
Jurisprudentie
BF2612
Datum uitspraak2008-09-23
Datum gepubliceerd2008-09-25
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Rotterdam
Zaaknummers10/770004-07
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-25
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Rotterdam
Zaaknummers10/770004-07
Statusgepubliceerd
Indicatie
Partiële vrijspraak van medeplegen hennepteelt: in zijn algemeenheid valt niet aan te geven of het verlenen van hulp aan een ander bij de opbouw van een hennepkewekerij voldoende is voor medeplegen van hennepteelt. In casu is het regelen van een schakelbord onvoldoende om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking. Geen sprake van beroeps- of bedrijfsmatige teelt, nu niet is gebleken dat verdachte eerder bemoeienis heeft gehad met een hennepkwekerij en de hennepplanten vrij amateuristisch werden onderhouden. Betrokkenheid bij de hennepkwekerijen maakt niet direkt dat de verdachte ook heeft deelgenomen aan de diefstal van elektriciteit. Vrijspraak ter zake van deelneming aan een organisatie als bedoeld in art. 140 Sr of 11a Ow, nu onvoldoende is komen vast te staan dat het samenwerkingsverband (reeds) een zekere duurzaamheid bezat en er evenmin sprake was van een gestructureerde samenwerking. Vrijspraak ter zake van heling.
Verweer dat rechter-commissaris ten onrechte machtiging tot opnemen van telefoongesprekken verleende verworpen; telefoongesprekken gebezigd voor bewijs.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Sector strafrecht
Parketnummer: 10/770004-07
Datum uitspraak: 23 september 2008
Tegenspraak
Vonnis van de Rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats],
ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres:
[adres],
raadsman mr. A.C. Bosch, advocaat te Rotterdam.
ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING
Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 8 en 9 september 2008.
TENLASTELEGGING
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.
De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.
EIS OFFICIER VAN JUSTITIE
De officier van justitie mr. Swaak heeft gerekwireerd tot:
- bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde;
- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.
VRIJSPRAAK
Het gedeelte van het onder 1 ten laste gelegde dat ziet op de zaken [straatnaam 1]en [straatnaam 4], alsmede het onder 2, 4 en 5 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.
Ten aanzien van feit 1, zaak [straatnaam 1]
Onder feit 1 wordt de verdachte onder meer verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van hennepteelt in het pand aan de [straatnaam 1] te Rotterdam. De raadsman heeft vrijspraak van dit feit bepleit. Ter terechtzitting heeft de verdachte iedere betrokkenheid ontkend. Voorts is aangevoerd dat uit de afgeluisterde telefoongesprekken niet kan worden afgeleid dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de hennepkwekerij.
Op 4 februari 2007 is een telefoongesprek afgeluisterd dat belastend zou kunnen zijn voor de verdachte. De verdediging heeft echter betwist dat de verdachte dit gesprek heeft gevoerd. Volgens de verdediging is het gesprek een vervolg op een gesprek waaraan één dag eerder (op 3 februari 2007 om 22.53 uur) een medeverdachte heeft deelgenomen, zodat ook het gesprek van 4 februari door die medeverdachte moet zijn gevoerd.
De rechtbank constateert dat in het gesprek van 4 februari 2007 lijkt te worden gerefereerd aan het gesprek dat op 3 februari 2007 heeft plaatsgevonden tussen medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (in dit laatste gesprek wordt door [medeverdachte 2] gezegd: “Ik heb er nou geen zin in!” waarop het gesprek wordt beëindigd, terwijl in het gesprek op 4 februari wordt gezegd: “(…) terwijl ik gewoon op heb gehangen en dat ik tegen je zeg van hé ik heb hier helemaal geen zin in nou.”). Hoewel thans niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat beide gesprekken door dezelfde persoon zijn gevoerd, is bij de rechtbank wel twijfel ontstaan of het daadwerkelijk de verdachte is geweest die heeft deelgenomen aan het gesprek van 4 februari 2007. Nu niet kan worden uitgesloten dat een ander dan de verdachte aan het gesprek van 4 februari 2007 heeft deelgenomen, zal dit telefoongesprek niet voor het bewijs worden gebruikt.
