
Jurisprudentie
BF2236
Datum uitspraak2008-09-18
Datum gepubliceerd2008-09-24
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
Instantie naamRechtbank Utrecht
ZaaknummersSBR 08/2463 en SBR 08/2464
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-24
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
Instantie naamRechtbank Utrecht
ZaaknummersSBR 08/2463 en SBR 08/2464
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bouwvergunning, verlening vrijstelling. Geen onaanvaardbare mate van schaduwwerking en verminderde lichtinval.
Uitspraak
RECHTBANK UTRECHT
Sector bestuursrecht
zaaknummers: SBR 08/2463 en SBR 08/2464
uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 september 2009 op het verzoek om voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak
in de zaak van
[eiser N] en [eiser K],
wonende te [woonplaats],
eisers,
tegen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug,
verweerder.
Inleiding
1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van verweerder van 30 juli 2008 (hierna: het bestreden besluit), verzonden op 8 augustus 2008, waarbij de bezwaren van eisers tegen het besluit van 22 februari 2008 ongegrond zijn verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder aan [vergunninghouder] (hierna: vergunninghouder) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het gedeeltelijk vergroten van de woning op het perceel Drift 32 te Doorn.
1.2 Het verzoek is op 5 september 2008 ter zitting behandeld, waar eiser [eiser N] in persoon is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Alblas, werkzaam bij de gemeente Utrechtse Heuvelrug. Voorts is vergunninghouder verschenen, bijgestaan door P.J. Smink, werkzaam bij CNV Vakcentrale.
Overwegingen
2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.2 In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier voor.
Ten aanzien van het beroep (SBR 08/2463):
2.3 Het bouwplan voorziet in een uitbreiding over de volle breedte van de achtergevel van de woning Drift 32 met een diepte van 5,06 meter en een hoogte van 2,95 meter ten behoeve van een tuinkamer en een bijkeuken. De woning en de voorziene uitbreiding zijn gelegen op 1,5 meter afstand van de zijdelingse perceelsgrens met het perceel Drift 30, waar eisers woonachtig zijn.
2.5 Artikel 44 van de Woningwet (Ww) - voor zover thans van belang - bepaalt dat een (lichte) bouwvergunning slechts mag en moet worden geweigerd indien het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, de bouwverordening, het bouwbesluit of redelijke eisen van welstand.
2.6 Het perceel is begrepen in het bestemmingsplan "Bebouwingsvoorschriften voor de bebouwde kom der gemeente Doorn" (hierna: het bestemmingsplan). Het bouwplan is gesitueerd op gronden die op grond van de bij dit bestemmingsplan behorende planvoorschriften en plankaart de bestemming "Open Bebouwing" hebben.
Ingevolge artikel 7, vierde lid, van de planvoorschriften moeten de zijdelingse afstand van een gebouw tot iedere erfafscheiding, zomede de inhoud van elke woning voor de op de bij deze verordening behorende kaart aangegeven terreinen, tenminste bedragen de afstand en de maat op de bij deze verordening behorende kaart aangegeven.
Ingevolge de bij het bestemmingsplan behorende plankaart is de afstand tot de zijdelingse erfafscheiding voor de dubbele woning Drift 32/34 5 meter.
2.7 Op 1 juli 2008 is in werking getreden de Wet ruimtelijke ordening. Ingevolge het overgangsrecht opgenomen in artikel 9.1.11, tweede lid, van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (Stb. 2008, 180) blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), waarvan het verzoek is ingediend voor dat tijdstip. Hieruit volgt dat in dit geval dient te worden getoetst aan de WRO.
Ingevolge artikel 19, derde lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen.
Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (BRO) komt voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO in aanmerking een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woongebouw in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft.
2.8 Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan in strijd is met het vigerende bestemmingsplan, omdat de afstand tot de zijdelingse erfafscheiding 1,5 meter bedraagt en niet voldoet aan de ingevolge het vigerende bestemmingsplan voorgeschreven 5 meter. Verweerder heeft hiervoor op grond van artikel 19, derde lid, van de WRO, vrijstelling verleend.
2.9 Volgens eisers zijn de verleende vrijstelling en bouwvergunning niet in overeenstemming met het voorontwerpbestemmingsplan "Doorn-Noord" (hierna: het ontwerpbestemmingsplan) van 28 augustus 2007 op het punt van de afstand tot de zijdelingse perceelgrens en op het punt van de totale diepte van de aanbouw. In dit verband voeren eisers voorts aan dat verweerder het bouwplan aan de verkeerde versie van dit ontwerpbestemmingsplan heeft getoetst.
