerde inkomsten is bekostigd ---------------------------------------------------------------------------- x de waarde op peildatum van [pand e]. totale tegenprestatie f 301.387,71 De vrouw heeft recht op de helft van het hieruit volgende bedrag. De man heeft in zijn beroepschrift onder 36 vermeld dat rekening moet worden gehouden met een percentage van 8,15. Die vermelding berust kennelijk op een vergissing, gezien de cijfers waarvan hij in zijn verweerschrift in het incidenteel beroep onder 22-25 uitgaat. [pand f] 39 en 39a 4.8 Het hof ziet aanleiding de grieven VI en VII van de man en grief VI van de vrouw gezamenlijk te behandelen. Deze grieven betreffen de vraag wat in verband met het pand [pand f] 39 en 39a ter verrekening staat. 4.8.1 De man heeft het pand gekocht op 19 maart 1996 voor f 482.500,-. Blijkens de toelichting op zijn grief VI gaat de man uit van dit bedrag als tegenprestatie. In zijn verweer op de grief van de vrouw vermeldt de man dat de aankoopprijs f 482.500,- plus f 53.164,87 aan kosten bedraagt. De man heeft die vermelding, nog ervan afgezien of dit een nieuwe grief behelst, onvoldoende onderbouwd om te kunnen komen tot een ander bedrag aan tegenprestatie dan hiervoor vermeld. 4.8.2 Ter financiering van de koop heeft de man bij Amev een (uit twee delen bestaande) lening van f 700.000,- afgesloten. 4.8.3 Omtrent de verbouwingen aan het pand overweegt het hof als volgt. De man heeft tegenover het gemotiveerde betoog van de vrouw omtrent de aard van de verbouwingen onvoldoende aangevoerd, zodat het hof er met de vrouw van uit gaat dat deze verbouwingen investeringen zijn waarmee, zo zij betaald zijn met onverteerde inkomsten, bij de verrekening rekening moet worden gehouden. De vrouw heeft aangevoerd dat het niet anders kan zijn dan dat de man f 98.500,- van genoemde financiering heeft aangewend voor de verbouwingen. Zij wijst ter onderbouwing daarvan op het overzicht van [A.] op bladzijde 9 en meer specifiek op de daarop voorkomende bedragen in de kolommen E en G in de periode 14 mei 1996 tot en met 17 december 1996 met omschrijvingen in de kolom I “Aflossing lening moeder” en “Naar giro”. De man heeft verwezen naar productie A27 (brief van zijn advocaat van 4 december 2006, bladzijde 3). Omtrent de in die brief gestelde aflossing op de lening van zijn moeder heeft de vrouw niets aangevoerd. Het hof gaat er dan ook van uit dat dat bedrag aan aflossing op de lening van de moeder van de man, te weten f 15.000,- (de in voornoemde kolom E onder 9 genoemde post), niet als door de vrouw gesteld is besteed aan de verbouwingen van [pand f] 39 en 39a. De man heeft niet duidelijk gemaakt wat er is gebeurd met de bedragen genoemd in bedoelde kolom G die als in bedoelde kolom I vermeld “naar giro” zijn gegaan. Het hof gaat er dan ook van uit dat die laatstgenoemde bedragen wel zijn besteed aan de verbouwingen van [pand f] 39 en 39a. Het gaat dan in totaal om een bedrag aan investeringen van (f 98.500,- minus f 15.000,- is) f 83.500,-. 4.8.4 Met de vrouw is het hof van oordeel dat de man met het overzicht van [A.] op bladzijde 9-13 niet heeft aangetoond dat met een bedrag van (afgerond) f 29.557,- en f 9.611,- aan onverteerde inkomsten is afgelost op de lening bij Amev die is gebruikt voor de aankoop van het pand en dat de man niet heeft aangetoond dat hij de rest van de lening niet met onverteerde inkomsten heeft bekostigd. De man heeft immers de op dat overzicht voorkomende aflossingen “van giro” niet (met stukken) onderbouwd. Het hof gaat daarom uit van het vermoeden dat de lening is afgelost met onverteerde inkomsten. Gezien het hiervoor onder 4.5.4 genoemde bewijsaanbod zal het hof de man toelaten tot het leveren van tegenbewijs van het vermoeden dat de aflossing van bedoelde lening met onverteerde inkomsten is geschied. 4.8.5 Voor het geval de man niet mocht slagen in het leveren van bedoeld tegenbewijs overweegt het hof dat terzake het pand ter verrekening staat de waarde op peildatum daarvan. De vrouw heeft recht op de helft van het hieruit volgende bedrag. 