Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF2469

Datum uitspraak2008-09-25
Datum gepubliceerd2008-09-25
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Maastricht
Zaaknummers03/703067-07, 03/700020-08 (TTZGEV)
Statusgepubliceerd


Indicatie

Veroordeling voor doodslag. De rechtbank heeft, gezien de uitgebrachte dagvaarding, te onderzoeken of er sprake is van moord, dan wel doodslag in vereniging gepleegd. In dat geval kan onder omstandigheden in het midden blijven wie wat heeft gedaan, als maar vast staat dat het door één van de betrokkenen is gedaan. In casu blijkt niet van voorafgaande afspraken met betrekking tot het delict. Wel blijkt dat beide verdachten in een korte tijdsspanne ernstig geweld uitoefenen op het slachtoffer. Eén van hen heeft in dat kader de dodelijke verwonding toegebracht. Dat is onder de omstandigheden die in deze zaak bestaan, voldoende om te komen tot de conclusie dat de vereiste nauwe en bewuste samenwerking heeft bestaan.


Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT Sector Strafrecht Parketnummers: 03/703067-07, 03/700020-08 (TTZGEV) Datum uitspraak: 25 september 2008 Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 2 mei 2007, 18 juli 2007, 28 augustus 2007, 9 november 2007, 30 januari 2008 en 11 september 2008 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen [Naam verdachte], geboren te [Geboortegegevens verdachte], wonende te [Woonadres verdachte], overigens zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland. De bij afzonderlijke dagvaardingen onder bovenvermelde parketnummers aangebrachte zaken zijn ter terechtzitting gevoegd. De tenlasteleggingen Aan de verdachte is in de zaak met het parketnummer 03/703067-07 ten laste gelegd dat hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 5 januari 2007 tot en met 18 januari 2007, in elk geval in de maand januari van het jaar 2007, in de gemeente Nuth, in elk geval in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [Naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader(s) na kalm beraad en rustig overleg, voornoemde [Naam slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk met een mes, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp in diens borst(streek), in elk geval in diens lichaam gestoken en/of gesneden; Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat: hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 5 januari 2007 tot en met 18 januari 2007, in elk geval in de maand januari van het jaar 2007, in de gemeente Nuth, in elk geval in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk [Naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader(s), voornoemde [Naam slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk met een mes, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp in diens borst(streek), in elk geval in diens lichaam gestoken en/of gesneden; meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat: hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 5 januari 2007 tot en met 18 januari 2007, in elk geval in de maand januari van het jaar 2007, in de gemeente Nuth, in elk geval in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd [Naam slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader(s), voornoemde [Naam slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk met een mes, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp in diens borst(streek), in elk geval in diens lichaam gestoken en/of gesneden, terwijl het feit de dood van voornoemde [Naam slachtoffer] tengevolge heeft gehad. Aan de verdachte is in de zaak met het parketnummer 03/700020-08 ten laste gelegd dat hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 5 januari 2007 tot en met 18 januari 2007, in elk geval in de maand januari van het jaar 2007 in de gemeente Nuth, in elk geval in het arrondissement Maastricht, een lijk, te weten het dode lichaam van [Naam slachtoffer], heeft verborgen, met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden van voornoemde [Naam slachtoffer] te verhelen, door toen aldaar opzettelijk het dode lichaam van [Naam slachtoffer] te plaatsen in een muurkast van een (leegstaande/niet bewoonde) kamer op de eerste verdieping in het pand Hellebroek 61. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt vrijgesproken van moord, dan wel doodslag of zware mishandeling de dood ten gevolge hebbende, zoals tenlastegelegd in de zaak met parketnummer 03/703067-07. Wél acht de officier van justitie bewezen dat de verdachte het lichaam van [Naam slachtoffer] heeft verborgen in de muurkast (de zaak met parketnummer 03/700020-08). Hij heeft hiertoe het volgende aangevoerd. De verdachte beschikte over de nodige middelen om het lijk van [Naam slachtoffer] te verbergen, waaronder een dekbed en een dekbedovertrek, een rol afplaktape en de lege muurkast in de onbewoonde kamer van de bovenverdieping. Tevens had de verdachte ruim de gelegenheid om het lijk van [Naam slachtoffer] te verbergen. Bij het overbrengen naar het politiebureau na verhoor verklaarde de verdachte spontaan dat het lichaam in de “spareroom” was aangetroffen, terwijl daar in eerdere verhoren nog totaal niet over was gesproken. De bevinding met betrekking tot de handafdruk in bloed op het t-shirt van [Naam slachtoffer], die overeen kan komen met de kenmerken van de hand van de verdachte, draagt bij tot de overtuiging dat de verdachte het lichaam van [Naam slachtoffer] heeft verborgen. De verdachte heeft ook een motief gehad om het lichaam te verbergen en de bovenwoning schoon te maken. De verdachte wilde vermoedelijk verbergen dat zijn handelen, namelijk het stompen van [Naam slachtoffer], aan de dood van [Naam slachtoffer] heeft bijgedragen of voorkomen dat hij met deze dood in verband werd gebracht. Uit de zwijgende en ontkennende houding van de verdachte, terwijl juist een plausibele uitleg voor bewijzen van het openbaar ministerie door de verdachte vereist wordt, kan de rechtbank de conclusie trekken dat de verdachte het ten last gelegde heeft gepleegd. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft geconcludeerd tot vrijspraak van alle ten laste gelegde feiten. Zij heeft hiertoe het volgende aangevoerd. 1. Er waren van meet af aan geen directe aanwijzingen, laat staan bewijsmiddelen, op basis waarvan haar cliënt als verdachte kon worden aangewezen. 2. Het vervolgens op eenzijdige wijze verzamelde en geïnterpreteerde bewijs tegen verdachte kan niet leiden tot een bewezenverklaring van moord, dan wel doodslag. Bovendien zijn aanwijzingen die medeverdachte [Naam medeverdachte] en getuige [H.] mogelijk in verband brachten met de dood van [Naam slachtoffer] genegeerd. Ter onderbouwing van haar standpunt voert de raadsvrouw in het bijzonder de volgende punten aan: - er is onvoldoende bewijs dat juist de verdachte in het appartement door schoonmaken, of zelfs verven, geprobeerd heeft sporen uit te wissen; - de schilderstape die is aangetroffen op het lichaam van [Naam slachtoffer] is op geen enkele wijze in verband te brengen met enige specifieke betrokkenheid van de verdachte met [Naam slachtoffer]’s dood en/of het verbergen van diens lichaam; - het bloed van [Naam slachtoffer] dat op de schoenen en sokken die de verdachte bij zijn aanhouding in Valkenswaard bij zich had, is aangetroffen, is mogelijk door het onbewust lopen door bloed op deze sokken en schoenen terecht gekomen; - aan het aantreffen van een kussensloop op de kamer van verdachte, dat blijkt te passen bij het dekbedovertrek dat is aangetroffen in de kast waarin het lichaam van [Naam slachtoffer] is gevonden, kan geen enkele bewijsconclusie worden verbonden; - aan de bevindingen, gerelateerd in het proces-verbaal naar aanleiding van een nadere vergelijking tussen de handafdruk van verdachte met de handafdruk die