Ten nadele van de verdachte resteren in het dossier telefoongesprekken waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat de verdachte wist dat in het pand op het adres [straatnaam 1] een hennepkwekerij gevestigd was. Deze enkele ‘wetenschap’ is echter nog niet voldoende voor het bewijs van medeplegen, zodat de verdachte van dit onderdeel van feit 1 dient te worden vrijgesproken.
Ten aanzien van feit 1, zaak [straatnaam 4]
Onder feit 1 wordt de verdachte verder verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van hennepteelt in de woning aan de [straatnaam 4] in Rotterdam. De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe aangevoerd, kort gezegd, dat de eventuele wetenschap van de verdachte over de aanwezigheid van een hennepkwekerij op dit adres nog geen medeplegen van het telen van hennep oplevert.
Dit verweer treft doel.
De verdachte ontkent iedere betrokkenheid bij deze kwekerij. Uit de inhoud van diverse afgeluisterde telefoongesprekken kan echter worden afgeleid dat de verdachte in elk geval op een avond medeverdachte [medeverdachte 4] , de bewoner van het pand aan de [straatnaam 4], heeft geholpen met het ophangen van lampen voor de kwekerij. Dit betekent dat de verdachte wel degelijk een aandeel heeft gehad in het opbouwproces.
In zijn algemeenheid valt niet aan te geven of het verlenen van hulp aan een ander bij de opbouw van een hennepkwekerij voldoende is voor de bewezenverklaring van medeplegen van hennepteelt. Voor medeplegen is vereist dat de helper als een min of meer gelijkwaardig deelnemer aan de kwekerij moet worden beschouwd en dat hangt weer af van verschillende factoren, zoals de grootte van het aandeel in het opbouwproces en de aard en intensiteit van de samenwerking met de personen die de planten plaatsen en verzorgen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting kan onvoldoende worden afgeleid dat de verdachte meer heeft gedaan dan het (éénmalig) ophangen van lampen. Dit betekent dat het ervoor moet worden gehouden dat zijn bemoeienis met de kwekerij dusdanig beperkt was dat de verdachte niet als een gelijkwaardige deelnemer aan de kwekerij wordt gezien en dat aldus zijn rol niet kan worden gekwalificeerd als medeplegen. Duidelijk is wel dat de verdachte medeplichtigheid aan het telen van hennep kan worden verweten, maar dit is door de officier van justitie niet ten laste gelegd. De rechtbank kan daaraan dan ook geen gevolgen verbinden en zal de verdachte vrijspreken van dit feit.
Ten aanzien van feit 2
Aan de verdachte is onder 2 ten laste gelegd dat hij, samen met zijn medeverdachten, heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van drugsdelicten en/of een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van diefstallen. Van een dergelijke organisatie is sprake als kan worden uitgegaan van een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon (HR 22 januari 2008, LJN: BB7134). Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte met één of meer van zijn medeverdachten samenwerkte bij het voorbereiden of plegen van strafbare feiten. In die zin kan gesproken worden van een samenwerkingsverband. Uit in het bijzonder de tussen de verdachte en zijn medeverdachten gevoerde telefoongesprekken, maar ook uit een aantal van de tegenover de politie afgelegde verklaringen, blijkt ook wel van een zekere taakverdeling tussen de deelnemers aan dit samenwerkingsverband. Zo lijkt de een meer belast met het zoeken naar geschikte locaties en lijkt een ander meer de elektrotechnische man te zijn. Ook kan uit de telefoongesprekken worden opgemaakt dat op zijn minst gesproken werd over het toepassen van interne sancties (het opleggen van geldboetes) en is gebleken dat ten minste één maal geweld is gebruikt tegen een van de deelnemers, door (een) andere deelnemer(s). Hieruit volgt ook een zekere hiërarchie. Het samenwerkingsverband waar de verdachte deel van uitmaakte heeft dan ook kenmerken van een organisatie als bedoeld in de artikelen 11a van de Opiumwet en 140 van het Wetboek van Strafrecht. Onvoldoende is komen vast te staan dat het samenwerkingsverband (reeds) een zekere duurzaamheid bezat. Het opsporingsonderzoek dat aan de terechtzitting is voorafgegaan bestrijkt een periode van iets meer dan twee weken. Niet is gebleken dat ook voorafgaand aan deze periode van een samenwerkingsverband sprake was. Gedurende de onderzochte periode leek de samenwerking nogal eens ad hoc en amateuristisch. Eerder leek sprake te zijn van hand- en spandiensten dan van gestructureerd samenwerken. Naar het oordeel van de rechtbank kan wel worden gesproken over een criminele organisatie in wording, maar was de samenwerking gedurende de ten laste gelegde periode te incidenteel en nog te weinig bestendig om van een organisatie als bedoeld in genoemde strafbepalingen te kunnen spreken. De verdachte dient dan ook ter zake van dat feit te worden vrijgesproken.
