
Jurisprudentie
BF2259
Datum uitspraak2008-05-28
Datum gepubliceerd2008-11-11
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummers722162 \ CV EXPL 08-113
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-11-11
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummers722162 \ CV EXPL 08-113
Statusgepubliceerd
Indicatie
Ontslag zonder opzegtermijn weliswaar terecht gegeven, maar (alleen) in zijn directe financiële gevolgen toch kennelijk onredelijk tegenover werknemer.
Uitspraak
ARECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector kanton - locatie Leiden
rl
rolnr. 722162 CV EXPL 08-113
datum: 28 mei 2008
Vonnis in de zaak van [werknemer],
wonende te [woonplaats],
eisende partij,
gemachtigde: [A],
tegen
de besloten vennootschap [werkgever] B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te [P],
gedaagde partij,
gemachtigde: [B].
Partijen worden aangeduid als "[werknemer]" en "[werkgever]".
Procedure
De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:
- de dagvaarding van 21 december 2007 met producties,
- de conclusie van antwoord met producties,
- de pleitnotitie van de gemachtigde van [werknemer].
Op 10 april 2008 is een comparitie gehouden, waarbij beide partijen en hun gemachtigden zijn verschenen en zij hun standpunten uitvoerig hebben toegelicht. Van het verhandelde is aantekening gehouden door de griffier.
Feiten
Op grond van de onweersproken inhoud van de stukken gaat de kantonrechter van het volgende uit.
Op 24 oktober 1994 is [werknemer] in dienst getreden van [werkgever] als productiemedewerker. [Werkgever] is een groenten- en fruitverwerkend bedrijf dat sedert 1994 een sterke groei heeft doorgemaakt (van ca. 30 tot 500 werknemers). Laatstelijk was hij werkzaam als operator (leidinggevende van een productieploeg) tegen een basissalaris van € 2.020,64 bruto per maand, vermeerderd met € 444,54 ploegentoeslag, met € 530,08 persoonlijke toeslag en 8% vakantietoeslag. De laatste 9 jaren zijn er geen aanmerkingen geweest op [werknemer].
[Werknemer] en zijn echtgenote hebben twee thuiswonende, jongvolwassen kinderen met een aangeboren, progressieve spierziekte. Beiden zijn volledig verlamd en verplaatsen zich met een elektrisch aangedreven rolstoel. In huis zijn allerlei voorzieningen aangebracht.
In 2003 heeft [werknemer] gedurende 11/2 maand volledig doorbetaald zorgverlof genoten ten behoeve van de verzorging van de kinderen. Bovendien hield [werkgever] bij de indeling van [werknemer] in ploegen rekening met de tijdstippen waarop hij thuis niet kon worden gemist.
In juni 2007 onderging de echtgenote van [werknemer] een (niet-urgente c.q. cosmetische) operatie. [Werknemer] was arbeidsongeschikt thuis vanwege een nekhernia maar zou op 25 juni 2007 weer moeten hervatten in toezichthoudende, fysiek niet belastende werkzaamheden. In een gesprek van 21 juni 2007 over deze werkhervatting heeft [werknemer] aan de personeelsfunctionaris van [werkgever], de heer [X] (die [werkgever] ook heeft vertegenwoordigd ter zitting) zorgverlof gevraagd omdat zijn echtgenote tijdelijk niet voor de kinderen kon zorgen. [X] heeft dit verzoek om diverse redenen niet ingewilligd en daarbij besproken of dit wel de goede oplossing was, onder meer omdat [werknemer] in de voorafgaande periode ziek thuis was geweest met een nekhernia, zodat zwaar tillen zijn arbeidsgeschiktheid mogelijk zou kunnen schaden. [X] heeft zich daarbij onder meer hardop afgevraagd of de kinderen niet beter tijdelijk naar een gespecialiseerde instelling zouden kunnen gaan.
[Werknemer] heeft die opmerking opgevat als uiterst kwetsend; hij "laat zijn kinderen niet in een asiel stoppen".
