
Jurisprudentie
BF2264
Datum uitspraak2008-09-24
Datum gepubliceerd2008-09-25
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/7013 ZW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-25
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/7013 ZW
Statusgepubliceerd
Indicatie
Geen recht meer op ziekengeld, omdat betrokkene niet langer ongeschikt werd geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Voldoende medische onderbouwing.
Uitspraak
06/7013 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 19 oktober 2006, 06/2938 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 24 september 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. C.A.J.M. Snijders, advocaat te Boxtel, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2008.
Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.M.W. van der Helm.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant in april 2001 na een verkeersongeval, waarbij hij een kaakfractuur en letsel aan het gebit opliep, arbeidsongeschikt is geworden, maar dat aan hem per 20 mei 2002 in aansluiting op de wachttijd van 52 weken geen uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is toegekend, omdat hij niet arbeidsongeschikt werd geacht in de zin van deze wet. Een ziekmelding in juli 2003 in verband met stressklachten en nadien klachten van de luchtwegen heeft evenmin geleid tot toekenning van een WAO-uitkering.
1.2. Appellant is met ingang van 21 maart 2005, na een periode van werkloosheid, via een uitzendbureau als orderpicker gaan werken bij het Kruidvat. Hij heeft zich per 23 mei 2005 ziek gemeld nadat hij thuis van een trapje was gevallen.
2. Bij besluit van 10 maart 2006 is aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 6 maart 2006 geen recht meer had op ziekengeld, omdat hij niet langer ongeschikt werd geacht tot het verrichten van zijn arbeid.
3. Bij besluit van 22 mei 2006 (het bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 maart 2006 ongegrond verklaard.
4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij - onder meer - overwogen dat de uitgebrachte verzekeringsgeneeskundige adviezen voldoende zijn gemotiveerd en voldoende zorgvuldig tot stand zijn gekomen. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar de uit de Medische Kaart blijkende onderzoeksbevindingen van de betrokken verzekeringsartsen A.J. Kruiswijk en P.J. Blok, bij wie appellant achtereenvolgens op het spreekuur is geweest. Zoals de rechtbank heeft overwogen, heeft laatstgenoemde verzekeringsarts, na de uitslag van een neurologisch onderzoek te hebben afgewacht, waaruit blijkens telefonische informatie van appellant geen afwijkingen naar voren waren gekomen, appellant per 6 maart 2006 weer arbeidsgeschikt geacht. De rechtbank heeft verder gewezen op het door bezwaarverzekeringsarts P. Bavelaar uitgebrachte rapport van 17 mei 2006, waarin deze arts na kennisneming van de medische gegevens, waaronder die uit 2001, concludeerde dat appellants klachten niet objectiveerbaar waren. De zich onder de gedingstukken bevindende brief van 5 augustus 2005 van een chiropractor heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel geleid, nu deze geen betrekking heeft op de datum in geding. Ook de door appellant in beroep ingebrachte brieven van diens huisarts achtte de rechtbank onvoldoende om tot een ander oordeel te komen, nu daaruit niet blijkt dat de door deze arts vermelde gemaskeerde depressie ook reeds bestond op 6 maart 2006. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat appellant zelf in diverse persoonlijke en telefonische gesprekken met de (bezwaar)verzekeringsarts en in zijn bezwaarschrift nimmer over psychische klachten heeft gerept.
5.1. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt voor de Raad geen reden voor een ander oordeel.
5.2. De visie van de huisarts, zoals verwoord in diens brieven van 9 juli 2006 en 7 september 2006, en hetgeen appellant daaromtrent in hoger beroep heeft aangevoerd is naar het oordeel van de Raad afdoende weersproken met het door bezwaarverzekeringsarts Bavelaar en H.J.M. Stammers geleverde commentaar.
5.3. De stelling van appellants gemachtigde dat het incident op 23 mei 2005 niet op zichzelf staat maar in feite een mislukte zelfmoordpoging was, heeft de Raad er niet van kunnen overtuigen dat de betrokken verzekeringsartsen appellants gezondheidstoestand ten tijde in geding onjuist hebben beoordeeld. De Raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat dit standpunt in een zeer laat stadium naar voren is gebracht, en niet verder met medische gegevens is onderbouwd, terwijl op de Medische Kaart, waar uitvoerig melding wordt gemaakt van de bevindingen van de verzekeringsartsen, geen enkele aanwijzing is te vinden dat appellant destijds ernstige psychische klachten heeft geuit.
De bezwaarverzekeringsarts Stammers heeft in dit verband in zijn rapport van 17 januari 2007 naar het oordeel van de Raad terecht opgemerkt dat een ernstige depressie zich toch moeilijk verhoudt met de door appellant in juni 2005 tegenover een re-integratiebegeleider geuite wens om een week op vakantie naar familie in Marokko te willen gaan. De Raad ziet in de gegevens van de huisarts dan ook onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat appellant ten tijde in geding reeds leed aan een ernstige depressie, die hem zou hebben verhinderd zijn werk als orderpicker te verrichten.
5.4. Uit de beschikbare gegevens blijkt verder ook niet dat het hier ging om voor appellant in fysiek opzicht te belastend werk. Blijkens een notitie op de Medische Kaart zou appellant op het spreekuur van 1 juli 2005 hebben verklaard dat het werk sinds 21 maart 2005 wel goed was gegaan.
5.5. De stelling van appellants gemachtigde dat de verzekeringsartsen onzorgvuldig hebben gehandeld door geen inlichtingen in te winnen bij de huisarts kan de Raad niet onderschrijven. In dit verband acht de Raad van belang dat de betrokken verzekeringsarts de uitslag van vorenbedoeld neurologisch onderzoek heeft afgewacht alvorens appellant hersteld te verklaren voor zijn arbeid.
5.6. De Raad heeft gelet op hetgeen hiervoor onder 5.1 tot en met 5.5 is overwogen geen aanleiding gezien voor een nader medisch onderzoek.
5.7. Gelet op hetgeen is overwogen onder 5.1 tot en met 5.6 moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.
6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 september 2008.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) W.R. de Vries.
RB