op het t-shirt van [Naam slachtoffer] is aangetroffen, komt geen bewijskracht toe; - het feit dat verdachte een gebroken hand had, die mogelijk is ontstaan door het slaan van [Naam slachtoffer], staat in geen enkel verband met diens dood. 3. Niet bewezen kan worden dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het ten laste gelegde verbergen van het lijk van [Naam slachtoffer]. De verklaringen die medeverdachte [Naam medeverdachte] hierover heeft afgelegd, zijn in de ogen van de verdediging ongeloofwaardig, onjuist en tegenstrijdig en kunnen derhalve niet gebruikt worden voor het bewijs. Overwegingen met betrekking tot het bewijs De rechtbank beschouwt de navolgende feiten als vaststaand: Op 18 januari 2007 is in een muurkast op een niet-verhuurde kamer in het kamerverhuurbedrijf/bovenwoning boven café [Naam café] te Nuth het stoffelijk overschot aangetroffen van [Naam slachtoffer]. Het lichaam bevond zich reeds zover in staat van ontbinding dat gebitsidentificatie nodig was om de identiteit vast te stellen. In de borst van [Naam slachtoffer] werden drie messteken aangetroffen, toegebracht bij leven. Twee messteken bevonden zich rechts op de borst, één beenwaarts en één hoofdwaarts, en waren volgens de patholoog-anatoom niet dodelijk. De derde messteek was beenwaarts met een insteek in de linkerkamer van het hart. Volgens de patholoog van het NFI heeft deze insteek de dood veroorzaakt. Na het toebrengen van deze steek moet het slachtoffer binnen enkele seconden tot minuten zijn overleden als gevolg van massaal bloedverlies en hartfunctiestoornis. Op het hoofd van [Naam slachtoffer] bevond zich een groot hematoom aan de rechterslaap, eveneens bij leven toegebracht, dat de kenmerken heeft van uitwendig mechanisch stomp, botsend geweld. In de maag van [Naam slachtoffer] is deels verteerd voedsel aangetroffen. In het deskundigenrapport van het NFI wordt aangegeven dat 90% van het ingenomen vast voedsel binnen vier uren de maag doorloopt. Hoewel deze tijd indicatief is, verbindt de rechtbank aan het rapport de conclusie dat [Naam slachtoffer] in een periode van ongeveer vier uur vóór zijn dood gegeten moet hebben. Op 6 januari 2007 rond 21:30 uur heeft [Naam slachtoffer] café [Naam café] bezocht en is daar gebleven totdat hij door getuige [H.] om ongeveer 01:15 uur naar huis werd gestuurd. Om 01.45 uur is [Naam slachtoffer] voor het laatst door getuige [H.] in leven gezien. In de periode van 21:30 uur tot 01:45 uur is niet gezien dat [Naam slachtoffer] het in het rapport beschreven voedsel eet. Uit het forensisch onderzoek blijkt dat in de woonkamer geen bloed van [Naam slachtoffer] is aangetroffen. Wel blijkt uit het sporenonderzoek dat een groot gedeelte van de vloer van de keuken, de linkermuur, het afstapje en de linkerzijkant van de wasmachine besmeurd zijn geweest met bloed en dat het bloed is weggemaakt/gepoetst. Tevens werd een zichtbaar bloedspattenpatroon aangetroffen achter de leidingen van de linkermuur en de wasmachine. Het bloed in de keuken blijkt afkomstig te zijn van [Naam slachtoffer]. Het bloedspattenpatroon duidt erop dat in de omgeving van het afstapje, laag bij de vloer één of meerdere krachtinwerkingen op bloed hebben plaatsgevonden; dit kan duiden op het slaan in vloeibaar bloed. Op de bij de linkermuur van de keuken aangetroffen bezem en fles allesreiniger is ook bloed van [Naam slachtoffer] aangetroffen. De aangetroffen emmer en vloerwisser lieten bij het luminol-onderzoek ook sporen van bloed zien. In de aangetroffen emmer werd een schuursponsje gevonden. De schoonmaaksporen op het behang naast de wasmachine maken het waarschijnlijk dat er met de grijze kant van dit sponsje over de muur is gewreven. Op het sponsje is biologisch materiaal aangetroffen dat het DNA bevatte van [Naam verdachte]. Ook bevatte het sponsje bloed, dat zeer waarschijnlijk van [Naam slachtoffer] afkomstig was. Voorts is middels luminol een sleepspoor in bloed zichtbaar gemaakt, dat begint bij de deuropening van de keuken en loopt tot aan een bloedvlek, die is aangetroffen in de kamer waar het lichaam van [Naam slachtoffer] is gevonden. Onder een schoen van [Naam verdachte] en op sokken van hem aan de onderkant en de binnenkant ter hoogte van de enkel, is bloed van [Naam slachtoffer] aangetroffen. Deze schoen en sokken werden bij [Naam verdachte] aangetroffen bij zijn aanhouding in Valkenswaard. Het stoffelijk overschot van [Naam slachtoffer] lag in de muurkast. Tussen het stoffelijk overschot en de deur van die kast is een dekbedovertrek opgehangen, naar de rechtbank aanneemt om het lijk aan waarneming te onttrekken. Op dit dekbedovertrek bevond zich DNA van onder andere [Naam medeverdachte]. In de nacht van 6 op 7 januari 2007 zijn na 01:45 uur alleen [Naam slachtoffer], [Naam verdachte] en [Naam medeverdachte] nog in de bovenwoning aanwezig. [Naam verdachte] heeft een gebroken hand met letsel dat kenmerkend is voor het toedienen van een vuistslag. Hij heeft bij de politie verklaard dat hij [Naam slachtoffer] in de betreffende nacht in de bovenwoning heeft geslagen. [Naam medeverdachte] heeft verklaard dat hij [Naam slachtoffer] in de woonkamer van de bovenwoning één keer heeft gestoken met een mes. Bij die verklaring blijft hij. Later verklaart hij dat hij mogelijk [Naam slachtoffer] nog twee keer heeft gestoken, één keer in de woonkamer en één keer in de keuken. Of dat echter daadwerkelijk is gebeurd, kan hij zich niet herinneren. Op grond van het vorenstaande kan de rechtbank met betrekking tot het overlijden van [Naam slachtoffer] het volgende vaststellen: Het tijdstip van overlijden van [Naam slachtoffer] moet kort na 01:45 uur zijn gelegen. De rechtbank beredeneert dit als volgt. Om 01:45 uur heeft getuige [H.] [Naam slachtoffer] voor het laatst in leven gezien. In de maag van [Naam slachtoffer] is bij sectie voedsel aangetroffen dat nog niet geheel verteerd was. Dat voedsel moet ingenomen zijn vóór 21:30 uur, omdat [Naam slachtoffer] daarna niets meer gegeten heeft. Omdat voedsel doorgaans binnen ongeveer 4 uur de maag doorlopen heeft, moet de dood dus wel kort na 01.45 uur zijn ingetreden. [Naam slachtoffer] is overleden als gevolg van de messteek in de linker borststreek. Die messteek had massaal bloedverlies tot gevolg. Zeer kort na het toebrengen van deze steek is [Naam slachtoffer] overleden. De plek waar die fatale messteek is toegebracht, is de keuken, gelet op de bevindingen naar aanleiding van het forensisch onderzoek. In de korte tijd tussen 01:45 uur en het moment van overlijden is [Naam slachtoffer] dus in ieder geval in de bovenwoning door [Naam verdachte] tegen het hoofd geslagen en door [Naam medeverdachte] gestoken. Volgens de officier van justitie heeft [Naam medeverdachte] de fatale messteek toegebracht; hij heeft hieromtrent een bekennende verklaring afgelegd. Volgens de raadsman van [Naam medeverdachte] is er sprake van een coerced-internalized false confession ten aanzien van de als tweede en derde toegebrachte steken. De rechtbank is van oordeel dat er sprake kan zijn van een coerced-internalized false confession, een valse verklaring ten aanzien van de laatst toegebrachte steken. Ook zij heeft geconstateerd dat de bekentenissen van [Naam medeverdachte] ter zake door hem met een zeker voorbehoud zijn gedaan, zodat niet valt uit te sluiten dat er sprake is van een valse bekentenis. De vraag is echter of dat onder de gegeven omstandigheden van wezenlijk belang is voor de beantwoording van de bewijsvraag. De rechtbank heeft, gezien de uitgebrachte dagvaarding, immers te onderzoeken of er sprake is van moord, dan wel doodslag in vereniging gepleegd. In dat geval kan onder omstandigheden in het midden blijven wie wat heeft gedaan, als maar vast staat dat het door betrokkenen is gedaan (zie onder andere De