
Jurisprudentie
BF2226
Datum uitspraak2008-09-22
Datum gepubliceerd2008-09-24
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
Instantie naamRechtbank Utrecht
ZaaknummersSBR 08/2140 en 08/2141
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-24
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
Instantie naamRechtbank Utrecht
ZaaknummersSBR 08/2140 en 08/2141
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bouwvergunning en vrijstelling ex artikel 19, tweede lid, van de WRO. Vraag of ruimtelijke onderbouwing voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Voldoende kenbaarheid bouwtekeningen. Parkeernorm.
Uitspraak
RECHTBANK UTRECHT
Sector bestuursrecht
zaaknummers: SBR 08/2140 en 08/2141
uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 september 2008 op het verzoek om voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak
inzake
[eisers],
eisers,
tegen
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rhenen,
verweerder.
Inleiding
1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van 25 juni 2008 waarbij verweerder het bezwaar van eisers tegen de bij besluit van 7 maart 2007 aan de Rhenense Woningstichting (hierna: vergunninghoudster) verleende sloopvergunning ongegrond heeft verklaard, het bezwaar tegen de aan vergunninghoudster verleende vrijstelling en bouwvergunning gegrond heeft verklaard en deze besluiten met verbetering van de motivering heeft gehandhaafd.
Bij besluit van 7 maart 2007 heeft verweerder aan vergunninghoudster een sloopvergunning verleend voor het slopen van het voormalige politiebureau aan de Stationsweg 16 - 18 te Rhenen, alsmede vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en een bouwvergunning verleend voor het realiseren van een appartementencomplex met 9 appartementen op het perceel Stationsweg 16-18 te Rhenen.
1.2 Het verzoek is op 16 september 2008 ter zitting behandeld, waar eisers [eisers] in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. B. Nijman, advocaat te Nijmegen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door M. van Dee, werkzaam bij de gemeente Rhenen, bijgestaan door mr. E.T. de Jong, advocaat te Arnhem. Namens vergunninghoudster is [L] verschenen, bijgestaan door mr. C.A. Hage, advocaat te Arnhem.
Overwegingen
2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.2 In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier voor.
Ten aanzien van het beroep (SBR 08/2141):
sloopvergunning
2.3 Ingevolge artikel 8.1.1, eerste lid, van de Bouwverordening gemeente Rhenen (hierna: de Bouwverordening), is, voor zover hier van belang, het verboden bouwwerken te slopen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders.
Ingevolge artikel 8.1.1, derde lid, van de Bouwverordening, verbinden burgemeester en wethouders aan de sloopvergunning slechts voorschriften over:
de veiligheid tijdens het slopen;
de bescherming van nabijgelegen bouwwerken;
(...)
In artikel 8.1.6, aanhef en onder a, van de Bouwverordening is bepaald dat een sloopvergunning moet worden geweigerd indien:
de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;
de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;
(...)
2.4 Ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) kan een sloopvergunning alleen worden geweigerd op één van de in artikel 8.1.6. van de Bouwverordening genoemde gronden en kunnen uitsluitend de in dit artikel genoemde belangen bij de afweging kunnen worden betrokken.
2.5 Eisers voeren aan dat ten onrechte is nagelaten om aan de sloopvergunning voorschriften te verbinden om de veiligheid van omwonenden en belendende bebouwing te beschermen. Verweerder kan volgens eisers niet volstaan met een verwijzing naar een afzonderlijke notitie met betrekking tot gemaakte afspraken met vergunninghoudster. Verweerder is naar hun mening dan ook zonder duidelijke motivering afgeweken van het advies van de bezwaarschriftencommissie om het bezwaar tegen de sloopvergunning gegrond te verklaren.
2.6 De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder aan het besluit het voorschrift (nummer 7) heeft verbonden dat het slopen moet geschieden op veilige wijze, hetgeen onder meer inhoudt dat de nodige veiligheidsmaatregelen worden genomen ten behoeve van de weg en de in de weg gelegen werken en de weggebruikers en ten behoeve van naburige bouwwerken, open erven en terreinen en hun gebruikers. Bij de beslissing op het bezwaar heeft verweerder aan vergunninghoudster daarnaast de verplichting opgelegd om vier weken voorafgaand aan de aanvang van de werkzaamheden een afspraak te maken met het bouwtoezicht van de gemeente Rhenen. Voorts heeft verweerder vergunninghoudster verplicht om in overleg met betrokken omwonenden te komen tot aanvullende afspraken over de afwerking van belendende gebouwen op enkele concreet genoemde punten na de sloop.
