
Jurisprudentie
BF2238
Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-24
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Leeuwarden
Zaaknummers87011 / HA ZA 08-56
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-24
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Leeuwarden
Zaaknummers87011 / HA ZA 08-56
Statusgepubliceerd
Indicatie
Burenrecht. Opheffing erfdienstbaarheid na belangenafweging. Schadevergoeding voor eigenaar van heersend erf.
Uitspraak
RECHTBANK LEEUWARDEN
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 87011 / HA ZA 08-56
Vonnis van 17 september 2008
in de zaak van
[a],
wonende te [woonplaats],
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
procureur mr. B.P.C. de Jong,
tegen
[b],
wonende te [woonplaats],
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
procureur mr. D.M.F. de Groot-de Vries.
Partijen zullen hierna [a] en [b] genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties
- de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie met producties
- het proces-verbaal van descente en van comparitie van 18 juni 2008
- de akte zijdens [b]
- de antwoord-akte zijdens [a].
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1. [a] en [b] zijn buren. De moeder van [a] woont in de woning van [a] en houdt daar haar schildersatelier.
2.2. Bij processen-verbaal van openbare verkoping d.d. 20 november en 4 december 1895 is een erfdienstbaarheid vastgelegd (verder: de erfdienstbaarheid), die ook is opgenomen in de akte van levering van de woning met grond aan [straatnaam] 9 te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente Oppenhuizen, sectie H, nummer 115 d.d. 1 juli 1993. De erfdienstbaarheid is in deze stukken als volgt omschreven:
"De afscheidingen binnenshuis en op het erf tusschen dit onderdeel en het ten oosten aangrenzend perceel kadastraal bekend Gemeente Oppenhuizen, Sectie B, nummer 544, zijn met dien naastleger massaal; onderdeel B. wordt bevoorrecht met reed en veeleiding, voet- en kruipad over het noordelijk erf van onderdeel A naar- en van den grindweg en met voetpad over het zuidelijk erf van onderdeel A naar- en van na te melden secreet."
Met onderdeel B is het perceel van thans [a] bedoeld, met onderdeel A dat van thans [b].
2.3. [b] is op 25 juli 2003 eigenaar geworden van de woning, gelegen aan het adres [straatnaam] 5, kadastraal bekend gemeente Oppenhuizen, sectie H nummer 335. Het erf van [b] is vanaf de openbare weg toegankelijk door middel van een uit twee delen bestaande en te openen schuttingdeur. Aan de achterzijde zijn de erven van [a] en [b] gescheiden door een schutting.
2.4. [b] heeft zijn huis in de loop van de afgelopen jaren aan de achterzijde verbouwd en uitgebouwd. Naast de uitbouw van de woning van [b] bevindt zich een deur in de schutting tussen beide erven. Aan de zijde van [b] is aan die schutting een overkapping bevestigd, waaronder blokken (openhaard)hout liggen, ook tegen de schuttingdeur. Vanaf de zijde van [a] is laatstgenoemde schuttingdeur te openen, maar is de doorgang belemmerd door die opgestapelde blokken hout.
2.5. [a] heeft [b] onder meer bij brieven van 8 maart 2007, 7 juni 2007 en 26 juli 2007 verzocht en/of gemaand om de doorgang vrij te maken. [b] heeft daar tot op heden geen gehoor aan gegeven.
2.6. Uit onderzoek van het kadaster op 5 september 2007, op verzoek van [b], is gebleken dat op 20 december 1982 - in het kader van een ruilverkaveling - een erfdienstbaarheid (recht van reed en veeleiding, voet- en kruipad) is ingeschreven ten laste van het erf van [b] en ten gunste van het erf van [a]. In het kader van voornoemde ruilverkaveling zijn de perceelsgrenzen van voornoemde percelen zodanig gewijzigd dat het perceel van [a] aan de zuidzijde aan de openbare weg is komen te liggen. Het erf en het huis van [a] zijn vanaf de openbare weg bereikbaar via een verhard pad.
2.7. Op de woning van [a] is een recht van hypotheek gevestigd ten gunste van SNS bank. SNS bank heeft bij brief van 26 juni 2008 laten weten geen bezwaar te hebben tegen eventuele opheffing van de erfdienstbaarheid.
3. Het geschil
in conventie
3.1. [a] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [b] veroordeelt om de belemmering van de erfdienstbaarheid op te heffen en opgeheven te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 2.500,-- per (gedeelte van een) dag dat hij aan de veroordeling niet voldoet, met veroordeling van [b] in de kosten van de procedure.