Ten aanzien van feit 4
Aan de verdachte is onder 4 ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan heling van bouwmaterialen. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken.
Het onderzoek ter terechtzitting heeft onvoldoende aanknopingspunten opgeleverd om aan te nemen dat de verdachte wist of moest vermoeden dat de in de tenlastelegging genoemde bouwmaterialen, die in de loods aan de [straatnaam 5] zijn aangetroffen, waren gestolen. Er zijn wel aanwijzingen dat de verdachte één van de (onder)huurders van de loods was en daar dus toegang toe had, maar dat is op zichzelf onvoldoende voor het bewijs van heling. Ook is niet komen vast te staan dat deze materialen van de verdachte waren. Daar komt bij dat de loods onder andere bestemd was voor de opslag van bouwmaterialen van diverse bouwbedrijfjes. Dus zelfs al zou bewezen kunnen worden dat de verdachte de betreffende materialen in de loods heeft gezien of een ander heeft geholpen die naar binnen te brengen, dan nog kan daaruit geen wetenschap of een vermoeden van diefstal worden afgeleid.
Ten aanzien van feit 5, zaak Watt
Weliswaar is uit het onderzoek ter terechtzitting komen vast te staan dat de verdachte enige tijd woonde in het pand aan de [straatnaam 3] van waaruit stroom is gestolen, echter dit is op zichzelf onvoldoende om bewezen te achten dat de verdachte betrokken is geweest bij deze diefstal. Ook betrokkenheid bij de hennepkwekerij in dit pand, waarover hierna meer, maakt niet direct dat de verdachte dan ook deel heeft genomen aan de diefstal van elektriciteit. Nu geen omstandigheden zijn gebleken waaruit deze deelname wel zou kunnen volgen, zal de verdachte hiervan worden vrijgesproken.
BEWEZENVERKLARING
Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
1.
hij, in de periode van 1 oktober 2006 tot en met 16 februari 2007
te Rotterdam, ,
tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft geteeld,
- (in een pand aan [straatnaam 2] te Rotterdam) 348, hennepplanten en- (in een pand aan [straatnaam 3] te Rotterdam) 761, hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.
3.
hij omstreeks 19 februari 2007 te Rotterdam , opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 490,1 gram, van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een
middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen
krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.
ONRECHTMATIG VERKREGEN BEWIJS
Door de verdediging is aangevoerd dat de rechter-commissaris op 2 februari 2007 ten onrechte een machtiging heeft verleend tot het opnemen van telecommunicatie via het mobiele telefoonnummer van de verdachte. Volgens de verdediging bestond jegens de verdachte slechts de verdenking van betrokkenheid bij één hennepkwekerij, welk feit geen ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. Dit is een onherstelbaar vormverzuim, wat met toepassing van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) dient te leiden tot bewijsuitsluiting van de krachtens deze machtiging opgenomen telefoongesprekken.
Dit verweer wordt verworpen.