Hullu, 2006, blz. 428 en HR 12 april 2005, NJ 2005, 577). Van handelen “in vereniging” is sprake bij een nauwe en bewuste samenwerking tussen de betrokken personen, gericht op de totstandkoming van het delict. Daarnaast moet de van medeplegen verdachte persoon aan de totstandkoming van het delict een wezenlijke bijdrage hebben geleverd. Dat laatste hoeft niet te betekenen dat de van medeplegen verdachte persoon ook een daadwerkelijk uitvoerder moet zijn. Ook een andere rol kan immers leiden tot de conclusie dat de verdachte een wezenlijke bijdrage aan de voltooiing van het delict heeft geleverd. Nauwe en bewuste samenwerking zal doorgaans het resultaat zijn van vooraf gemaakte afspraken. Noodzakelijk is dat niet. Ook tijdens de feitelijke gedraging kan er nauwe samenwerking ontstaan. Zelfs niet ingrijpen of zich niet distantiëren kan leiden tot de conlusie dat van medeplegen sprake is, maar daarvoor geldt dan wel dat de van medeplegen verdachte persoon zich bewust moet zijn geweest van het plegen van het delict en dat ook moet hebben aanvaard. In dit geval blijkt niet dat er sprake is van voorafgaande afspraken met betrekking tot het delict. Wél blijkt dat beide verdachten in een korte tijdsspanne, op dezelfde plaats, de bovenwoning, ernstig geweld hebben uitgeoefend op het slachtoffer. En één van hen heeft in dat kader de dodelijke verwonding toegebracht. Dat is onder de omstandigheden die zich in deze zaak voordoen, voldoende om te komen tot de conclusie dat de vereiste bewuste en nauwe samenwerking heeft bestaan. De rechtbank betrekt daarbij met name het navolgende. Beide verdachten ontkennen de dood van het slachtoffer veroorzaakt te hebben. Ieder voor zich heeft wel iets gedaan, maar dat was niet dodelijk. [Naam verdachte] stelt dat hij geslagen heeft en daarna is gaan slapen in de woonkamer. Hij heeft derhalve geen deel gehad aan het doodsteken in de keuken en hij heeft daar ook niets van gemerkt. [Naam medeverdachte] zegt dat hij na het toebrengen van één steek in de woonkamer is vertrokken en [Naam slachtoffer] in leven heeft achtergelaten. De rechtbank hecht aan deze lezingen geen geloof om de navolgende redenen. Dat [Naam verdachte] sliep, is ongeloofwaardig. Hij had ruzie met [Naam slachtoffer] over het geluidsniveau van de stereoinstallatie. Hij sloeg [Naam slachtoffer]. [Naam verdachte] verklaart ook dat hij [Naam medeverdachte] met een mes door de kamer heeft zien lopen. [Naam medeverdachte] zegt dat hij [Naam slachtoffer] één keer heeft gestoken in de woonkamer. Onder die omstandigheden prompt in slaap vallen - met een door de slag gebroken hand - is zeer onwaarschijnlijk. Bovendien is met het opruimen van de sporen, het lijk en het bloed, ongetwijfeld veel tijd heen gegaan en is dit opruimen gepaard gegaan van veel geluid. Dat [Naam verdachte] dat niet zou hebben gemerkt en/of gehoord, is op zijn minst onwaarschijnlijk. Voorts blijkt uit DNA-onderzoek dat aan de onderzijde van een schoen, onder een sok en aan de rand van een sok van [Naam verdachte] bloedspatten zijn gevonden van [Naam slachtoffer]. Een verklaring hiervoor heeft [Naam verdachte] nooit gegeven. Zelf stelt [Naam verdachte] nooit bloed in de bovenwoning gezien te hebben. Dan is het volgens de rechtbank ook niet waarschijnlijk dat het bloed per ongeluk - middels het lopen door bloed - op deze spullen is gekomen. Het NFI stelt eveneens dat het onwaarschijnlijk is dat het bloed op de zijkant van de sok is gekomen door contaminatie als gevolg van lopen door bloed. Onderzoek aan de schoonmaakemmer en de spons in de keuken wijst uit dat bloed van [Naam slachtoffer] in de emmer en op de spons heeft gezeten en dat er DNA van [Naam verdachte] op de spons zat. De rechtbank leidt daaruit af dat deze spullen gebruikt zijn voor het opruimen van het bloed en dat [Naam verdachte] daarbij betrokken is geweest. Het is immers onwaarschijnlijk dat er ná het