Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF2257

Datum uitspraak2008-09-22
Datum gepubliceerd2008-09-25
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Utrecht
ZaaknummersSBR 07/2588 BESLU
Statusgepubliceerd
SectorPresident


Indicatie

Het bestreden besluit tot toekenning van maanden bestuursbeurs aan eiseres door verweerder is genomen op grond van regels (neergelegd in de Regeling), die zijn vastgesteld krachtens artikel 7.51, vijfde lid (laatste volzin), van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW). Nu beslissingen die zijn genomen bij of krachtens titel 3 van hoofdstuk 7 van de WHW bij uitsluiting dienen te worden voorgelegd aan het cbho, is dit college derhalve ook bij uitsluiting bevoegd om te oordelen over het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit. De rechtbank verklaart zichzelf onbevoegd.


Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT Sector bestuursrecht zaaknummer: SBR 07/2588 BESLU uitspraak van de meervoudige kamer van 22 september 2008 in het geding tussen de vereniging "[eiseres]", eiseres, en het college van bestuur van [de instelling], verweerder. Inleiding 1.1 Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 7 augustus 2007 (hierna: het bestreden besluit), waarbij verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 14 maart 2007 gegrond heeft verklaard. 1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 8 mei 2008, waar eiseres is vertegenwoordigd door [], leden van [eiseres]. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door [], beide werkzaam bij [de instelling]. 1.3 Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek onder toepassing van artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heropend en het beroep verwezen naar de meervoudige kamer. 1.4 Nadat partijen daarvoor toestemming hadden gegeven bij brieven van 15 juli 2008 en 28 augustus 2008, heeft de rechtbank onder toepassing van artikel 8:57 van de Awb bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 18 september 2008 opnieuw gesloten en zij heeft daarbij bepaald dat binnen zes weken uitspraak zal worden gedaan. Overwegingen 2.1 Bij brief van 14 maart 2007 hebben verweerder en het college van bestuur van de [instelling II] aan eiseres drieënveertig maanden bestuursbeurs toegekend voor elk van de studiejaren 2007-2008, 2008-2009 en 2009-2010. Daarbij is bepaald dat negen maanden bestuursbeurs dienen te worden toegekend aan bestuursleden die studeren aan [de instelling] en vierendertig maanden bestuursbeurs dienen te worden toegekend aan bestuursleden die studeren aan [de instelling II]. 2.2 Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de brief van 14 maart 2007 gegrond verklaard in die zin dat eiseres voor het studiejaar 2007-2008 alsnog in aanmerking is gebracht voor vierenvijftig maanden bestuursbeurs. 2.3 De rechtbank dient (ambtshalve) te beoordelen of zij bevoegd is van het beroep van eiseres kennis te nemen. 2.4 Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat hij de besluitvorming over de toekenning van bestuursbeurzen aan studenten heeft opgesplitst in twee afzonderlijke beslismomenten. Eerst dient een studentenorganisatie zich te wenden tot verweerder met het verzoek om toekenning van een (totaal) aantal maanden bestuursbeurs ten behoeve van haar leden. Deze leden dienen zich vervolgens ieder afzonderlijk tot verweerder of het college van bestuur van de [instelling II] te wenden met het verzoek om toekenning van een gedeelte van de eerder aan hun studentenorganisatie toegekende maanden bestuursbeurs. Volgens verweerder staat tegen een besluit tot toekenning van een (totaal) aantal maanden bestuursbeurs aan een studentenorganisatie - dat als zodanig niet in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: WHW) is genoemd - na bezwaar beroep open bij de rechtbank. De rechtbank overweegt als volgt. 2.5 Krachtens artikel 7.51, eerste lid, van de WHW (dat is opgenomen in titel 3 van hoofdstuk 7 van de WHW) - voor zover hier van belang - treft het instellingsbestuur van een universiteit of hogeschool voorzieningen ter financiële ondersteuning van de student ten aanzien van wie zich een of meer van de in het tweede lid genoemde bijzondere omstandigheden voordoen of hebben voorgedaan en die tot studievertraging hebben geleid of dat naar verwachting zullen doen. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder f, van dit artikel - voor zover hier van belang - is een dergelijke bijzondere omstandigheid, ter beoordeling van het instellingsbestuur, het lidmaatschap van het bestuur van een studentenorganisatie van enige omvang met volledige rechtsbevoegdheid. Krachtens het vijfde lid van dit artikel kan het instellingsbestuur aan toekenning van financiële ondersteuning op grond van de bijzondere omstandigheden, bedoeld in het tweede lid, onder e en f, voorwaarden verbinden. Het instellingsbestuur stelt regels betreffende deze voorwaarden. 2.6 Ingevolge artikel 7.66, eerste lid, aanhef en onder b, van de WHW - voor zover hier van belang - oordeelt het college van beroep voor het hoger onderwijs (hierna: cbho) bij uitsluiting over het beroep dat door een betrokkene is ingesteld tegen beslissingen van het instellingsbestuur, genomen op grond van het bepaalde bij of krachtens titel 3 van dit hoofdstuk. 2.7 Verweerder en het college van bestuur van de [instelling II] hebben de in artikel 7.51, vijfde lid (laatste volzin), van de WHW bedoelde regels vastgesteld in de Regeling bestuursbeurzen voor student-bestuurders in studentenorganisaties (hierna: de Regeling). In hoofdstuk 3 van de Regeling is de, aan dit geschil ten grondslag liggende, procedure van driejaarlijkse verdeling van bestuursbeurzen neergelegd. Artikel 6 van de Regeling bepaalt dat de colleges van bestuur van [de instellingen] driejaarlijks beslissen welke studentenorganisaties in aanmerking komen voor bestuursbeurzen en - zo heeft verweerder ter zitting toegelicht - in welke omvang dat geschiedt. In hoofdstuk 6 van de Regeling zijn regels neergelegd voor de toekenning van bestuursbeurzen aan individuele studenten. 2.8 De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat het bestreden besluit tot toekenning van maanden bestuursbeurs aan eiseres door verweerder is genomen op grond van regels (neergelegd in de Regeling), die zijn vastgesteld krachtens artikel 7.51, vijfde lid (laatste volzin), van de WHW. Nu beslissingen die zijn genomen bij of krachtens titel 3 van hoofdstuk 7 van de WHW bij uitsluiting dienen te worden voorgelegd aan het cbho, is dit college derhalve ook bij uitsluiting bevoegd om te oordelen over het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit. 2.9 Ter voorlichting van partijen merkt de rechtbank op dat zo nodig het cbho zal beoordelen of de brief van 14 maart 2007 is aan te merken als een besluit waartegen bezwaar openstaat. 2.10 De rechtbank concludeert dat zij zich onbevoegd dient te verklaren om van het door eiseres ingestelde beroep kennis te nemen. De rechtbank komt hiermee terug op haar oordeel in de uitspraak van 10 oktober 2005 (kenmerk SBR 04/3043) over haar bevoegdheid in zaken als deze. 2.11 De rechtbank zal ingevolge artikel 6:15 van de Awb zorg dragen voor het doorzenden van de zaak, ter behandeling als beroep, naar het cbho. 2.12 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank Utrecht: verklaart zich onbevoegd. Aldus vastgesteld door mr. K.J. Veenstra als voorzitter, en mr. J. Ebbens en mr. D.A. Verburg als leden, en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2008. De griffier: De voorzitter van de meervoudige kamer: E. Heemsbergen mr. K.J. Veenstra (de griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen) afschrift verzonden op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag.