
Jurisprudentie
BF2443
Datum uitspraak2008-09-24
Datum gepubliceerd2008-09-25
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/5889 WAO + 07/3844 ZW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-25
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/5889 WAO + 07/3844 ZW
Statusgepubliceerd
Indicatie
Herziening WAO-uitkering. Alcoholafhankelijkheid. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Eerst in hoger beroep toereikende toelichting op geduide functies. Weigering ziekengeld. Geschiktheid voor één van de in kader WAO geduide functies.
Uitspraak
06/5889 WAO en 07/3844 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 27 september 2006, 06/2245 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en 6 juni 2007, 06/5011 (hierna: aangevallen uitspraak 2),
in de gedingen tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 24 september 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Mr. W.H. Benard, advocaat te Rotterdam, heeft een aanvullend beroepschrift in het geding 06/5889 WAO ingediend.
Het Uwv heeft in beide gedingen een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Benard. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden.
II. OVERWEGINGEN
06/5889 WAO
1.1. Appellant was werkzaam als schilder toen hij op 8 juli 1996 uitviel met oogklachten. Aansluitend aan de wachttijd is appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een herbeoordeling is appellant op het spreekuur van 28 juni 2005 door verzekeringsarts H. Schaap onderzocht. Deze heeft geconcludeerd dat appellant beperkt moet worden geacht ten aanzien van staan, zitten, veelvuldig in extreme houdingen werken, zwaar tillen, duwen, trekken en dragen. Met inachtneming van deze beperkingen heeft Schaap de functionele mogelijkheden van appellant vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 16 augustus 2005. Vervolgens heeft arbeidsdeskundige C.D. de Hoop op
14 december 2005 een rapport uitgebracht. Zoals in dit rapport is aangegeven is hij tot de conclusie gekomen dat appellant geschikt kan worden geacht voor functies die vanuit het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) zijn verkregen. Op basis van drie van deze functies heeft hij het verlies aan verdiencapaciteit van appellant berekend op 54,9%. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 15 december 2005 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 16 februari 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.
1.2. Bij besluit van 21 april 2006 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 december 2005 gegrond verklaard en de WAO-uitkering van appellant met ingang van 16 februari 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Hieraan ten grondslag ligt een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige J.W. van Zijl van 30 maart 2006. Hierin is aangegeven dat enkele primair geselecteerde functies voor appellant niet geschikt worden bevonden. Op basis van drie van de resterende functies, te weten productiemedewerker textiel, huishoudelijk medewerker en medewerker binderij heeft Van Zijl vervolgens het verlies aan verdiencapaciteit van appellant berekend op 57,1%.
2. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant – onder meer – aangevoerd dat sprake is van alcoholafhankelijkheid waardoor hij lichamelijke klachten heeft en dat zijn rugklachten zijn onderschat. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij informatie van de huisarts van 13 februari 2007 en van Parnassia Psycho-medisch centrum van 11 januari 2006 en 7 juni 2006, overgelegd.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Verzekeringsarts Schaap heeft appellant lichamelijk en psychisch onderzocht en vervolgens informatie bij de huisarts van appellant opgevraagd. Op basis van deze informatie – waaruit blijkt dat in juni 2005 door een KNO-arts geen afwijkingen zijn vastgesteld, dat de braakklachten, waarvoor appellant een oesophagoscopie heeft ondergaan, zijn afgenomen en dat appellant leverfunctiestoornissen heeft – is Schaap tot de conclusie gekomen dat geen aanleiding bestaat om de beperkingen zoals vastgesteld in de FML van 16 augustus 2005 te wijzigen. De bezwaarverzekeringsarts
J.H.M. de Brouwer heeft appellant gezien op de hoorzitting van 16 maart 2006 waarbij onder meer is gebleken van een opname in Parnassia Psycho-medisch centrum in november 2005. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts, zoals is aangegeven in de rapportage van 16 maart 2006, op basis van dossieronderzoek geconcludeerd dat van instabiliteit van de rug geen sprake is nu beeldvormend onderzoek niet meer dan lichte degeneratieve afwijkingen aan het licht heeft gebracht. Ten aanzien van het alcoholgebruik heeft De Brouwer gesteld dat geen sprake is van secundaire stoornissen waaruit beperkingen voortkomen nu appellant hierover nog een zodanige controle heeft dat zijn mogelijkheden om duurzaam arbeid te verrichten niet nadelig worden beïnvloed. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat geen aanleiding bestaat de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts voor onjuist te houden. Ten aanzien van de in hoger beroep overgelegde informatie van de huisarts en het Psycho-medisch centrum Parnassia is de Raad van oordeel dat deze onvoldoende aanknopingspunten biedt voor twijfel aan de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts nu uit deze informatie, mede gelet op de rapportage van bezwaarverzekeringsarts De Brouwer van 11 oktober 2007, niet blijkt van nieuwe medische feiten. In hetgeen voorts door appellant in hoger beroep zonder nadere medische onderbouwing is aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding voor een andersluidend oordeel.