4.8.6 Voor het geval de man niet geheel mocht slagen in het leveren van bedoeld tegenbewijs overweegt het hof dat terzake het pand ter verrekening staat de waarde van het pand op peildatum minus (deel aflossing waarvan moet worden uitgegaan dat het niet met onverteerde inkomsten is bekostigd) + (investering f 83.500,-) ------------------------------------------------------------------------------------------------------- x waarde op peildatum van [pand f] 39 en 39a. totale tegenprestatie f 482.500,- De vrouw heeft recht op de helft van het hieruit volgende bedrag. In het principaal beroep 4.9 Met grief VIII betoogt de man dat de rechtbank ten onrechte tot de door haar berekende percentages is gekomen op basis van een percentage van aflossingen ten opzichte van de waarde van de panden op het moment van aankoop. Volgens de man moet worden nagegaan op welk moment een aflossing heeft plaatsgevonden en moet het bedrag aan aflossing worden afgezet tegen de waarde van het pand alsdan. Het hof is van oordeel dat de door de man verdedigde berekeningsmethode geen steun vindt in de wet of jurisprudentie van de Hoge Raad. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de man (in zijn pleitnota onder 5) betoogd dat de berekende percentages niet moeten worden vermenigvuldigd met de waarde van de panden op peildatum, maar met de overwaarde van die panden op peildatum. Het hof gaat aan dit betoog voorbij. Dit betoog behelst immers een tardieve grief en niet is gebleken dat de vrouw ondubbelzinnig erin heeft toegestemd dat die grief alsnog in de rechtsstrijd wordt betrokken. Ten overvloede overweegt het hof dat ook voor dat betoog geen steun is te vinden in de wet of jurisprudentie van de Hoge Raad. De man heeft in de toelichting op de grief nog aangevoerd dat, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 2 maart 2001 (NJ 2001, 583, het zogenaamde Visserij-arrest), de berekende bedragen dienen te worden gematigd, temeer daar de berekening niet mag leiden tot (gedeeltelijke) teloorgang van een bedrijf. De man heeft zich daarbij onder meer beroepen op artikel 1:140 BW. De man heeft daartoe echter onvoldoende gesteld. Voor matiging acht het hof geen grond. Uit het vorenstaande volgt dat grief VIII faalt. 4.10 Grief IX van de man is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de panden moeten worden getaxeerd. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben partijen meegedeeld dat zij nog steeds van mening verschillen over de waarde van de panden en het daarover niet eens kunnen worden. Dit brengt naar het oordeel van het hof mee dat de waarde van de panden inderdaad moet worden getaxeerd. Grief IX van de man faalt dus. 4.11 Met grief X voert de man aan dat wanneer moet worden verrekend terzake de panden waarvan de holding eigenaar is ([pand a], [pand b], [pand d] en [pand f] 39) ermee rekening moet worden gehouden dat vennootschapsbelasting moet worden afgerekend, de zogenaamde VPB-claim, en dat een latente belastingschuld, de zogenaamde AB-claim, bestaat die ook moet worden verrekend. Volgens de man heeft de rechtbank daarmee geen rekening gehouden. Partijen twisten over het antwoord op de vraag of die VPB-claim bestaat en over het percentage van de AB-claim. Zij zijn het daarover tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep niet eens kunnen worden. De grief slaagt in zoverre dat met zowel de VPB-claim als de AB-claim rekening moet worden gehouden bij de finale afrekening. 4.12 Blijkens grief XI meent de man dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met redelijkheid en billijkheid. In de toelichting op de grief merkt de man op dat hij geen liquiditeiten heeft en dat hij, indien hij in verband met de verrekening een aanzienlijk bedrag aan de vrouw moet betalen, hypotheken moet nemen dan wel verhogen om daarvoor geld vrij te maken. Volgens de man kan hij dan minder alimentatie aan de vrouw betalen en betaalt hij, wanneer de beschikking van de rechtbank inzake de alimentatie in stand blijft, de facto tweemaal. De vrouw heeft de grief bestreden en, kort gezegd, aangevoerd dat de holding van de man niet in het voortbestaan wordt bedreigd. Het hof is van oordeel dat, mocht door de uitkomst van de onderhavige procedure de behoefte van de vrouw en/of de draagkracht van de man veranderen, partijen daarin aanleiding kunnen zien wijziging van eventueel vastgestelde alimentatie te verzoeken. In de onderhavige procedure kan het aan de grief ten grondslag gelegde betoog de man niet baten. Niet in te zien valt waarom het in de panden geïnvesteerde vermogen niet, indien nodig, liquide gemaakt zou kunnen worden. Met de vrouw is het hof van oordeel dat de man onvoldoende heeft gesteld om aan te kunnen nemen dat zijn bedrijf door het liquide maken van het geïnvesteerde vermogen niet zou kunnen worden voortgezet. De man heeft ook overigens onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die op grond van de redelijkheid en billijkheid moeten leiden tot een andere uitkomst. De grief faalt dus. In het incidenteel beroep [pand c] 4.13 Volgens grief III van de vrouw heeft de rechtbank ten onrechte het pand [pand c] niet in de verrekening betrokken. 