Vooropgesteld zij dat het wettelijke systeem met zich brengt dat de machtiging ex artikel 126m Sv van de rechter-commissaris door de rechtbank marginaal wordt getoetst. Voorts wijst de rechtbank erop dat artikel 126m Sv weliswaar vereist de verdenking van een misdrijf als omschreven in dat artikel, maar dat niet noodzakelijk is dat een dergelijke verdenking tegen de verdachte moet bestaan. Ook verdenkingen tegen anderen dan de verdachte kunnen maken dat machtiging wordt verleend tot het opnemen van telecommunicatie waaraan de verdachte deelneemt, indien het onderzoek dit dringend vordert.
De betwiste machtiging van de rechter-commissaris is afgegeven binnen het opsporingsonderzoek Alkanna. Gelet op de verdenkingen die, blijkens het proces-verbaal van 1 februari 2007 van de politie Rotterdam-Rijnmond (met nummer 033/2007 en documentcode 0702011135.BOB), op grond van dit onderzoek tegen een medeverdachte bestonden, alsmede gelet op de feiten en omstandigheden zoals omschreven in voornoemd proces-verbaal, is de rechtbank van oordeel dat de rechter-commissaris in redelijkheid tot haar oordeel omtrent die machtiging heeft kunnen komen.
BEWIJSMOTIVERING
De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.
Ten aanzien van feit 1, zaak [straatnaam 2]
Onder feit 1 wordt de verdachte verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van hennepteelt in het pand aan de [straatnaam 2] te Rotterdam. De raadsman heeft vrijspraak van dit feit bepleit, nu de betrokkenheid van verdachte bij deze hennepkwekerij niet kan worden vastgesteld. De verdachte heeft ter terechtzitting iedere betrokkenheid ontkend. Voorts is aangevoerd dat uit de afgeluisterde telefoongesprekken de betrokkenheid van de verdachte bij deze hennepkwekerij niet kan worden afgeleid.
Het verweer wordt verworpen.
Vast staat dat op 16 februari 2007 in het pand gelegen aan de [straatnaam 2] te Rotterdam een in werking zijnde hennepkwekerij met 348 planten is aangetroffen. Voorts is gebleken dat medeverdachte [medeverdachte 1]vanaf 1 januari 2007 als huurder het pand in gebruik heeft genomen en kort daarop, in de kelder, is begonnen met het inrichten van een hennepkwekerij en het kweken van hennep.
Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft bij de politie verschillende verklaringen afgelegd, waaruit de betrokkenheid bij deze kwekerij van de verdachte kan worden afgeleid. Ondanks dat [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris een andersluidende verklaring heeft afgelegd, zullen de verklaringen die [medeverdachte 1] bij de politie heeft afgelegd voor het bewijs worden gebruikt. Immers, uit de inhoud van afgeluisterde telefoongesprekken wordt ook de rechtstreekse betrokkenheid van de verdachte bij deze kwekerij afgeleid. Dit blijkt met name uit de telefoongesprekken die tussen de verdachte en verschillende medeverdachten zijn gevoerd op 6 februari 2007, waaruit wordt opgemaakt dat medeverdachte [medeverdachte 2] die dag in de kelder van het pand aan de [straatnaam 2] (het kantoor van het reïntegratiebureau van [medeverdachte 1] ) werkzaamheden in de hennepkwekerij aan het verrichten was op het moment dat zijn medeverdachte [medeverdachte 1] in het kantoor daarboven bezoek ontving (waardoor de verdachte en zijn medeverdachten vreesden voor ontdekking van de kwekerij). De verdachte onderhield op dat moment het contact met deze beide medeverdachten.
Voorts hebben de verdachte en [medeverdachte 1] op 8 februari 2007 een telefoongesprek gevoerd over een gesprongen stop in het pand aan de [straatnaam 2]. In de dagen erna (9 en 10 februari) komen in telefoongesprekken tussen [medeverdachte 2] en de verdachte de gesprongen stop en andere problemen met de stroomvoorziening in de kwekerij aan de orde.