Op 25 juni 2007 is [werknemer] op arbeidstherapeutische basis gaan werken. In de loop van de ochtend eiste hij op de afdeling P&O inzage in zijn personeelsdossier en toen hem dit niet direct werd gegeven (naar [werkgever] stelt omdat het eerst nagezien moest worden op vertrouwelijke informatie over andere personeelsleden) is [werknemer] in woede ontstoken. In een zeer emotionele reactie heeft hij onder meer en bij herhaling gedreigd [X] "een dwarslaesie te schoppen" zodat hij zelf kon ervaren wat het was om in een rolstoel te zitten en dat hij "hem met de vrienden van de motorclub kapot gaat maken" of woorden van die strekking. Daarbij stond hij in dreigende houding zeer dichtbij [X].
[Werknemer] is naar huis gestuurd en in de loop van de zelfde middag is hem door de advocaat van [werkgever] telefonisch ontslag op staande voet aangezegd op grond van de geuite bedreigingen tegen [X]. Deze heeft daarvan aangifte heeft gedaan bij de politie.
Direct na het telefoongesprek met de advocaat is [werknemer] op hoge poten naar het bedrijf van [werkgever] teruggegaan, waar hij woedend heeft gezwaaid en gedreigd met een honkbalknuppel. De politie heeft hem met vijf man overmeesterd en afgevoerd. Bij vonnis van 18 september 2007 heeft de Politierechter in deze rechtbank [werknemer] wegens bedreiging met zware mishandeling en wederspannigheid veroordeeld.
Op de eindafrekening per 25 juni 2007 heeft [werkgever] één bruto maandsalaris ingehouden als gefixeerde schadevergoeding.
[Werknemer] is kort na het ontslag elders aan de slag gekomen als grondwerker tegen een salaris van ongeveer € 1.900,00 bruto, zonder toeslagen als bij [werkgever].
Vordering
[Werknemer] vordert een verklaring voor recht, dat het ontslag onregelmatig en/of kennelijk onredelijk is, alsmede veroordeling van [werkgever] tot betaling van € 12.939,52 als schadevergoeding, en/of een bedrag van € 77.637,14 of een lagere, naar billijkheid vast te stellen bedrag als schadevergoeding wegens de kennelijke onredelijkheid van het ontslag, alles met rente en kosten.
Verweer
[Werkgever] is van oordeel dat de medegedeelde reden voor het ontslag een dringende reden in de zin der wet vormt en dat dit ontslag ook in zijn gevolgen niet kennelijk onredelijk is.
Beoordeling
Er kan weinig twijfel over bestaan dat de bedreiging om de P&O manager van de werkgever "een dwarslaesie te schoppen" of samen "met motorvrienden kapot te maken" een dringende reden oplevert voor ontslag op staande voet. In dit geval had de relatief kleine en tengere [X] reden temeer om dat dreigement uiterst serieus te nemen, omdat [werknemer] met zijn zeer autoritaire toon, gedrag en lichaamshouding, zijn zware stem, zijn aanzienlijke lengte, forse lichaamsbouw en kaalgeschoren hoofd over de juiste eigenschappen beschikt om die dreiging grote overtuigingskracht te verlenen.
De kernvraag die daarom in dit geding moet worden beantwoord is of de uitzonderlijke omstandigheid dat [werknemer], naar [werkgever] zeer goed wist, twee kinderen heeft die lijden aan een ernstige, progressieve spierziekte en die daardoor vrijwel volledig verlamd zijn, met alle grote zorgen en fysieke en geestelijke belasting voor de ouders die daaraan inherent zijn [werkgever] er toch van had moeten weerhouden [werknemer] te ontslaan, dan wel [werkgever] had moeten doen besluiten hem een financiële tegemoetkoming in de gevolgen van het ontslag te geven. Andere omstandigheden zoals de aard van de functie, de duur van het dienstverband (13 jaar) en de staat van dienst wegen daarbij mee.