Deze voorschriften maken, anders dan eisers hebben betoogd, onderdeel uit van de beslissing op bezwaar. Ter zitting is vast komen te staan dat vergunninghoudster dit ook zo heeft begrepen. De omstandigheid dat verweerder dit en andere aspecten heeft vervat in afzonderlijke bijlagen bij de beslissing op bezwaar kan daar niet aan afdoen. Vergunninghoudster heeft ter zitting benadrukt dat zij er groot belang bij heeft dat de sloop veilig en zorgvuldig verloopt en dat zij zich er scherp van bewust is ten aanzien van direct omwonenden aansprakelijk te zijn voor vergoeding van eventuele door de sloopwerkzaamheden veroorzaakte schade (en nadeel).
De voorzieningenrechter is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat verweerder met voorschrift 7 in combinatie met de nader te maken afspraken de belangen die in artikel 8.1.6 van de Bouwverordening zijn genoemd voldoende gewicht heeft toegekend en dat niet gebleken is dat de veiligheid of de bescherming van nabijgelegen bouwwerken onvoldoende is gewaarborgd. Eisers hebben niet ten onrechte aandacht hebben gevraagd voor de veiligheid van (jeugdige) verkeersdeelnemers, maar er is geen grond voor het oordeel dat met het verbinden aan de sloopvergunning van een algemene voorwaarde over de veiligheid verweerder hieraan onvoldoende gewicht heeft toegekend.
2.7 Hetgeen door eisers in beroep is aangevoerd met betrekking tot de sloopvergunning, kan niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit voor zover daarbij de sloopvergunning, onder het stellen van aanvullende voorwaarden, is gehandhaafd.
Vrijstelling en bouwvergunning
2.8 Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Cuneralaan - I". Het perceel heeft in het bestemmingsplan de bestemming "Bijzondere doeleinden BD". Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan, dat immers woondoeleinden behelst, hiermee in strijd is. Om deze strijdigheid op te heffen heeft verweerder een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO verleend.
2.9 Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door Gedeputeerde Staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde Staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van Gedeputeerde Staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing. In artikel 19, eerste lid, van de WRO is hierover bepaald: onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.
Gedeputeerde Staten van Utrecht hebben op 4 juli 2006 de circulaire Artikel 19 WRO (hierna: de circulaire) vastgesteld, die op 1 september 2006 in werking is getreden.
Ingevolge artikel 3.1.2. van de bij deze circulaire behorende (limitatieve) lijst kunnen burgemeester en wethouders zonder voorafgaande verklaring van geen bezwaar vrijstelling verlenen voor realisering, verandering, vervanging en uitbreiding van woningen / woongebouwen, ongeacht de maatvoering tot een maximum van 100 woningen in de hoofdkernen van de gemeenten Utrecht, Amersfoort, Veenendaal, Woerden, Houten en Nieuwegein en een maximum van 30 in de overige kernen.
2.10 De voorzieningenrechter is van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van een situatie die is bedoeld in artikel 3.1.2 van de Circulaire, waarin met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling kan worden verleend.
2.11 Ten aanzien van de vraag of verweerder in dit geval in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen, overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Ingevolge artikel 2.10 van de bij het bestemmingsplan behorende planvoorschriften zijn voor de op het perceel rustende bestemming toegestaan maatschappelijke-, medische-, culturele- en voor andere bijzondere doeleinden benodigde hoofdgebouwen met de daarbij behorende bijgebouwen, andere bouwwerken en andere werken, parkeerterreinen, speelterreinen en tuinen toegestaan, met dien verstande dat slechts een dienstwoning is toegestaan. Er mag uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak dat op de plankaart is aangegeven.
De voorzieningenrechter stelt, met verweerder, vast dat het huidige bestemmingsplan bebouwing toestaat tot een maximale hoogte van 8,50 meter tot op de erfgrens aan de zijde van de Duistereweg en gedeeltelijk aan de zijde van het perceel Stationslaan 20. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd vrijstelling te verlenen tot maximaal 10% van de in het plan opgenomen maten, dat wil zeggen tot een maximale hoogte van 9,35 meter; een maximale goothoogte is niet voorgeschreven. Wat betreft de gebruiksmogelijkheden bevat het bestemmingsplan een ruime omschrijving van de bestemming 'Bijzondere doeleinden BD".
2.12 Het bouwplan voorziet in een appartementencomplex met negen appartementen, verdeeld over drie torens die door middel van een centrale, transparante hal aan elkaar verbonden zijn. De drie torens bestaan uit 2,5 woonlaag plus een zadeldak. De (nok-)hoogte van de drie torens bedraagt 11,90 meter. Achter het complex worden vrijstaande bergingen geplaatst.