poetsen met deze spons door een onbekende derde nog DNA-sporen van [Naam verdachte] op de spons aangetroffen zouden worden. Waarom [Naam verdachte] bloedsporen zou opruimen als hij niets met de dood van het slachtoffer te maken zou hebben, is voor de rechtbank een raadsel. Dat [Naam verdachte] wel degelijk meer wist van de ware toedracht van de gebeurtenissen op die avond, leidt de rechtbank verder af uit een aantal opmerkingen van [Naam verdachte] tegenover de politie. [Naam verdachte] verklaarde spontaan na een verhoor tegen een verbalisant dat [Naam slachtoffer] is gevonden in de ”spare room”. [Naam slachtoffer] is inderdaad gevonden in de muurkast van de kamer die op dat moment niet in gebruik was. Tevens heeft [Naam verdachte] in zijn 12e verhoor spontaan verklaard dat [Naam slachtoffer] door drie messteken om het leven was gekomen. Deze informatie kon hem op dat moment niet bekend zijn, omdat deze informatie door de politie niet was vrijgegeven. Evenmin kon deze informatie door [Naam verdachte] worden afgeleid uit aan hem of zijn advocaat overhandigde stukken. Tenslotte blijkt nergens uit dat [Naam verdachte] zich op enige wijze verbaasd heeft over het feit dat [Naam slachtoffer], de man met wie hij de bovenwoning deelde, de volgende ochtend “verdwenen” was. Daarnaast heeft [Naam verdachte] wisselende en leugenachtige verklaringen gegeven voor het ontstaan van zijn gebroken hand. Dat wijst er op dat [Naam verdachte] de werkelijke toedracht precies kende, maar deze voor de autoriteiten verborgen wilde houden. Ook ten aanzien van [Naam medeverdachte] blijkt niet dat hij zich op enige wijze zorgen maakte over het “verdwijnen” van [Naam slachtoffer], die hij nota bene blijkens zijn versie van de gebeurtenissen net nog heeft gestoken. Als [Naam slachtoffer] vermist wordt, waarschuwt [Naam medeverdachte] evenmin de autoriteiten. Bovendien liegt [Naam medeverdachte] hardnekkig, wanneer hij als getuige wordt gehoord: hij is de nacht van 6 op 7 januari na het bezoek aan het café niet eens in de bovenwoning geweest en hij heeft geen ruzie met [Naam slachtoffer] gehad. Ook deze omstandigheden wijzen erop dat ook [Naam medeverdachte] de precieze toedracht kende en er geen belang bij had dat die aan het licht zou komen. [Naam slachtoffer] is in de keuken aan zijn einde gekomen. Daarna is hij naar een muurkast in een andere kamer gesleept en daar ingepakt. Of [Naam verdachte] dat met een gebroken hand alleen zou kunnen doen, is hoogst twijfelachtig. Op het dekbedovertrek dat in de muurkast hing en waarachter het lichaam van [Naam slachtoffer] was verborgen, is DNA van [Naam medeverdachte] aangetroffen. Hoe dat DNA daarop is gekomen, kan [Naam medeverdachte] niet goed verklaren. De verklaring die hij hiervoor geeft, acht de rechtbank, gelet op de conclusie van het NFI, niet steekhoudend. Wél zegt [Naam medeverdachte] spontaan in zijn eerste verhoor dat [Naam slachtoffer] zeker vast zat (stuck), na de mededeling van de verbalisanten dat het niet prettig was om het lichaam uit de kast te halen. Dat [Naam medeverdachte] deze informatie over een detail heeft afgeleid uit de hem bij dat verhoor getoonde foto’s of anderszins door de politie verstrekte informatie, is de rechtbank niet gebleken. Het voorgaande betekent dat [Naam medeverdachte] een aandeel moet hebben gehad in het verbergen van het lijk. Waarom zou hij daarbij betrokken willen zijn, als hij niets te maken heeft met de dood van [Naam slachtoffer]? Ook daarvoor geeft [Naam medeverdachte] geen verklaring. Dat [Naam medeverdachte] meer weet van de ware toedracht blijkt tot slot ook uit het feit dat hij in een telefoongesprek met de moeder van [Naam slachtoffer] op 12 januari 2007 - het lijk is dan nog niet gevonden - zegt: “[Naam slachtoffer] was a good guy”. Met andere woorden, [Naam medeverdachte] weet dan al dat [Naam slachtoffer] dood is. Al deze niet-verklaarde