4.2. Ten aanzien van de arbeidskundige onderbouwing overweegt de Raad het volgende.
4.3. In het licht van de uitspraken van de Raad van 12 oktober 2006 (LJN: AY9971 e.v.) en van 23 februari 2007 (LJN: AZ9153) heeft het Uwv desgevraagd rapportages overgelegd van bezwaararbeidsdeskundige Van Zijl van 15 april 2008 en van bezwaarverzekeringsarts De Brouwer van 18 april 2008. Naar het oordeel van de Raad hebben Van Zijl en De Brouwer in de bovenbedoelde rapportages toereikend gemotiveerd dat de voor de schatting gebruikte functies door appellant kunnen worden vervuld. Nu echter deze toelichting eerst in hoger beroep is gegeven bestaat er aanleiding bestreden besluit 1 en aangevallen uitspraak 1 te vernietigen, doch met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand te laten.
5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordeling in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. De vordering tot vergoeding van € 74,-- inzake de kosten voor het inwinnen van informatie bij de huisarts, dient te worden toegewezen.
07/3844 ZW
6. Op 2 augustus 2006 heeft appellant zich ziek gemeld met voornamelijk maagklachten. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellant op 20 september 2006 het spreekuur van verzekeringsarts M. Maarsen bezocht. Deze arts heeft appellant onderzocht waarna hij bij de huisarts nadere informatie heeft opgevraagd. Appellant heeft vervolgens op 9 november 2006 het spreekuur van verzekeringsarts A. de Cler bezocht die tot de conclusie is gekomen dat appellant geschikt is te achten voor de functies zoals deze appellant zijn voorgehouden in het kader van de eerdere WAO-beoordeling. Bij besluit van 9 november 2006 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij met ingang van 10 november 2006 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is, na een heroverweging door de bezwaarverzekeringsarts, bij besluit van 12 december 2006 (hierna: bestreden besluit 2) ongegrond verklaard.
7. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep – waarbij appellant onder meer heeft gesteld dat hij als gevolg van de alcoholabusus lichamelijke klachten heeft en dat sprake is van prostaatkanker – tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.
8. De Raad overweegt als volgt.
8.1. Verzekeringsarts De Cler heeft, op basis van de informatie van de huisarts en lichamelijk onderzoek waarbij geen duidelijke afwijkingen zijn gevonden, geconcludeerd dat bij appellant geen sprake is van een toename van de beperkingen ten opzichte van de laatste WAO-beoordeling. Bij deze beoordeling heeft De Cler ook de informatie met betrekking tot de bij appellant uitgevoerde hoortest van 7 november 2006 meegewogen. De bezwaarverzekeringsarts J.C. Weegink heeft op basis van dossieronderzoek – appellant heeft meegedeeld niet bij de hoorzitting van 12 december 2006 aanwezig te kunnen zijn en Weegink heeft hierin geen aanleiding gezien voor een nieuwe uitnodiging nu er geen nieuwe klachten in bezwaar zijn ingebracht – geconcludeerd dat bij appellant geen sprake is van extra beperkingen waardoor de geduide functies niet meer passend zouden zijn. Het is de Raad niet gebleken dat het medisch onderzoek door beide verzekeringsartsen, zoals hiervoor beschreven, onzorgvuldig tot stand is gekomen. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het alcoholgebruik van appellant blijkens de rapportages van de verzekeringsarts van 9 november 2006 en de bezwaarverzekeringsarts van 11 december 2006 bekend was en dat appellant ten aanzien van de prostaatklachten informatie van ruim na de datum hier in geding, 10 november 2006, heeft overgelegd. Daarbij tekent de Raad aan dat blijkens de rapportage van bezwaarverzekeringsarts Weegink van 18 april 2007, uit de overgelegde informatie niet valt af te leiden dat sprake is van prostaatkanker althans niet blijkt van symptomen die appellants functioneren doen verminderen. Appellant heeft in hoger beroep geen nadere medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat deze bevindingen niet juist zouden zijn. Hetgeen appellant overigens in hoger beroep heeft aangevoerd kan, naar het oordeel van de Raad, niet leiden tot een andersluidend oordeel.
8.2. Hetgeen onder 8.1 is overwogen leidt tot de conclusie dat het standpunt wordt onderschreven dat appellant op en na 10 november 2006 in staat moet worden geacht zijn arbeid – in de vorm van ten minste één van de aan appellant voorgehouden functies in het kader van de eerdere WAO-beoordeling – te verrichten. Het Uwv heeft dan ook terecht appellant met ingang van 10 november 2006 ziekengeld geweigerd, zodat aangevallen uitspraak 2 voor bevestiging in aanmerking komt.
9. De Raad acht in dit geding geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt aangevallen uitspraak 1;
Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 718,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 143,-- vergoedt;
Bevestigt aangevallen uitspraak 2.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 september 2008.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) W.R. de Vries.
TM