Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF2253

Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-25
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/6416 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Intrekking WAO-uitkering. Juistheid medische en arbeidskundige grondslag voor de schatting. Geschiktheid voorgehouden functies.


Uitspraak

06/6416 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 27 september 2006, 05/3408 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 17 september 2008 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J. van de Wiel, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het Uwv heeft bij brief van 20 februari 2007 een rapport van 19 februari 2007 van C.H.J. de Vries-van Hulten, bezwaararbeidsdeskundige, in geding gebracht. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2008. Aanwezig was appellante in persoon, bijgestaan door eerder genoemde gemachtigde. Het Uwv is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. II. OVERWEGINGEN 1. Appellante, werkzaam als verkoopster mode, is in 1994 uitgevallen met nek- en rugklachten (later was ook sprake van longklachten). Aan haar is door het Uwv met ingang van 19 maart 1996 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een herbeoordeling is zij in 2005 gezien door een verzekeringsarts van het Uwv, die heeft vastgesteld dat zij ondanks de bij haar bestaande beperkingen in staat is gangbare arbeid te verrichten. De bedoelde beperkingen zijn door deze arts vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De arbeidsdeskundige van het Uwv heeft vervolgens geconstateerd dat appellante met door hem geselecteerde arbeid een zodanig inkomen kan verdienen, dat het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15% bedraagt. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 25 april 2005 de WAO-uitkering van appellante per 23 juni 2005 ingetrokken. 2. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen laatstgenoemd besluit. Na rapportage door de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv heeft het Uwv bij besluit van 16 september 2005 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. 3.1. Namens appellante is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij is onder meer aangevoerd dat zij meer en zwaardere beperkingen heeft dan door het Uwv is aangenomen en dat zij in verband daarmee de geduide functies niet kan uitoefenen. Tevens heeft zij gewezen op de door haar overgelegde informatie van haar huisarts en van haar behandelend revalidatieartsen, haar fysiotherapeut en van de orthopedisch chirurgen H.J. Hoeksta en E.J. Klop. 3.2. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven; tevens heeft de rechtbank het verzoek om schadevergoeding afgewezen en het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellante en het Uwv opgedragen het betaalde griffierecht te vergoeden. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat de medische grondslag van het bestreden besluit voldoende deugdelijk is; uit de door appellante in geding gebrachte medische informatie valt niet af te leiden, dat er – objectief gezien – sprake is van meer beperkingen dan door het Uwv is aangenomen. Ook de arbeidskundige grondslag van de schatting heeft de rechtbank onderschreven: het LHNO-diploma van appellante kan worden gelijk gesteld met het VMBO-niveau c.q. -diploma dat voor enkele functies vereist is, de combinatie van tillen en buigen in één van de geduide functies levert slechts een marginale overschrijding van de belastbaarheid op, terwijl de geschiktheid van de geselecteerde functies ook overigens voldoende is toegelicht. Nu echter een afdoende inzichtelijke en gedetailleerde arbeidskundige toelichting eerst in de fase van het beroep is verkregen, heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd, maar conform de rechtspraak van de Raad op dit punt, de rechtsgevolgen ervan in stand gelaten. 4. Namens appellante is in hoger beroep het eerder aangevoerde herhaald. Tevens is onder meer benadrukt dat de functies te belastend voor appellante zijn, onder andere in verband met de noodzaak om langdurig te zitten en het in de praktijk ontbreken van de mogelijkheid om voldoende te vertreden dan wel van houding te wisselen. 5.1. De Raad oordeelt als volgt. 5.2. De Raad kan hetgeen de rechtbank heeft overwogen en beslist met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit geheel onderschrijven. Ook naar het oordeel van de Raad is het medisch onderzoek als voldoende zorgvuldig en deugdelijk aan te merken. De door appellante ingebrachte informatie biedt onvoldoende basis voor de stelling dat zij meer en zwaarder beperkt zou zijn dan door het Uwv is aangenomen. Ook ontbreekt medische informatie die voldoende grondslag biedt voor de door appellante bepleite urenbeperking. 5.3. Ook kan de Raad onderschrijven hetgeen de rechtbank omtrent de arbeidskundige basis van de schatting heeft overwogen. De eventuele overschrijdingen van de belastbaarheid zijn in de arbeidskundige rapporten van 6 en 31 maart 2006 alsmede in dat van 19 februari 2007 voldoende toegelicht. Daaruit blijkt dat appellante in staat wordt geacht om een uur achtereen alsmede per dag ongeveer 6 tot 8 uur te zitten en dat de geselecteerde functies op deze punten geen eisen stellen die daar bovenuitgaan. Tevens is steeds afdoende vertredingsmogelijkheid aanwezig. Met betrekking tot de stelling van de zijde van appellante dat dit laatste in verband met de strakke werkschema’s in enkele functies in de praktijk niet haalbaar zou zijn, merkt de Raad op dat waar in enkele functieomschrijvingen een aantal te bezoeken adressen wordt genoemd het steeds gaat om een gemiddelde; het betreft hier geen “harde productienormen” die het nemen van rustpauzes zouden uitsluiten. 5.4. Nu een arbeidskundige toelichting die voldoet aan de eisen die volgen uit de jurisprudentie van de Raad eerst na het totstandkomen van het bestreden besluit is verkregen, heeft de rechtbank het bestreden besluit met recht vernietigd in verband met een gebrekkige motivering en evenzeer met recht de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. 6. Voor een veroordeling van een der partijen in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.Riphagen, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2008. (get.) J. Riphagen. (get.) W.R. de Vries. JL