omstandigheden, die gegeven de omstandigheden wel nadrukkelijk om een verklaring vragen, in combinatie met het bewijs van het feit dat beiden binnen een korte tijdsspanne ernstig geweld op [Naam slachtoffer] hebben uitgeoefend en zich daarbij kennelijk niet op een of andere wijze hebben gedistantieerd van wat de één of de ander aan uitvoeringshandelingen verrichtte, brengen de rechtbank tot de conclusie dat [Naam verdachte] en [Naam medeverdachte] het slachtoffer [Naam slachtoffer] in vereniging hebben gedood. Nu over de toedracht niet méér bekend is, kan de rechtbank niet vaststellen dat zulks gebeurd is na kalm beraad en rustig overleg. Van moord dient [Naam verdachte] dan ook te worden vrijgesproken. De rechtbank acht wel doodslag wettig en overtuigend bewezen. Overwegingen ten aanzien van het onder parketnummer 03/700020-08 ten laste gelegde De wijze van ten laste leggen brengt mee, dat moet komen vast te staan dat [Naam verdachte] degene was die het lijk van [Naam slachtoffer] heeft verborgen. Ten aanzien van de rol van [Naam verdachte] is enkel doorslaggevend bewijs met betrekking tot het schoonmaken van de plaats delict (DNA op schuurspons) voorhanden. Dat betekent dat de rechtbank onvoldoende bewijs heeft voor het [Naam verdachte] ten laste gelegde verwijt van het verbergen van het lijk. Op grond daarvan moet hij van dat feit worden vrijgesproken. De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met het parketnummer 03/703067-07 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij in de periode van 5 januari 2007 tot en met 7 januari 2007 in de gemeente Nuth, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [Naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader, voornoemde [Naam slachtoffer] meermalen (telkens) opzettelijk met een mes in diens borststreek gestoken. De bewijsmiddelen De beslissing van de rechtbank, dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De kwalificatie Het in de zaak met het parketnummer 03/703067-07 bewezen verklaarde levert op een strafbaar feit dat moet worden gekwalificeerd als: medeplegen van doodslag De strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar. De redengeving van de op te leggen straf en maatregel De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte zal worden vrijgesproken ter zake van de feiten in de zaak met parketnummer 03/703067-07. De officier van justitie heeft eveneens gevorderd dat de verdachte ter zake van het feit in de zaak met parketnummer 03/700020-08 zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht De raadsvrouw heeft geconcludeerd tot vrijspraak van alle ten laste gelegde feiten. Zij heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot een eventueel op te leggen straf. De rechtbank overweegt in verband met de op te leggen straf en maatregel het volgende. De rechtbank heeft, nu zij gekomen is tot een bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 03/703067-07 subsidiair ten laste gelegde en daarmee is afgeweken van de standpunten van de officier van justitie en de raadsvrouw, bij de bepaling van de op te leggen straf en maatregel gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur. Daarbij is rekening gehouden met de ernst van het feit in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. In het bijzonder laat de rechtbank zwaar wegen dat de verdachte het slachtoffer van het grootste goed, diens leven, heeft beroofd. Daarnaast heeft de verdachte groot en onherstelbaar persoonlijk leed teweeggebracht bij de familie van het slachtoffer, niet alleen omdat hij nauw betrokken is geweest bij de levensberoving van [Naam slachtoffer], maar ook omdat hij geprobeerd heeft diens geweldadige dood en de toedracht ervan nadien te verbergen. Daarmee heeft hij [Naam slachtoffer]’s familie in grote onzekerheid en ongerustheid achter gelaten. De rechtbank geeft zich hierbij rekenschap van het feit dat geen enkele