Vast staat dat het bouwplan van het huidige bestemmingsplan wat betreft omvang, situering en gebruik afwijkt. De voorzieningenrechter oordeelt dat het beoogde gebruik, woonfunctie, ten opzichte van de ruime gebruiksmogelijkheden in het bestemmingsplan minder ingrijpend is voor omwonenden. De appartementen worden voorts aan de achterzijde niet gebouwd tot op de perceelsgrens, zoals het bestemmingsplan mogelijk maakt. Niet in geschil is dat het bouwplan aansluit op bestaande voorgevelrooilijnen en is gepositioneerd binnen de bestaande bebouwingsstructuur. De breedtemaat van elk bouwblok sluit aan op de maatvoering in de omgeving en de bebouwing is voorzien van kappen. Tussen partijen is niet in geschil dat de verbijzondering van het hoekgebouw niet in het bouwplan is opgenomen en dat er geen ruimte is voor een boompartij aan de voorzijde. De grootste afwijking van de huidige bouwmogelijkheden is de hoogte van 11,90 meter, die nodig is om de appartementen op de derde woonlaag voldoende woonruimte te bieden.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bouwplan vanwege zijn omvang een niet geringe inbreuk maakt op het geldende planologische regime. Naarmate de inbreuk op de bestaande planologische situatie ingrijpender is, dienen zwaardere eisen te worden gesteld aan de ruimtelijke onderbouwing van het project.
2.13 Verweerder heeft Kuiper Compagnons gevraagd te adviseren over de vraag in hoeverre het bouwplan past binnen de in augustus 2003 vastgestelde stedenbouwkundige randvoorwaarden en heeft op basis van dit advies geoordeeld dat het bouwplan in de bestaande bebouwingsstructuur inpasbaar is. Hoewel het bouwplan qua maat en verhouding vanwege de 2,5 laag met kap in plaats van de aanvankelijk voorziene twee lagen met kap op de rand van het toelaatbare wordt geacht, acht Kuiper Compagnons het bouwplan aanvaardbaar. Eisers hebben de conclusies van Kuiper Compagnons over de stedenbouwkundige aanvaardbaarheid niet bestreden met een rapport van een deskundige op het gebied van stedenbouw of planologie.
De voorzieningenrechter ziet in hetgeen eisers hebben aangevoerd onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat de het bouwplan planologisch niet inpasbaar zou zijn of niet zou passen in de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het gebied. De vrijstelling is thans voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing, waarin in voldoende mate is ingegaan op de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling, zoals neergelegd in de in 2003 geformuleerde uitgangspunten.
2.14 Eisers voeren aan dat verweerder niet tot een juiste belangenafweging is gekomen.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder in redelijkheid een groot gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang van seniorenwoningen in de gemeente Rhenen. De noodzaak van dergelijke woningen is door eisers niet ter discussie gesteld. Ter zitting is onweersproken komen vast te staan dat de negen appartementen bestaan uit goedkopere huurwoningen. Voorts acht de voorzieningenrechter het, gelet op de toelichting ter zitting, voldoende aannemelijk gemaakt dat de bouw van minder dan negen appartementen voor vergunninghoudster financieel niet verantwoord is, zodat verweerder aan het belang om te bouwen tot een omvang van 2,5 bouwlaag met kap gewicht heeft kunnen toekennen.
2.15 Eisers betwijfelen of Adviseurs in Bouwtechniek (ABT) bij het onderzoek naar de daglichttoetreding bij de direct belendende woningen van de juiste omvang van het bouwplan is uitgegaan.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de hoogte van het bouwwerk niet is veranderd en dat de wijziging in de bouwtekening uitsluitend betrekking heeft op het vermelden van de (nok)hoogte in cijfers. Deze verduidelijkende toevoeging is naar het oordeel van de voorzieningenrechter van zeer ondergeschikte aard en heeft voor vergunninghoudster geen aanleiding hoeven vormen om een nieuwe bouwaanvraag in te dienen. De voorzieningenrechter vermag niet in te zien waarom deze aanvankelijke weglating van de nokhoogte in cijfers ertoe zou hebben geleid, nu dit ook niet blijkt uit de door ABT uitgebrachte rapportage, dat ABT van een onjuiste voorstelling van zaken is uitgegaan.
Op basis van de uitkomsten van het onderzoek door ABT heeft verweerder zich rekenschap gegeven van het feit dat het bouwplan de daglichttoetreding van de woningen Stationsweg 14 en Duistereweg 9 negatief beïnvloedt, terwijl de daglichttoetreding van het perceel Stationsweg 20 toeneemt. In hetgeen eisers op dit punt hebben aangevoerd, heeft de voorzieningenrechter geen aanleiding gevonden om te oordelen dat het onderzoek door ABT naar inhoud en wijze van totstandkomen zodanige gebreken vertoont dat verweerder dit niet mocht betrekken bij de door hem te verrichten belangenafweging. Hierbij kan er niet aan voorbij gegaan worden dat ABT is uitgegaan van de meest ongunstige situatie van ramen op 600 mm boven de vloer, terwijl de meeste ramen hoger zijn en daardoor meer daglicht toelaten. Ook hierin is geen aanleiding gelegen voor het oordeel dat de belangenafweging, zoals door verweerder gemaakt, de toets der kritiek niet kan doorstaan.