Naar het oordeel van de kantonrechter was het volstrekt onaanvaardbaar voor [werkgever] dat [werknemer] een lid van de bedrijfsleiding op deze toon intimideerde; haar gezag als werkgeefster stond daarmee direct op het spel. De omstandigheid dat [werknemer] leidinggevende was van een ploeg productiemedewerkers en dat de bedreigingen geuit werden ten overstaan van een groot aantal andere werknemers van [werkgever], maken dit nog ernstiger. Als [werkgever] voor de dreiging zou zijn gezwicht, zou haar gezag ernstig zijn ondermijnd. Het zou immers de indruk kunnen wekken alsof [werknemer] feitelijk de dienst uitmaakt in de onderneming, of dat je wel je zin krijgt als je maar een grote mond durft te geven. Daarom is de kantonrechter, die de gevolgen van de betreffende spierziekte uit zijn omgeving kent en mede daardoor doordrongen is van de ernst van de situatie in het gezin [van werknemer], van oordeel dat [werkgever] niettemin geen andere weg openstond dan [werknemer] geen moment langer toe te laten tot haar bedrijf. De lange en goede staat van dienst kunnen daar niet genoeg tegenoverstellen. [Werknemer] ziet dat zelf ook wel in; ondanks dat hij zich nog steeds met het bedrijf verknocht voelt, heeft hij berust in het ontslag als zodanig. De conclusie kan geen andere zijn dan dat [werknemer] aan [werkgever] een dringende reden heeft gegeven voor ontslag op staande voet, en daardoor in beginsel ook schadeplichtig is geworden jegens [werkgever].
Hoewel dit laatste [werkgever] een wettelijk gefixeerde en ineens opeisbare schadevergoedingsvordering op [werknemer] gaf, heeft [werkgever] een grens van moraal en fatsoen overschreden door van deze wettelijke bevoegdheid terstond gebruik te maken door op 25 juni 2007 een maandloon als schadevergoeding van de eindafrekening af te trekken, waardoor [werknemer] over juni 2007 feitelijk geen loon ontving. Hiermee maakte zij het reeds zwaar getroffen gezin, waarvan zij de problematiek kende, zonder noodzaak op slag brodeloos op een moment dat er geen praktische mogelijkheid meer bestond om daarvoor een (tijdelijke) oplossing te vinden, zoals misschien nog wel het geval zou zijn geweest indien het ontslag kort na een periodieke loonbetaling was gevallen en [werknemer] daardoor (in theorie) de mogelijkheid had gehad om binnen enkele dagen elders te gaan werken. Hoewel de gezinsproblemen in beginsel naar hun aard buiten de arbeidsverhouding staan, brengt de wetenschap die [werkgever] daarvan en van [werknemer]s karakter en frustraties had, de lange duur van het dienstverband, de wijze waarop steeds met de gezinsproblemen rekening is gehouden, zoals bij de indeling in ploegen en het toestaan van zorgverlof, en de grote betrokkenheid van [werknemer] bij het bedrijf mee, dat [werkgever] niet onmiddellijk gebruik had mogen maken van de haar volgens de wet wel toekomende verrekeningsbevoegdheid. Zij had haar vordering ook op andere wijze geldend kunnen maken, bijvoorbeeld door verrekening met uitsluitend vakantiedagen, een voorstel tot aflossing in termijnen, of door onder voorbehoud van alle rechten de vordering even te laten rusten in afwachting van de vraag of [werknemer] van verdere stappen zou afzien.
In de zeer uitzonderlijke omstandigheden van het onderhavige geval moet daarom worden geoordeeld dat het ontslag zonder opzegtermijn weliswaar terecht is gegeven, maar (alleen) in zijn directe financiële gevolgen toch kennelijk onredelijk was tegenover [werknemer]. De kantonrechter stelt de schadevergoeding wegens deze kennelijke onredelijkheid - die geen enkel verband houdt met de kantonrechtersformule waarbij [werknemer] heeft aangeknoopt - naar maatstaven van billijkheid op het drievoudige van het maandloon, afgerond € 9.000,00 bruto.
De vordering wordt voor het overige afgewezen met veroordeling van [werknemer] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten.
Beslissing
De kantonrechter:
- veroordeelt [werkgever] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [werknemer] te betalen € 9.000,00 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 december 2007 tot aan de dag der algehele voldoening;
- veroordeelt [werknemer] in de proceskosten, tot op deze uitspraak aan de zijde van [werkgever] begroot op € 800,00 voor gemachtigdensalaris, onverminderd de eventueel over deze kosten verschuldigde BTW.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. R.T. van Leeuwen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2008.