straf de nabestaanden met het aangerichte leed zal kunnen verzoenen. Tot slot heeft de rechtbank acht geslagen op verdachtes proceshouding. De verdachte is zich op zijn zwijgrecht blijven beroepen of heeft ongeloofwaardig verklaard. Zodoende heeft hij geen opening van zaken gegeven over, noch de verantwoordelijkheid genomen voor de toedracht van de dood van [Naam slachtoffer]. Het beslag De rechtbank zal de teruggave gelasten van de inbeslaggenomen goederen aan de verdachte. De vordering van de benadeelde partij De benadeelde partij [Naam benadeelde partij] vordert een schadevergoeding van € 7372,61. De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 6641,90 een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit, rekening houdend met een omrekening van het gevorderde bedrag van Britse ponden naar euro’s, naar de koers van de euro op de dag van de uitspraak van dit vonnis. De rechtbank acht de verdachte aansprakelijk voor de schade. Voor het overige zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren. Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen. De toepasselijke wettelijke bepalingen De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 24c, 36f, 47 en 287 van het Wetboek van Strafrecht. DE BESLISSINGEN: De rechtbank - verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het in de zaak met het parketnummer 03/703067-07 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij; - verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het in de zaak met het parketnummer 03/700020-08 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij; - verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het in de zaak met het parketnummer 03/703067-07 subsidiair ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan; - verklaart dat het bewezenverklaarde een strafbaar feit oplevert en dat de verdachte strafbaar is; - veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf van 8 jaren; - beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht; - gelast de teruggave aan de verdachte van de volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen: TGO0701 1 1.00 STK GSM Kl:grijs, SAGEM, inclusief oplader, TGO0701 2 1.00 STK Sleutelbos, sleutelbos met daarbij een fiatsleutel; - veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [Naam benadeelde partij] (nabestaande van het slachtoffer [Naam slachtoffer]), p/a [Adresgegevens benadeelde partij], te betalen een bedrag van EUR 6641,90, vermeerderd met de wettelijke rente van 7 januari 2007 tot aan de dag van volledige voldoening; - verklaart de benadeelde partij [Naam benadeelde partij] voor het overige in haar vordering niet-ontvankelijk; - bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededader is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen; - veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij [Naam benadeelde partij] (nabestaande) tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil; - legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de nabestaande van het slachtoffer [Naam slachtoffer] (overledene), benadeelde partij [Naam benadeelde partij], voornoemd bedrag te betalen en bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal vervangende hechtenis zal worden toegepast naar de maatstaf van één dag voor elke volle vijftig euro van het te betalen bedrag, met dien verstande dat toepassing van die hechtenis de betalingsverplichting niet opheft; - bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededader is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betelen; - bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [Naam benadeelde partij] vervalt en omgekeerd. Dit vonnis is aldus gewezen door mr. C.M.J. van den Acker, voorzitter, mr. E.W.A. van den Berg en mr. R.A.J. van Leeuwen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.P. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 september 2008.