3.2. [b] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
3.3. [b] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het recht van reed en veeleiding, voet- en kruipad, ten behoeve van kavel 16017 (Oppenhuizen H 115) en ten laste van kavel 16016 (Oppenhuizen H 114, thans H 335 en een stukje van H 336) opheft zoals bedoeld in artikel 5:79 BW, met veroordeling van [a] in de kosten van de procedure.
3.4. [a] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
in conventie en in reconventie
4.1. [a] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [b], door het blokkeren van de schuttingdeur tussen beide percelen, inbreuk maakt op het recht van overpad en dus onrechtmatig handelt. [a] stelt dat hij het recht van overpad (weer) wil gebruiken voor het aan de weg zetten van vuilcontainers en het vervoer van zware poststukken, omdat dit pad korter is dan de uitrit over het eigen erf van [a], een klinkerpaadje dat circa 50 centimeter breed is. Bovendien is één van de cursisten van zijn moeder - die in/bij de woning een schildersatelier heeft - gebonden aan een rolstoel en is het ondoenlijk om met een rolstoel gebruik te maken van genoemd klinkerpaadje. [a] concludeert dat hij aldus een redelijk belang heeft bij uitoefening van de erfdienstbaarheid.
4.2. [b] voert als verweer aan dat [a] geen redelijk belang heeft bij handhaving van het recht van overpad. De erfdienstbaarheid is ooit gevestigd, omdat het perceel van [a] geen eigen uitgang had naar de openbare weg. Die uitrit is er inmiddels wel. Het is voor [a] dus heel goed mogelijk om over zijn eigen perceel de openbare weg te bereiken. Bovendien is het langs die uitrit niet verder naar de parkeerplaats van de auto van [a] dan over het erf van [b]. Verder voert [b] aan dat het recht van overpad vlak langs zijn woonkamer loopt, die sinds de verbouwing aan de achterzijde van zijn woning is gesitueerd, en dat gebruik van het recht van overpad zijn privacy schendt. Tot slot is de schuttingdeur niet breed genoeg om met een rolstoel door te kunnen, aldus [b].
4.3. [b] heeft uiteengezet, onder verwijzing naar de overgelegde brief van SNS bank van 26 juni 2008, dat SNS bank geen bezwaar heeft tegen zijn vorderingen. Gelet op de inhoud van deze brief zal de rechtbank hiervan ook uitgaan.
4.4. De rechtbank overweegt verder als volgt. Opheffing van een erfdienstbaarheid is mogelijk indien de uitoefening ervan onmogelijk is geworden of de eigenaar van het heersend erf, in dit geval [a], geen redelijk belang meer heeft bij de uitoefening ervan en het niet aannemelijk is dat de mogelijkheid van de uitoefening of het redelijk belang daarbij zal terugkeren (artikel 5:79 BW). Dat het onmogelijk zou zijn om de erfdienstbaarheid uit te oefenen is niet gesteld en ook niet gebleken. De omstandigheid dat [a] de erfdienstbaarheid enkele jaren niet zou hebben gebruikt - zoals [b] ter comparitie heeft gesteld en [a] (deels) heeft betwist - is niet doorslaggevend. Dat betekent immers niet - zonder meer - dat [a] geen belang meer zou hebben bij die erfdienstbaarheid. De wet verbindt aan het enkele niet gebruiken van de erfdienstbaarheid, behoudens verjaring, dat hier niet aan de orde is, ook geen consequenties.
4.5. [b] heeft met een beroep op artikel 5:79 BW aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat [a] geen redelijk belang meer heeft bij de uitoefening van de erfdienstbaarheid, terwijl hij zelf wel belang heeft bij de opheffing ervan. Op grond van de bepaling in dat artikel dienen de belangen van [b] bij opheffing van de erfdienstbaarheid te worden afgewogen tegen de belangen van [a] bij handhaving ervan. Aangezien gevestigde erfdienstbaarheden in beginsel naar hun aard bestemd zijn om lange tijd te bestaan, kan onverkorte handhaving daarvan in bepaalde gevallen tot grote onbillijkheid aanleiding geven (Hof ’s-Hertogenbosch 6 november 2007 LJN: BB7868). Anderzijds volgt uit de rechtsgeldige vestiging van een erfdienstbaarheid dat de belangen van de eigenaar van het dienende erf ([b]) in beginsel ondergeschikt zijn gemaakt aan die van de eigenaar van het heersende erf ([a]), zodat de belangen van de laatste zwaarder worden gewogen dan die van de eerste (Hof Arnhem 15 februari 2005, NJF 2005, 403).