2.16 Eisers betwisten dat het bouwplan voorziet in voldoende parkeerplaatsen. Zij achten onduidelijk of de gemeente het gebied waarin het perceel is gelegen aanmerkt als "weinig stedelijk" dan wel " sterk verstedelijkt". Op grond van de CROW-normen dient in een "weinig verstedelijkt" gebied voor goedkopere woningen 1,3 - 1,5 parkeerplaats per appartement te worden gerealiseerd. Nu het bouwplan voorziet in tien parkeerplaatsen is dit onvoldoende.
De voorzieningenrechter overweegt dat tussen partijen geen verschil van mening is dat de gemeente Rhenen als "weinig stedelijk" moet worden aangemerkt, zoals ook het Centraal Bureau voor de Statistiek heeft gedaan. Ter zitting heeft verweerder aangegeven de CROW-parkeercijfers te hebben gebruikt voor serviceflat/aanleunwoning, waarbij van belang is dat het CROW een dergelijke woning aanmerkt als een zelfstandige woning met beperkte zorgvoorziening. Gebleken is dat in het bouwplan is voorzien in de mogelijkheid van bewoning door personen afhankelijk van een rollator dan wel rolstoel. De voorzieningenrechter ziet, gelet hierop, geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder ten onrechte aansluiting heeft gezocht bij de parkeercijfers voor serviceflats/aanleunwoningen. Voor serviceflats en aanleunwoningen gaat het CROW uit van 0,3 tot 0,6 parkeerplaats per woning en 0,3 parkeerplaats per woning voor bezoekers. Verweerder heeft een ruimere norm aangehouden, namelijk 1,1 parkeerplaats per appartement inclusief 0,3 parkeerplaats voor bezoekers.
De voorzieningenrechter is, gelet hierop, van oordeel dat verweerder op goede grond heeft gesteld dat hiermee voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd, zeker nu het bouwplan voorziet in de bouw van goedkope huurwoningen.
2.17 Uit het voorgaande volgt dat verweerder in redelijkheid vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO, van de planvoorschriften heeft kunnen verlenen om het bouwplan mogelijk te maken.
2.18 Eisers betogen dat, omdat de bij de vergunning behorende bouwtekeningen geen hoogtemaat bevatten, de exacte hoogte van het bouwplan en daarmee de inhoud van de bouwvergunning onduidelijk is, hetgeen in strijd is met het Besluit indieningvereisten aanvraag bouwvergunning. Dat deze hoogtemaat in de bezwaarfase alsnog aan een bouwtekening is toegevoegd, brengt daar volgens eisers geen verandering in omdat verweerder huns inziens deze tekeningen niet kenbaar heeft betrokken bij de beslissing op bezwaar.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de bouwtekening DO-10 op 10 mei 2007 is gewijzigd in die zin dat daarop bij de doorsnede CC de (nok-)hoogte van 11,90 meter boven peil is vermeld. Met de door de architect aangegeven maatvoering is buiten twijfel wat de hoogte ten opzichte van het peil is. Vaststaat dat de bouwtekeningen voor het overige niet zijn gewijzigd. Deze wijziging is, zoals hiervoor overwogen, van ondergeschikte aard, dientengevolge bestond er geen noodzaak een nieuwe bouwaanvraag in te dienen. De voorzieningenrechter ziet voorts, mede gelet op de toelichting ter zitting, geen aanleiding voor het oordeel dat de hoogteverschillen en de verdiepte aanleg onvoldoende uit de bouwtekeningen zijn af te leiden. Deze grond slaagt dan ook niet.
2.19 Hetgeen door eisers in beroep is aangevoerd kan, gelet op het voorgaande, niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Onder deze omstandigheden wordt geen aanleiding gezien om verweerder te veroordelen in de proceskosten.
Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening (SBR 08/2140):
2.20 Gelet op de beslissing in de hoofdzaak is het treffen van een voorlopige voorziening niet vereist. De voorzieningenrechter ziet evenmin aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
Ten aanzien van het beroep:
3.1 verklaart het beroep ongegrond.
Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening:
3.2 wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.J. Overdijk en in het openbaar uitgesproken op
De griffier: De voorzieningenrechter:
mr.drs. H.Maaijen mr. D.A.J. Overdijk
Afschrift verzonden op:
Tegen de beslissing op beroep staat, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.
Let wel
Ook als u in deze uitspraak (gedeeltelijk) in het gelijk bent gesteld, kan het van belang zijn hoger beroep in te stellen voor zover de voorzieningenrechter gronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen en u daar niet in wilt berusten.