Gelet op het bovenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte bewust en nauw met een ander of anderen heeft samengewerkt in de hennepkwekerij aan de [straatnaam 2], zodat sprake is van medeplegen van het telen van hennep.
Ten aanzien van feit 1, zaak [straatnaam 3]
Onder feit 1 wordt de verdachte eveneens verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van hennepteelt in het pand aan de [straatnaam 3] te Rotterdam. De raadsman heeft vrijspraak van dit feit bepleit, nu de betrokkenheid van verdachte bij deze hennepkwekerij niet kan worden vastgesteld. De verdachte ontkent iets met de kwekerij te maken te hebben gehad. Voorts is aangevoerd dat uit de uitgeluisterde telefoongesprekken de betrokkenheid van de verdachte bij deze hennepkwekerij niet kan worden afgeleid.
Het verweer wordt verworpen.
Vast staat dat op 16 februari 2007 in het pand gelegen aan de [straatnaam 3] te Rotterdam een in werking zijnde hennepkwekerij met 761 planten is aangetroffen. Verdachte werd bij deze gelegenheid in hetzelfde pand aangehouden.
Uit de inhoud van afgeluisterde telefoongesprekken en op basis van observaties kan worden afgeleid dat de verdachte zich bezig heeft gehouden met het onderhoud van de kwekerij aan de [straatnaam 3] al dan niet samen met medeverdachte [medeverdachte 2] .
Gelet op het bovenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte niet alleen op de hoogte was van het bestaan van de hennepkwekerij aan de [straatnaam 3], maar ook op een (of meer) tijdstip(pen) bewust en nauw met [medeverdachte 2] heeft samengewerkt bij het onderhoud daarvan, zodat sprake is van medeplegen aan het telen van hennep.
Ten aanzien van feit 1: beroeps- of bedrijfsmatige teelt
Gebleken is dat de verdachte gedurende een relatief korte periode als medepleger betrokken is geweest bij twee hennepkwekerijen. Niet gebleken is dat de verdachte eerder bemoeienis heeft gehad met een hennepkwekerij. Voorts heeft de rechtbank geconstateerd dat de hennepplanten in de kwekerijen aan de [straatnaam 2]en de [straatnaam 3] op vrij amateuristische wijze werden onderhouden. Zo werden de bewatering en de verlichting handmatig geregeld en waren er problemen met de stroomvoorziening in de kwekerij aan de [straatnaam 2]. Dit leidt tot de conclusie dat niet kan worden bewezen dat sprake was van beroeps- of bedrijfsmatige teelt. De verdachte zal dan ook van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.
Ten aanzien van feit 3
Terecht heeft de verdediging aangevoerd dat uit het dossier niet is gebleken dat de in de koelkast van de woning aan de [straatnaam 6] aangetroffen amfetamine is verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.
Door de verdediging is voorts aangevoerd dat de verdachte van het opzettelijk aanwezig hebben van de amfetamine eveneens dient te worden vrijgesproken, omdat de verdachte, die weliswaar enige tijd in de woning heeft verbleven, niet op de hoogte was van de aanwezigheid van de amfetamine in de koelkast. De voor de verdachte belastende verklaring die zijn medeverdachte [medeverdachte 3] bij de politie heeft afgelegd mag bovendien niet voor het bewijs worden gebruikt, nu [medeverdachte 3] bij de rechter-commissaris op die verklaring terug is gekomen, terwijl die verklaring het enige bewijsmiddel is waaruit de betrokkenheid van de verdachte rechtstreeks kan volgen en [medeverdachte 3] niet door de rechtbank ter zitting als getuige hierover is gehoord.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring die de medeverdachte [medeverdachte 3] bij de politie heeft afgelegd niet het enige bewijsmiddel is waaruit de rechtstreekse betrokkenheid van de verdachte blijkt. Zo bevindt zich in het dossier een afgeluisterd telefoongesprek tussen [medeverdachte 3] en ene Bertus, die zich de vader van de verdachte noemt, waarin door hen wordt gesproken over de verdachte en waarin [medeverdachte 3] zegt: “Ik weet wel op de [straatnaam 6], heeft ie wat in de koelkast.”
