Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF2448

Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-25
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/4722 WAO + 06/6875 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Terugvordering verleend voorschot. Geen rechtsmiddel aangewend tegen besluit tot intrekking verleend voorschot. Invordering. Aflossingscapaciteit.


Uitspraak

06/4722 WAO + 06/6875 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 juli 2006, 05/3972 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 17 september 2008 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 29 november 2006 heeft het Uwv een nader besluit op het bezwaar van appellant in het geding gebracht. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Y. Reichardt, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.F.G. Hermans. II. OVERWEGINGEN 1. Bij besluit van 5 juni 2001 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 15 november 1999 een voorschot op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) verstrekt, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Vervolgens heeft het Uwv bij afzonderlijke besluiten van 14 november 2002 aan appellant in aansluiting op het einde van de wachttijd met ingang van 15 november 1999 een WAO-uitkering geweigerd onderscheidenlijk het aan hem verstrekte voorschot met ingang van de datum waarop het is toegekend, ingetrokken. Tegen de besluiten van 14 november 2002 heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend. 06/4722 WAO 2. Bij besluit van 5 november 2004 heeft het Uwv – voor zover in het kader van deze procedure van belang – het aan appellant betaalde voorschot over de periode van 15 november 1999 tot 29 juni 2001 teruggevorderd. 3. Bij besluit van 3 mei 2005 (bestreden besluit I) heeft het Uwv het hiertegen gerichte bezwaar van appellant ongegrond verklaard. 4.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit deels vernietigd en beslissingen gegeven over het griffierecht en de proceskosten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant niet heeft kunnen aantonen dat tijdig bezwaar is gemaakt tegen de beslissing van 14 november 2002 waarbij het toegekende voorschot is ingetrokken. Naar het oordeel van de rechtbank is dit besluit onherroepelijk geworden. Daarmee staat, aldus de rechtbank, vast dat de uitkering onverschuldigd is betaald en dat het Uwv verplicht is de onverschuldigd betaalde uitkering van appellant terug te vorderen. Een inhoudelijke beoordeling van het besluit tot intrekking van het voorschot op basis van de kennelijke onjuistheid ervan, is naar het oordeel van de rechtbank langs deze weg niet meer mogelijk. Ten aanzien van appellants stelling dat het Uwv geen onderzoek heeft gedaan naar dringende redenen om af te zien van terugvordering, heeft de rechtbank overwogen dat in de beslissing op bezwaar is vermeld dat er geen dringende reden is om van terugvordering af te zien. Hieruit blijkt volgens de rechtbank dat het Uwv heeft beoordeeld of er dringende redenen aanwezig zijn. Gelet op hetgeen in bezwaar is aangevoerd bestond er naar het oordeel van de rechtbank voor het Uwv geen reden om in dit kader een uitgebreidere motivering te geven. De rechtbank heeft het bestreden besluit evenwel vernietigd voor zover het Uwv heeft nagelaten om een invorderingsbesluit te geven. De rechtbank heeft het Uwv opgedragen om met inachtneming van haar uitspraak een nieuw besluit te nemen. 5. In hoger beroep stelt appellant zich op het standpunt dat hij wel degelijk bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 14 november 2002 tot intrekking van het bij besluit van 5 juni 2001 verleende voorschot, maar dat zijn bezwaarschrift door het Uwv niet is ontvangen. Daarnaast is hij van mening dat het bestreden besluit is gebaseerd op onjuiste eerdere beslissingen, zodat er geen juridische basis aanwezig is voor de terugvordering van het voorschot. Ten slotte voert appellant aan dat hij als gevolg van de terugvordering nergens meer aanspraak op kan maken, hetgeen volgens hem impliceert dat hij het in die periode zonder inkomsten heeft moeten doen. 6. De Raad onderschrijft de strekking van het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak. Derhalve is de Raad van oordeel dat, nu de Raad het er voor moet houden dat tegen dat besluit geen rechtsmiddelen zijn aangewend, het besluit van 14 november 2002 tot intrekking van het bij besluit van 5 juni 2001 verleende voorschot, ook naar het oordeel van de Raad in rechte onaantastbaar is geworden. Anders dan appellant heeft betoogd, dient de Raad van de juistheid van dit besluit van 14 november 2002 uit te gaan. 7. Ten aanzien van de vraag of in het onderhavige geval een dringende reden is aan te wijzen in verband waarmee het Uwv van terugvordering van het WAO-voorschot had moeten afzien, merkt de Raad het volgende op. Ingevolge artikel 57, eerste lid, van de WAO wordt hetgeen onverschuldigd is betaald van de belanghebbende teruggevorderd. Het vierde lid van artikel 57 bepaalt dat indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn het Uwv kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Blijkens de wetsgeschiedenis kunnen dringende redenen zoals bedoeld in artikel 57 van de WAO slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de sociale of financiële gevolgen die voor betrokkene als gevolg van de terugvordering optreden. Er moet iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand zijn wil een afwijking van de hoofdregel gerechtvaardigd zijn. Naar het oordeel van de Raad kan uit hetgeen door appellant in dit verband naar voren is gebracht onvoldoende blijken dat de gevolgen van de terugvordering voor hem onaanvaardbaar zijn. 8. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt. 06/6875 WAO 9. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het Uwv bij besluit van 29 november 2006 (bestreden besluit II) appellants aflossingscapaciteit vastgesteld op € 272,39 per maand. Op basis daarvan heeft het Uwv besloten dat appellant € 250,- per maand dient terug te betalen, welk bedrag met ingang van januari 2007 op zijn uitkering wordt ingehouden. 10. De Raad zal dit besluit op de voet van de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het onderhavige geding beoordelen. 11. Ten aanzien van het besluit van 29 november 2006 heeft appellant aangevoerd dat het Uwv in strijd met het verbod van reformatio in peius bij het bestreden besluit II een berekening heeft gevoegd waaruit zou blijken dat appellant een aflossingscapaciteit heeft van € 544,- per maand, terwijl dit bij eerdere berekeningen van het Uwv € 272,- was. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij zich evenmin kan verenigen met een aflossingscapaciteit van € 272,-, nu het Uwv bij het vaststellen van de beslagvrije voet volgens hem is uitgegaan van een verkeerde berekening ten aanzien van zijn woonlasten en ten onrechte heeft nagelaten de reserveringstoeslag op de beslagvrije voet in mindering te brengen. In dat kader heeft appellants gemachtigde verwezen naar een ter zitting ingebracht gedeelte van het rapport “Berekening van het vrij te laten bedrag bij toepassing de wet schuldsanering natuurlijke personen” (het rapport). 12.1. Allereerst stelt de Raad ten aanzien van de bij het bestreden besluit II gevoegde berekening vast dat het Uwv ter zitting heeft verklaard dat de verkeerde berekening is meegestuurd en dat dient te worden uitgegaan van de in het bestreden besluit II zelf genoemde aflossingscapaciteit van € 272,39 per maand. Gelet hierop dient naar het oordeel van de Raad van het in het bestreden besluit II genoemde bedrag van € 272,39 per maand te worden uitgegaan. 12.2. De Raad is van oordeel dat het Uwv de aflossingscapaciteit van appellant op juiste wijze heeft vastgesteld en overweegt daartoe het volgende. Uit artikel 29g, achtste lid, van de WAO volgt dat de verzekerde, bij de vaststelling van de aflossingstermijnen, dient te blijven beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RV). Op basis van hetgeen appellant ten aanzien van zijn woonkosten heeft aangevoerd, is de Raad niet gebleken dat de beslagvrije voet niet in overeenstemming met het bepaalde in de artikelen 475c tot en met 475e, van het RV is berekend. Voor wat betreft hetgeen appellant terzake van de niet-wettelijke reserveringstoeslag van 5% naar voren heeft gebracht, merkt de Raad op dat op grond van artikel 8 van de Regeling betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde betalingen, de periodieke betaling of verrekening wordt gesteld op de volledige aflossingscapaciteit verminderd met 5% van de bijstandsnorm, indien de schuldenaar de vordering na vijf jaar niet volledig heeft voldaan met inachtneming van de conform de overige artikelen vastgestelde termijnen. Deze situatie doet zich in het onderhavige geval niet voor en er is ook anderszins geen grond om te oordelen dat het Uwv te dezen in strijd met haar rechtsplicht zou hebben gehandeld door de bij vaststelling van de betalingsverplichting de door appellant genoemde reserveringstoeslag niet in aanmerking te nemen, zodat de desbetreffende grief van appellant ook op dit punt niet slaagt. 12.3. Ten aanzien van het rapport merkt de Raad op dat dit betrekking heeft op de toepassing van regels die in acht worden genomen bij personen waarop de Wet schuldsanering natuurlijke personen ziet. Het Uwv heeft evenwel de in 12.2 vermelde regels in acht te nemen. Reeds hierom kan ook deze grief van appellant geen doel treffen. 13. Gelet op het voorgaande wordt het beroep voor zover dat gericht wordt geacht tegen het bestreden besluit II ongegrond verklaard. 14. De Raad acht in beide gedingen geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten; Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en H. Bedee als leden. De beslissing is in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 september 2008. (get.) T. Hoogenboom. (get.) I.R.A. van Raaij. TM