Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF2442

Datum uitspraak2008-09-10
Datum gepubliceerd2008-10-14
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers105.012.181/01
Statusgepubliceerd


Indicatie

Kinderalimentatie. Het is aan de alimentatieplichtige om de behoeftige tijdig en gedocumenteerd te informeren omtrent zijn financiële positie, met name omtrent afnemende draagkracht of betalingsonmacht.


Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Familiesector Uitspraak : 10 september 2008 Zaaknummer : 105.012.181/01 Rekestnummer : 1617-H-07 Rekestnr. rechtbank : FA RK 06-7393 [de man], wonende te [adres], verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. F.B. Kloppenburg, tegen [de vrouw], wonende te [adres], verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. J.A. Korver, alsmede de drie meerderjarigen kinderen van partijen: 1. de meerderjarige], wonende te [adres], doch feitelijk verblijvende te [adres] 2. [de meerderjarige], wonende te [adres]; 3. [de meerderjarige], wonende te [adres], hierna te noemen: de kinderen. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De man is op 14 november 2007 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 14 augustus 2007. De vrouw en de kinderen hebben op 28 december 2007 een verweerschrift ingediend. Van de zijde van de man zijn bij het hof op 22 november 2007 en 16 april 2008 aanvullende stukken ingekomen. Van de zijde van de vrouw en de kinderen zijn bij het hof op 13 mei 2008 aanvullende stukken ingekomen. Op 30 mei 2008 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat, en de vrouw en de kinderen, bijgestaan door hun advocaat. [de meerderjarige] is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De aanwezigen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de vrouw en de kinderen onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities. HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking zijn de verzoeken van de man - strekkende tot wijziging van de beschikking van 1 juli 1994 - inhoudende dat de door hem te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 juli 1994 op nihil wordt gesteld, althans met zodanige datum als de rechtbank juist acht, en voorts hem de nog resterende alimentatieachterstand kwijt te schelden, en subsidiair voor recht te verklaren dat de alimentatieverplichting voor de periode na 1 juli 1994 is verjaard en hem de nog resterende alimentatieachterstand kwijt te schelden, afgewezen. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP 1. In geschil is de afwijzing van het verzoek van de man om de onderhoudsbijdrage met ingang van 1 juli 1994 op nihil te stellen. 2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, opnieuw beschikkende te bepalen dat de kinderalimentatie met terugwerkende kracht vanaf (het hof leest: met ingang van) 1 juli 1994 op nihil wordt gesteld. 3. De vrouw en de kinderen bestrijden zijn beroep en verzoeken de man niet ontvankelijk te verklaren, dan wel hem dit verzoek te ontzeggen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. 4. De man stelt in zijn grief dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek om de onderhoudsbijdrage met ingang van 1 juli 1994 op nihil te stellen, heeft afgewezen. De vrouw en de kinderen hebben het beroep gemotiveerd betwist. 5. Het hof stelt voorop dat als uitgangspunt dient te gelden dat van de bevoegdheid tot wijziging met terugwerkende kracht van kinderalimentatie, respectievelijk de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie, gelet op het consumptieve karakter daarvan, behoedzaam gebruik gemaakt zal worden. Als echter omstandigheden worden gesteld en bij betwisting daarvan aannemelijk worden gemaakt, die een uitzondering op dat uitgangspunt rechtvaardigen, kan een verzoek strekkende tot wijziging van de onderhoudsbijdrage met terugwerkende kracht worden toegewezen, mits ook aan de overige daarvoor geldende voorwaarden is voldaan. 