De verklaring van [medeverdachte 3] bij de politie, dat hij weet dat in de woning aan de [straatnaam 6] speed in de koelkast lag, dat de verdachte aan hem in de woning de speed heeft laten zien en dat het in krantenpapier was verpakt, zal aldus voor het bewijs worden gebruikt. Dit geldt te meer nu deze verklaring overeenstemt met hetgeen hierover in eerder genoemd telefoongesprek wordt gezegd en deze verklaring wordt bevestigd door de bevindingen van de politie bij de doorzoeking van de woning aan de [straatnaam 6]: in de groentela van de koelkast werd, verpakt in krantenpapier, een hoeveelheid amfetamine aangetroffen. Nu voorts bij de verdachte een sleutel van de woning aan de [straatnaam 6] is aangetroffen, en de getuige Hollander heeft verklaard dat de verdachte daar verbleef, acht de rechtbank het opzettelijk aanwezig hebben van de amfetamine door de verdachte wettig en overtuigend bewezen.
Uit het vorenstaande volgt dat het niet zo is dat, zoals de verdediging ten slotte heeft aangevoerd, alle bewijsmiddelen uit één bron – medeverdachte [medeverdachte 3] – afkomstig zijn, zodat ook dit verweer wordt verworpen.
STRAFBAARHEID FEITEN
De bewezen feiten leveren op:
1.
Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, aanhef en onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
3.
Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, aanhef en onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.
De feiten zijn strafbaar.
STRAFBAARHEID VERDACHTE
De verdachte is strafbaar.
STRAFMOTIVERING
De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft samen met anderen twee hennepkwekerijen ingericht en in werking gesteld. Een kwekerij bevond zich in een verborgen ruimte in de kelder van een kantoor van een medeverdachte, de andere kwekerij was ingericht in een pand waar de verdachte enige tijd heeft verbleven. Voorts heeft de verdachte in een andere woning waar hij enige tijd woonde een betrekkelijk grote hoeveelheid amfetamine voorhanden gehad.
Dit zijn ernstige feiten.
Het gebruik van soft- en harddrugs vormt een gevaar voor de volksgezondheid. Daarnaast vindt een groot deel van de criminaliteit direct of indirect haar oorsprong in het gebruik van verdovende middelen. Verdachte heeft zich bij het plegen van deze strafbare feiten uitsluitend laten leiden door eigen winstbejag, zonder zich te bekommeren om de maatschappelijke gevolgen ervan.
Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van enige duur.
Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 19 februari 2007 niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Hierin wordt aanleiding gezien een gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Voorts zal de rechtbank een taakstraf in de vorm van een werkstraf opleggen.
Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.
TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
Behalve op de reeds genoemde artikelen, is gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 10 en 11 van de Opiumwet.
BESLISSING
De rechtbank:
- verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 2, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
- verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 (zaken [straatnaam 2]en [straatnaam 3]) en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
- stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 12 (twaalf) maanden,
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (maanden) niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten;
- stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren; de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
- legt de verdachte een taakstraf op bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, waarbij de Stichting Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de werkstraf dient te bestaan;
- beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen;
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. Mul, voorzitter,
en mrs. Geurts - de Veld en Van den Enden, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Bernard, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 september 2008.
