
Jurisprudentie
BF2285
Datum uitspraak2008-09-09
Datum gepubliceerd2008-09-25
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/3445 WWB
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-25
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/3445 WWB
Statusgepubliceerd
Indicatie
Weigering bijstandsuitkering naar norm voor alleenstaande ouder. Gezamenlijke huishouding? Hoofdverblijf. Wederzijdse verzorging.
Uitspraak
07/3445 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 24 mei 2007, 06/2166 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Echt (hierna: College).
Datum uitspraak: 9 september 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. D. Grégoire, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 29 juli 2008, waar partijen - met bericht van verhindering - niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante heeft op 24 februari 2006 een aanvraag ingediend om bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) met ingang van 15 maart 2006. Zij heeft aan het College [adres] te [woonplaats] als woonadres opgegeven. Op het aanvraagformulier heeft appellante aangegeven dat zij met haar drie kinderen met ingang van 15 maart 2006 als kostganger op dat adres gaat inwonen bij de heer [V.] (hierna: [V.]).
1.2. Naar aanleiding van de aanvraag heeft het College een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellante. In dat kader is op 29 maart 2006 een huisbezoek gebracht aan de woning op het door appellante opgegeven adres en heeft op 21 april 2006 een gesprek met appellante plaatsgevonden. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 18 april 2004 en een rapportage die weliswaar op 29 maart 2006 is gedateerd, maar gelet op de inhoud ervan op of kort na 21 april 2006 is opgemaakt. Vervolgens heeft het College bij besluit van 28 april 2006 de aanvraag van appellante afgewezen, voor zover van belang, op de grond dat appellante een gezamenlijke huishouding voert met [V.].
1.3. Bij besluit van 5 december 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 28 april 2006 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Tevens heeft zij verzocht het College te veroordelen tot schadevergoeding.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De Raad stelt voorop dat hier ter beoordeling voorligt de periode vanaf de datum met ingang waarvan bijstand is gevraagd (15 maart 2006) tot en met de datum van het primaire besluit (28 april 2006).
4.2. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
4.3. Vaststaat dat appellante en [V.] gedurende de hier te beoordelen periode beiden hun hoofdverblijf hadden op het adres [adres] te [woonplaats], zodat aan het eerste criterium is voldaan.
4.4. Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van wederzijdse verzorging. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige financiële verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal dan ook bepalend zijn voor antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan.
4.5. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de gedingstukken voldoende grondslag bieden voor het standpunt van het College dat gedurende de hier te beoordelen periode ook aan het criterium van de wederzijdse zorg was voldaan. Uit de bevindingen van het huisbezoek en hetgeen appellante op 21 april 2006 heeft verklaard blijkt dat appellante en [V.] samen gebruik maken van alle vertrekken in de woning, dat geen van beiden over een eigen kamer beschikt, dat in de woning de persoonlijke bezittingen van appellante en [V.] door elkaar heen staan en de door appellante en [V.] ingebrachte duurzame gebruiksgoederen door beiden worden gebruikt. Appellante heeft voorts verklaard dat [V.] haar, omdat zij ziek is en rust moet houden, helpt met de verzorging van haar kinderen en, indien dat nodig is, de kinderen met zijn auto naar het ziekenhuis brengt. Verder blijkt uit de gedingstukken dat [V.] appellante en haar kinderen tegenover een buurman als zijn vrouw en zijn kinderen heeft voorgesteld.
4.6. Naar het oordeel van de Raad is niet aangetoond dat sprake is van een door zakelijke verhoudingen beheerste kostgangersrelatie. De hiervoor onder 4.5 vermelde feiten en omstandigheid duiden op een, in een zakelijke relatie ongebruikelijke verbondenheid en op een mate van verantwoordelijkheid voor elkaar die de grenzen van een zakelijke relatie overschrijden. Daarop wijst ook de omstandigheid dat appellante en [V.] weliswaar ten aanzien van het gebruik van de woning aan de [adres] een huurovereenkomst hebben gesloten, maar dat appellante heeft verklaard dat zij pas huur hoeft te betalen aan [V.] als zij een uitkering heeft.
4.7. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat appellante en [V.] gedurende de hier te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Appellante was derhalve geen zelfstandig subject van bijstand en had derhalve geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Het College heeft derhalve bij het besluit van 5 december 2006 de afwijzing van de aanvraag van appellante om bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder terecht gehandhaafd.
4.8. De Raad komt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd en dat het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding dient te worden afgewezen.
4.9. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 september 2008.
(get.) J.J.A. Kooijman.
(get.) C. de Blaeij.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoger Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.
OA