6. De man voert ter toelichting op zijn hoger beroep aan dat de rechtbank heeft vastgesteld dat de man zijn stelling dat hij vanwege grote problemen niet in staat is geweest tijdig een verzoek tot nihil stelling in te dienen, niet nader met verificatoire bescheiden heeft onderbouwd. De rechtbank is tevens van oordeel dat de man de vrouw had moeten informeren over het ontbreken van draagkracht. De man meent dat het in deze periode echter voor de vrouw duidelijk moet zijn geweest dat hij niet in staat was om meer bij te dragen dan hij toen in contanten en later door middel van inhoudingen op zijn uitkering feitelijk heeft gedaan. Volgens de man was het betalen van de onderhoudsbijdrage met ingang van 1 juli 1994 in strijd met zijn toenmalige draagkracht. Hij ontving met ingang van deze datum tot aan 22 mei 2006 een bijstandsuitkering, en heeft bijna twaalf jaar lang met 90 % van de bijstandsnorm moeten rondkomen, omdat er beslag was gelegd op zijn bijstandsuitkering. De man had in de periode, waarin hij bijstand ontving, zelf niet de verwachting om daaruit te komen. Ter zitting heeft de man verklaard dat zijn inkomen thans iets boven bijstandsniveau ligt. Hij is bereid om de komende jaren, in redelijkheid en naar draagkracht, een klein bedrag per maand te betalen. De behoefte aan een bijdrage van ieder van de kinderen staat als niet bestreden vast. 7. Het hof is van oordeel dat de man, gelet op de overgelegde stukken en het besprokene ter terechtzitting, niet, althans onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn - door de vrouw en de kinderen gemotiveerd bestreden - omstandigheden een uitzondering rechtvaardigen, welke een wijziging van de onderhoudsbijdrage met terugwerkende kracht met zich brengt. 8. Het hof overweegt hieromtrent voorts dat de rechtbank in de bestreden beschikking heeft overwogen dat de man de door hem aangevoerde argumenten niet nader met verificatoire bescheiden heeft onderbouwd. Ook in hoger beroep heeft de man nagelaten bewijsstukken over te leggen van zijn stelling dat hij vanwege grote problemen niet in staat is geweest tijdig een verzoek tot nihilstelling in te dienen. De man stelt dat hij in de periode dat hij bijstand ontving, zijn uiterste best heeft gedaan om werk te vinden, en dat hij zich gedurende de bijstandsperiode voortdurend heeft bijgeschoold, om zijn kansen op werk te vergroten. Verder stelt hij dat hij een zware periode achter de rug heeft, doordat zijn gezondheid een tijd lang kritiek is geweest. De man heeft echter geen stukken overgelegd omtrent zijn beweerde pogingen om werk te vinden noch van zijn gezondheidstoestand. De door hemzelf opgestelde toelichting met betrekking tot zijn persoonlijke situatie acht het hof onvoldoende. De vrouw heeft in dit kader erop gewezen dat, indien de man destijds een procedure tot nihilstelling had gevoerd zij zich op dat moment op het standpunt zou hebben gesteld dat de man wel degelijk verdiencapaciteit had. Het hof neemt verder in aanmerking de onweersproken verklaring van de moeder en de kinderen dat zij zich in de schulden hebben moeten steken, omdat de man de onderhoudsverplichting niet, althans niet volledig is nagekomen. 9. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat, indien het de man aan draagkracht heeft ontbroken, het op zijn weg had gelegen de vrouw hierover tijdig te informeren. De vrouw zou aldus in de gelegenheid zijn geweest zo mogelijk de uitgaven van de kinderen hierop aan te passen. De man ontving met ingang van 1 juli 1994 tot en met 21 mei 2006 een bijstandsuitkering. Aan de hand van de door de man overgelegde stukken is het het hof evenwel niet, althans onvoldoende duidelijk geworden wat zijn financiële positie in 1994 was. Evenmin heeft de man ter zitting zijn financiële positie verduidelijkt. Het hof is van oordeel dat dit voor risico van de man dient te blijven en niet ten nadele dient te strekken van de vrouw en de kinderen. De man heeft in dit kader alleen op zijn bijstandsuitkering gewezen, terwijl hij ter zitting heeft erkend al meer dan 20 jaar in een band te spelen, en daarnaast is genoegzaam gebleken dat hij ook werkzaamheden verricht voor een reclamebureau. Aannemelijk is dat de man uit beide activiteiten neveninkomsten ontvangt. Dat de band slechts € 180,- per optreden zou ontvangen, zoals de man ter zitting niet nader onderbouwd heeft verklaard, acht het hof niet, althans onvoldoende aannemelijk. 10. Het verzoek van de man om de onderhoudsbijdrage met ingang van 1 juli 1994 op nihil te stellen, is derhalve naar het oordeel van het hof terecht door de rechtbank afgewezen. Ook het hof ziet in de door de man aangevoerde stellingen geen aanknopingspunt om de verzochte nihil- stelling met ingang van een ander moment toe te wijzen. Nu de man ook in hoger beroep niet met stukken heeft aangetoond welke de bijzondere omstandigheden zijn waardoor hij niet eerder een verzoekschrift tot nihilstelling van de onderhoudsbijdrage heeft kunnen indienen, dient de bestreden beschikking te worden bekrachtigd. BESLISSING Het hof: bekrachtigt de bestreden beschikking. Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, Stille en Breederveld, bijgestaan door Lekahena als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 september 2008.