Bijlage bij vonnis van 23 september 2008:
TEKST GEWIJZIGDE TENLASTELEGGING
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1.
hij, in of omstreeks de periode van 1 oktober 2006 tot en met 16 februari 2007
te Rotterdam, in ieder geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in de
uitoefening van een beroep of bedrijf, (telkens) meermalen, althans eenmaal,
(telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad
- (in een pand aan [straatnaam 1] te Rotterdam)
(een) hoeveelheid/hoeveelheden hennep en/of ongeveer 215, althans
een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan en/of
- (in een pand aan [straatnaam 2] te Rotterdam)
(een) hoeveelheid/hoeveelheden hennep en/of ongeveer 348, althans
een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan en/of
- (in een pand aan [straatnaam 3] te Rotterdam)
(een) hoeveelheid/hoeveelheden hennep en/of ongeveer 761, althans
een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan en/of
- (in een pand aan [straatnaam 4] te Rotterdam)
(een) hoeveelheid/hoeveelheden hennep en/of ongeveer 332, althans
een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan en/of
in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal
bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet
behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die
wet;
(artikelen 3 jo 11 Opiumwet jo 47 Wetboek van Strafrecht)
(zaaksdossiers [straatnaam 1], [straatnaam 2], [straatnaam 3], [straatnaam 4])
2.
hij,
in of omstreeks de periode van 1 oktober 2006 tot en met 16 februari 2007, op één of meer verschillende tijdstip(pen), te Rotterdam, althans in Nederland,
heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een (duurzaam) samenwerkingsverband van personen, te weten hij, verdachte en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of één of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van (een) misdrijf/misdrijven zoals strafbaar gesteld in artikel 11, derde lid van de Opiumwet,
namelijk het (telkens) in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken, in elk geval het opzettelijk aanwezig hebben van één of meer hoeveelhe(i)d(en) van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II dan wel aangewezen
krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet
(artikel lla Opiumwet)
en/of
dat hij,
in of omstreeks de periode van 1 oktober 2006 tot en met 16 februari 2007, op één of meer verschillende tijdstip(pen), te Rotterdam, althans in Nederland,
heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een (duurzaam) samenwerkingsverband van personen, te weten hij, verdachte en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of één of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van (een) misdrijf/misdrijven, namelijk het/de misdrijf/misdrijven als omschreven in artikel 310/311 lid 1 onder 4 en 5 van het Wetboek van Strafrecht, te weten het ten behoeve van hennepkwekerijen plegen van diefstal(len) van elektriciteit en/of van goed(eren) bedoeld voor de opbouw en/of inrichting van die hennepkwekerij(en) en/of bedoeld voor het telen en/of verzorgen en/of oogsten van hennepplanten;
(artikel 140 Wetboek van Strafrecht)
(zaak Haagseveer)
3.
hij in of omstreeks de periode van 19 januari 2007 tot en met 19 februari
2007, in elk geval op of omstreeks 19 februari 2007 te Rotterdam tezamen en in
vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft
verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval
opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 595,3 gram, in elk geval een
hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een
middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen
krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
(artikel 2 B/C jo. 10 Opiumwet)
(zaak [straatnaam 6])
4.
hij in of omstreeks de periode van 26 januari 2007 tot en met 16 februari 2007
te Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met één of
meer anderen, althans alleen, op verschillende tijdstippen,
- twee, althans één of meer houten haspels met elektradraad en/of
- een boormachine van het merk HILTI en/of een boormachine van het merk
Metabox en/of
- twee, althans één of meer pakken steenwol en/of
- meerdere rollen dakbedekking (bitumen) en/of
- een kalkzandsteenknipper en/of
- een bouwlamp en/of
- een doos met spouwankers
heeft/hebben verworven en/of voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl hij,
verdachte en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het
voorhanden krijgen van dat/die goed(eren) (telkens) wist(en), althans
redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen
goed(eren) betrof;
(artikel 416/417bis jo. 47 Wetboek van Strafrecht)
(zaak [straatnaam 5])
5.
hij in of omstreeks de periode van 29 december 2006 tot en met 16 februari
2007 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans
alleen, op verschillende tijdstippen,
met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening, (telkens) heeft/hebben
weggenomen in/uit een pand gelegen aan de [straatnaam 3] één of meer
hoeveelheden electriciteit, in elk geval enig(e) goed(eren), (telkens) geheel
of ten dele toebehorende aan Energiebedrijf "ENECO Energie", in elk geval aan
een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s),
(artikel 311 Wetboek van Strafrecht)
(zaaksdossier Watt)