4.13.1 Primair stelt de vrouw dat de waarde van het pand moet worden verdeeld alsof deze gemeenschappelijk eigendom van partijen is. Zij legt daaraan ten grondslag dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaarbaar is dat zij wordt gehouden aan de huwelijkse voorwaarden van partijen, uit welke voorwaarden voortvloeit dat het pand geen gemeenschappelijk eigendom van partijen is. De vrouw stelt daartoe de volgende omstandigheden: - het pand betreft de voormalige echtelijke woning van partijen, - het pand is kort na het huwelijk van partijen aangeschaft, - de vrouw heeft altijd haar bijdrage geleverd aan de gezamenlijke huishouding, - de vrouw heeft de zorg voor de kinderen van partijen voor haar rekening genomen, - de vrouw is altijd ervan uitgegaan dat partijen gelijkelijk tot de woning gerechtigd waren, - de vrouw heeft in het bedrijf van de man gewerkt (administratie en stoffering verzorgd), terwijl zij voor dat werk pas vanaf 1999 een (bescheiden) salaris ontving, - de vrouw heeft door haar inspanningen er mede voor gezorgd dat de (rente)verplichtingen verbonden aan de echtelijke woning konden worden voldaan. De man heeft een deel van die omstandigheden bestreden. Veronderstellenderwijs uitgaande van de juistheid van de door de vrouw gestelde omstandigheden, rechtvaardigen deze omstandigheden naar het oordeel van het hof niet dat de vrouw niet kan worden gehouden aan de huwelijkse voorwaarden. De primaire stelling van de vrouw is (als niet op de wet gebaseerd) ongegrond. 4.13.2 Subsidiair stelt de vrouw dat de gehele waarde van het (hele) pand op de peildatum in de verrekening moet worden betrokken. Tussen partijen staat vast dat de man dit pand van zijn moeder heeft gekocht voor f 117.500,- en dat hij deze koop heeft gefinancierd met een lening bij zijn moeder van f 125.000,-. Volgens de vrouw is daarvan f 85.000,- (indirect, via de lening bij Roparco) en f 40.000,- met onverteerde inkomsten afgelost. De man heeft daartegenover aangevoerd dat genoemde lening bij zijn moeder is afgelost met een schenking van zijn moeder aan hem van f 40.000,- en met behulp van herfinanciering, hetgeen de vrouw in de processtukken heeft ontkend. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de vrouw echter erkend dat de man van zijn moeder f 40.000,- geschonken heeft gekregen. De vrouw heeft daarmee, gezien het debat van partijen, onvoldoende weersproken dat de man op bedoelde lening bij zijn moeder f 40.000,- heeft afgelost door middel van een schenking van zijn moeder. Betreffende de aflossing via Roparco van f 85.000,- van de herfinanciering overweegt het hof het volgende. Om vergelijkbare redenen als hiervoor onder 4.5.3 uiteengezet gaat het hof terzake die aflossing uit van het vermoeden dat deze met onverteerde inkomsten is geschied. De man heeft immers tot nu toe niet aangetoond dat de Roparco-lening niet is afgelost met onverteerde inkomsten. Gezien het hiervoor onder 4.5.4 genoemde bewijsaanbod zal het hof de man toelaten tot het leveren van tegenbewijs van het vermoeden dat de aflossing van bedoelde lening met onverteerde inkomsten is geschied. 4.13.3 Partijen verschillen van mening over de waarde van het pand ten tijde van de aankoop daarvan door de man. Die discussie acht het hof echter, gelet op hetgeen hiervoor onder 4.9 is overwogen omtrent het standpunt van de man omtrent het meenemen van de meerwaarde, niet relevant. 4.13.4 De berekening van hetgeen na eventuele bewijslevering ter verrekening staat, laat het hof verder aan de rechtbank over. 4.14 Grief VII van de vrouw is gericht tegen de waardering door de rechtbank van de aandelen van de holding. In haar brief van 23 augustus 2007 heeft de vrouw vervolgens meegedeeld dat de rechtbank op juiste wijze de waarde van de aandelen in de verrekening heeft betrokken en dat in de holding - behoudens stamrecht en panden - geen verdere vermogensbestanddelen aanwezig zijn die moeten worden verrekend. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de vrouw meegedeeld dat de grief als ingetrokken moet worden beschouwd. Gelet daarop faalt de grief. 4.15 Met grief VIII keert de vrouw zich tegen de afwijzing door de rechtbank van haar vordering tot verrekening van onverklaarbare kasopnamen. Partijen hebben over en weer uitgebreid gereageerd op elkaars stellingen terzake (de besteding van) die kasopnamen. Zij hebben daarbij ieder het eigen verzoek terzake de kasopnamen vermeerderd: de vrouw in haar brief van 23 augustus 2007, de man in zijn verweerschrift in het incidenteel beroep onder 38. In het midden gelaten of de vermeerdering van het verzoek van de man is te beschouwen als een niet toegestane tardieve grief en of het hof wel aan de beoordeling van dat vermeerderde verzoek toekomt - de man had in eerste aanleg zijn verzoek om verrekening terzake ingetrokken, zo is onbestreden door de rechtbank vastgesteld -, overweegt het hof als volgt. Willen onverklaarbare kasopnamen door partijen voor verrekening in aanmerking kunnen komen, dan moet vaststaan dat op de peildatum nog te verrekenen vermogensbestanddelen bestaan die tot dergelijke opnamen te herleiden zijn. Reeds omdat partijen niet, althans niet voldoende, gemotiveerd hebben gesteld dat dergelijke bestanddelen nog bestaan (bijvoorbeeld in de vorm van contant geld of tegoeden op een bankrekening), kunnen de verzoeken van partijen betreffende de onverklaarbare kasopnamen niet worden toegewezen. De vrouw heeft in haar brief van 23 augustus 2007 gesteld dat partijen tijdens het huwelijk geld hebben uitgeleend aan [B.]. Ook heeft zij daarin gesteld dat het geld voor die lening afkomstig was van een (mede) daartoe afgesloten hypothecaire lening en dat [B.] die lening later heeft terugbetaald op een privé-rekening van de man. De man heeft die stellingen niet weersproken. [B.] heeft de lening, zo heeft de man onweersproken gesteld, in 2005 afgelost. De lening aan [B.] bestond dus op de peildatum. Die lening komt daarom in beginsel in aanmerking voor te verrekenen vermogen. Echter, reeds omdat het geld voor de lening aan [B.] is gefinancierd met een hypothecaire lening, kan, zonder nadere omstandigheden, die niet zijn gesteld, niet worden aangenomen dat de lening aan [B.] is gefinancierd met onverteerde inkomsten. Gelet daarop valt de lening niet in het te verrekenen vermogen. De andersluidende stelling van de vrouw is dus ongegrond. De grief faalt. 4.16 Met grief IX betoogt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte bij de verrekening betreffende de Fortisrekening [...] en de Commerzbankrekening [...] geen rekening heeft gehouden met de eigen inbreng van de vrouw. Bij haar brief van 23 augustus 2007 heeft de vrouw haar eis vermeerderd in die zin dat ook bij de Fortisrekening [...] geen rekening is gehouden met de eigen inbreng van de vrouw. 4.16.1 Met betrekking tot de Fortisrekening [...] en de Fortisrekening [...], door partijen ook wel aangeduid als VSB-rekeningen, overweegt het hof het volgende. De man heeft zich niet verzet tegen de eisvermeerdering door de vrouw. Het hof gaat dan ook uit van de vermeerderde eis. Het hof merkt daarbij - ambtshalve - op dat de eisvermeerdering niet een tardieve nieuwe grief behelst. Voorafgaand aan bedoelde rekeningen had de vrouw op haar naam staan de NMBrekening [...]. De man heeft (in zijn brief van 13 november 2007 onder 21) erkend dat het saldo op die rekening vóór het huwelijk f 2.435,38 bedroeg. De man heeft niet voldoende onderbouwd dat dat bedrag niet aan de vrouw toebehoort. De vrouw heeft in haar brief van 23 augustus 2007 onder 2.2 tot en met 2.11 gespecificeerd wat zij op die NMBrekening en, na de opheffing daarvan, op genoemde Fortisrekeningen heeft gestort. De man heeft die specificaties gemotiveerd betwist in zijn brief van 13 november 2007. Gelet op die betwisting heeft de vrouw onvoldoende gemotiveerd gesteld dat de door haar gestelde inbreng eigen vermogen betrof. Overigens blijkt uit de staat van aanbrengsten, genoemd onder 3.1, ook niet dat de vrouw bij het huwelijk het door haar gestelde vermogen bezat. Het