4.6. De rechtbank overweegt vervolgens dat [a] - anders dan ten tijde van de vestiging van de erfdienstbaarheid - over zijn eigen erf een uitgang heeft naar de openbare weg. De afstand naar de openbare weg langs dit pad is in geringe mate groter dan via het erf van [b], maar het pad is niet optimaal geschikt voor het vervoer van vuilcontainers en het gebruik van een rolstoel, evenmin overigens als het overpad over het erf van [b], nu dat niet breder is dan het huidige pad over het erf van [a], en evenmin als dat pad geheel vrij is van niveauverschillen. Uit de verklaring van [a] tijdens de comparitie leidt de rechtbank af dat het te verwachten gebruik van het recht van overpad minimaal zal zijn. Het belang van [a] bij het incidentele gebruik van dit overpad weegt naar het oordeel van de rechtbank niet op tegen het belang van [b] bij de privacy in zijn tuin en huis. Het overpad loopt immers direct langs de woonkamer van [b], vanuit welke positie een volledige inkijk in diens woning wordt geboden, in beginsel op alle momenten van de dag en nacht. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat [a], gezien het bovenstaande, niet langer een redelijk belang heeft bij instandhouding van de erfdienstbaarheid, mits het bestaande pad over zijn eigen erf op enige punten wordt aangepast en de kosten daarvan door [b] worden vergoed.
4.7. Als het pad over het erf van [a] opnieuw en breder zou worden aangelegd, eventueel met aanpassingen naar voor- en achterdeur van de woning van [a], zou het (beter) geschikt zijn voor rolstoelgebruikers en het vervoer van vuilcontainers. In dat opzicht is de rechtbank met [a] van oordeel dat de erfdienstbaarheid een zekere waarde vertegenwoordigt voor [a], die [b] zal dienen te vergoeden in de vorm van een schadeloosstelling. Het aanpassen van het pad over zijn erf zal [a] immers voor de nodige kosten stellen. Het is niet redelijk om dit zonder meer van [a] te verlangen, gegeven het bestaan van de erfdienstbaarheid. De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot opheffing van de erfdienstbaarheid in beginsel toewijsbaar is, zij het onder het stellen van de volgende voorwaarde op grond van artikel 5:81 lid 1 BW:
[b] dient de waarde c.q. kosten van een door of namens [a] aan te leggen deugdelijk pad van circa één meter breed, over het erf van [a], voor zijn rekening te nemen; het pad dient geschikt te worden voor gebruik met een rolstoel, in die zin dat de woning van [a] vanaf de openbare weg via het pad - zonder belemmeringen - met een rolstoel bereikbaar is.
4.8. Partijen hebben zich nog niet kunnen uitlaten over de hoogte van de schadeloosstelling die volgt uit deze voorwaarde, en zullen in de gelegenheid worden gesteld dit alsnog bij akte te doen. Daarbij moet worden gedacht aan het opvragen van offertes bij hoveniers- en/of bestratingsbedrijven.
4.9. Omdat [b] degene is die de kosten voor het aanpassen van het pad op het erf van [a] zal moeten vergoeden, zal hij als eerste in de gelegenheid worden gesteld zich over de hoogte van deze kosten uit te laten. Vervolgens zal [a] op de kostenraming van [b] kunnen reageren. Op grond van het voorgaande zal de rechtbank de zaak verwijzen naar de rol van 15 oktober 2008 voor het nemen van een akte door [b] en naar de rol van twee weken daarna voor het nemen van een akte door [a]. Deze rolverwijzing heeft uitsluitend tot doel om beide partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de hoogte van de schadeloosstelling die volgt uit de voorwaarde die onder rechtsoverweging 4.7. van dit vonnis is geformuleerd. De inhoud van de aktes dient daartoe beperkt te blijven. De rechtbank zal nadat beide aktes zijn ingediend de hoogte van de schadeloosstelling vaststellen.
4.10 De rechtbank geeft de partijen ten slotte in overweging om in onderling overleg tot overeenstemming te komen op basis van het uitgangspunt dat de vordering tot opheffing van de erfdienstbaarheid tegen vergoeding van de waarde ervan in beginsel toewijsbaar is, zoals onder 4.7. hierboven is overwogen. Daarmee kan niet alleen tijd en geld worden bespaard, maar kan wellicht ook de verstandhouding tussen de partijen, als buren, worden bevorderd.
5. De beslissing
De rechtbank
in conventie en in reconventie
5.1. verwijst de zaak naar de rol van 15 oktober 2008 voor het nemen van een akte aan de zijde van [b] met betrekking tot de hoogte van de schadeloosstelling, zoals onder rechtsoverwegingen 4.7. tot en met 4.9. is omschreven, waarna de zaak naar de rol van vier weken later zal worden verwezen om [a] in de gelegenheid te stellen zich hieromtrent uit te laten.
5.2. houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.E. Geerlings en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2008, in tegenwoordigheid van de griffier.?