2.10 Verweerder heeft het bouwplan in de primaire fase getoetst aan het voorontwerp-bestemmingsplan van juli 2005, dat ter inzage lag ten tijde van de aanvraag. Ten tijde van het bestreden besluit lag geen voorontwerp-bestemmingsplan (meer) ter inzage, zodat verweerder niet (meer) was gehouden het bouwplan hieraan te toetsen. Voor zover het bouwplan in strijd is met (de verschillende versies van) het voorontwerp-bestemmingsplan, heeft verweerder aangegeven dat het toekomstige voorontwerp-bestemmingsplan aanzienlijk zal worden gewijzigd, zodat de oude versies daarvan niet meer relevant zijn. Verweerder heeft aan de verschillende voorontwerpen dan ook terecht geen doorslaggevende betekenis toegekend.
2.11 Eisers hebben voorts aangevoerd dat het bouwplan leidt tot onaanvaardbare schaduwwerking en vermindering van daglichtinval voor de belendende percelen, waaronder dat van eisers. Verweerders conclusie dat dit niet aannemelijk is, achten eisers ongefundeerd, omdat berekeningen van de daglichttoetreding ontbreken. Zij hebben daartoe verwezen naar het advies van de commissie bezwaarschriften van 6 juni 2008. In dit verband hebben eisers gesteld dat verweerder er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat het perceel Drift 32 als geheel hoger ligt dan hun perceel, wat het effect van schaduwwerking versterkt. Verder hebben eisers gewezen op de aanzienlijke diepte van de aanbouw.
2.12 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, in afwijking van het advies van de commissie van bezwaarschriften van 6 juni 2008, op het standpunt gesteld dat het niet noodzakelijk is daglichtberekeningen dan wel schaduwberekeningen te maken, omdat het niet aannemelijk is dat er sprake zal zijn van een onaanvaardbare mate van schaduwwerking dan wel vermindering van daglichtinval op het perceel van eisers. Daartoe heeft verweerder gewezen op de omstandigheid dat sprake is van zeer diepe achterpercelen, die zijn gelegen op het zuid-oosten, alsmede op de ligging van het perceel van eiser ten opzichte van het buurperceel. De omstandigheid dat eisers perceel circa dertig centimeter lager is gelegen dan het buurperceel maakt een en ander volgens verweerder niet anders.
2.13 Gelet op voormelde feitelijke omstandigheden, die door verweerder aan de hand van kaartmateriaal ter zitting zijn toegelicht en waarbij is aangegeven dat enkel in de vroege ochtend sprake zal zijn van enige schaduwwerking, hetgeen door eisers niet is weersproken, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat er geen aanleiding is om te concluderen dat sprake zal zijn van een onaanvaardbare mate van schaduwwerking of vermindering van daglichtinval op het perceel van eisers. Gelet op deze conclusie heeft verweerder conform het bepaalde in artikel 7:13, zevende lid, van de Awb, voldoende gemotiveerd waarom is afgezien van het laten maken van daglichtberekeningen, zoals door de adviescommissie was geadviseerd.
2.14 In het licht van het voorgaande ziet de voorzieningenrechter evenmin aanleiding eisers te volgen in hun betoog dat in de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende belangenafweging de aantasting van hun privacy en hun uitzicht in onvoldoende mate is betrokken. In dat kader wijst de voorzieningenrechter erop dat verweerder ter bescherming van de privacy van eisers aan de bouwvergunning de voorwaarde heeft verbonden dat de vensters van de gevelopeningen in de rechterzijgevel van de te realiseren aanbouw geblindeerd dienen te worden uitgevoerd, zodat deze geen direct zicht geven op het perceel van eisers.
2.15 Gelet op het vorenstaande is er geen grond om te oordelen dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen, zodat de bouwvergunning terecht is verleend. Hetgeen door eisers in beroep is aangevoerd kan dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Onder deze omstandigheden wordt geen aanleiding gezien om verweerder te veroordelen in de proceskosten.
Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening (SBR 08/2464):
2.16 Gelet op de beslissing in de hoofdzaak is het treffen van een voorlopige voorziening niet vereist. De voorzieningenrechter ziet evenmin aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
Ten aanzien van het beroep:
3.1 verklaart het beroep ongegrond.
Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening:
3.2 wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Aldus vastgesteld door mr. S. Wijna en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2008.
De griffier: De voorzieningenrechter:
mr. K. de Waard mr. S. Wijna
Afschrift verzonden op:
Tegen de beslissing op beroep staat, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.
Let wel:
Ook als u in deze uitspraak (gedeeltelijk) in het gelijk bent gesteld, kan het van belang zijn hoger beroep in te stellen voor zover de voorzieningenrechter gronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen en u daar niet in wilt berusten.