hof is dan ook van oordeel dat terzake genoemde Fortisrekeningen (slechts) f 2.435,38, als bij het huwelijk aangebracht, buiten de verrekening valt. 4.16.2 Met betrekking tot de Commerzbankrekening [...] overweegt het hof het volgende. De man heeft erkend dat de vrouw bij het huwelijk heeft aangebracht een bedrag van DM 9.363,- dat zij op een Duitse rekening heeft gestort. Dit bedrag stemt overeen met het bedrag dat blijkens productie 30 bij de brief van de vrouw van 23 augustus 2007, een afschrift van genoemde Commerzbankrekening, op 17 maart 1977 op die rekening is gestort. Het hof gaat er dan ook van uit dat de erkenning door de man deze rekening betreft. Met de man is het hof van oordeel dat de vrouw niet heeft onderbouwd dat dat bedrag heeft gerendeerd tot een bedrag van € 10.651,- op de peildatum. Uit de door de vrouw overgelegde producties, met name genoemde productie 30, volgt die onderbouwing niet. Het bedrag van DM 9.363,- valt, als bij het huwelijk aangebracht, buiten de verrekening. 4.16.3 Uit het vorenstaande volgt dat de grief gedeeltelijk slaagt. 4.17 Grief X van de vrouw is gericht tegen het oordeel van de rechtbank omtrent de waarde van de zeilboot “Sailhorse 2414”. Partijen verschillen van mening over de waarde van die boot. Volgens de vrouw is de waarde daarvan plus van de trailer € 6.500,-. Volgens de man dient te worden uitgegaan van de door de rechtbank vastgestelde waarde, te weten € 500,-. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep aangegeven een Salomonsoordeel te wensen. Gelet daarop zal het hof de waarde van de zeilboot ex aequo et bono vaststellen op € 3.000,-. De grief slaagt. 4.18 Grief XI van de vrouw is gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank omtrent de Mercedes E290. De rechtbank heeft onbestreden vastgesteld dat de waarde daarvan € 17.600,- is. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat de man deze Mercedes heeft behouden, nadat partijen ter zitting van de rechtbank op 20 september 2005 hadden besproken dat deze naar de vrouw zou gaan. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat er bij de verrekening rekening mee moet worden gehouden dat de man de Mercedes E290 heeft behouden en dat de waarde van die auto gesteld moet worden op € 17.600,-. De vrouw heeft recht op helft van die waarde. De grief slaagt. 5 De slotsom 5.1 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof in het principaal en incidenteel beroep de bestreden beschikkingen, voor zover dit betreft de overwegingen in beide beschikkingen en de beslissing van de rechtbank in de beschikking van 8 november 2006 zoals samengevat in rov 3.28 ten aanzien van het aandeel van de vrouw in de waarde van de panden, de auto’s en de boot te vernietigen en opnieuw recht te doen als hierna te vermelden. Het hof zal de zaak terugverwijzen naar de rechtbank. 5.2 Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn. Omtrent de proceskosten van de eerste aanleg geeft het hof geen oordeel, aangezien die procedure nog niet is afgerond. 5.3 Het in hoger beroep meer of anders verzochte zal worden afgewezen. 5.4 Het hof zal bepalen dat van deze tussenbeschikking terstond beroep in cassatie kan worden ingesteld. 6 De beslissing Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel beroep: vernietigt de beschikkingen van de rechtbank Utrecht van 30 november 2005 en 8 november 2006 voor zover dit betreft de overwegingen in beide beschikkingen en de beslissing van de rechtbank in de beschikking van 8 november 2006 zoals samengevat in rov 3.28 ten aanzien van het aandeel van de vrouw in de waarde van de panden, de auto’s en de boot, en doet in zoverre opnieuw recht: laat de man toe tot het bewijs van feiten en omstandigheden als bedoeld onder 4.5.4, 4.6.2, 4.7.2, 4.8.4 en 4.13.2; verwijst de zaak terug naar de rechtbank Utrecht teneinde met inachtneming van het geen hiervoor is overwogen de zaak verder te behandelen en beslissen; compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt; wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af; bepaalt dat van deze tussenbeschikking terstond beroep in cassatie kan worden ingesteld. Deze beschikking is gegeven door mrs. Mens, Rijken en Ter Veer, bijgestaan door mr. Vriend als griffier en is op 15 juli uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.