
Jurisprudentie
BF2218
Datum uitspraak2008-09-24
Datum gepubliceerd2008-09-24
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Utrecht
Zaaknummers176549/ HA ZA 04-866
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-24
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Utrecht
Zaaknummers176549/ HA ZA 04-866
Statusgepubliceerd
Indicatie
Terugkomen op eindbeslissing in tussenvonnis -> uit later overlegde stukken blijkt dat wel sprake is van huurkoop. Zaak wordt alsnog naar sector kanton verwezen.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK UTRECHT
Sector handels- en familierecht
zaaknummer / rolnummer: 176549 / HA ZA 04-866
Vonnis van 24 september 2008
in de zaak van
de naamloze vennootschap
DEXIA BANK NEDERLAND N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. J. van Ravenhorst,
tegen
[gedaagde],
wonende te Harmelen,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. J.A. Cenijn.
Partijen zullen hierna Dexia en [gedaagde] genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 13 oktober 2004 waarin een comparitie van partijen is bepaald
- het proces-verbaal van de op 25 januari 2005 gehouden comparitie
- akte van schorsing aan de zijde van Dexia
- akte overlegging opt-outverklaring aan de zijde van [gedaagde]
- antwoordakte aan de zijde van Dexia
1.2. Ten slotte is opnieuw vonnis bepaald.
1.3. De rechter, ten overstaan van wie de comparitie is gehouden, heeft dit vonnis om organisatorische redenen niet kunnen wijzen.
2. De feiten
2.1. Dexia is de rechtsopvolger onder algemene titel van de Bank Labouchere N.V. (hierna: Labouchere).
2.2. Op 23 december 1999 heeft [gedaagde] met Labouchere een effecten lease-overeenkomst gesloten onder de naam "Profit Effect" (hierna: de overeenkomst). De overeenkomst heeft een looptijd van 120 maanden, waarbij Labouchere een door haar aangekocht pakket aandelen/effecten (ook wel met "waarden" aangeduid) met een aankoopbedrag van € 11.042,15 least voor een lease-som van € 24.734,15. Deze leasesom is opgebouwd uit het voormelde aankoopbedrag en een bedrag van € 13.692,00 aan rente.
2.3. [gedaagde] heeft de leasetermijnen over de eerste 36 maanden door een betaling van € 3.696,84 (waarbij een korting van 10% is toegepast) ineens afgekocht. De 84 daarop volgende maandtermijnen dienden via een automatische incasso te worden betaald op of omstreeks de 1e dag van iedere maand. Aan het eind van de looptijd van de overeenkomst diende een bedrag ineens te worden betaald van € 10.996,77, in principe te verrekenen met de verkoopopbrengst van de waarden.
2.4. Artikel 5 van de overeenkomst luidt:
"Zodra lessee al datgene aan de Bank heeft betaald wat hij haar krachtens deze lease-overeenkomst en de daarbij behorende Bijzondere Voorwaarden Labouchere Effecten Lease verschuldigd is of zal worden, is lessee automatisch en van rechtswege eigenaar van de waarden geworden.".
2.5. Bijzondere Voorwaarden Labouchere Effecten Lease (hierna: bijzondere voorwaarden) houden onder meer in:
"2. Bank Labouchere N.V. (hierna de Bank) en lessee komen overeen dat de eigendom van de waarden op lessee overgaat door vervulling van de opschortende voorwaarde dat lessee aan al zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst heeft voldaan. Teneinde te bewerkstelligen dat lessee alsdan van rechtswege eigenaar van de waarden wordt, worden de in de overeenkomst genoemde waarden voorwaardelijk overgedragen aan lessee en wel onder de opschortende voorwaarde dat lessee aan al zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst heeft voldaan. Deze voorwaardelijke overdracht geschiedt doordat genoemde waarden onverwijld na de verkrijging door de Bank ten name van lessee worden bijgeschreven in de administratie van de Bank, overeenkomstig artikel 17 van de Wge (Wet giraal effectenverkeer, toevoeging rechtbank), ter uitvoering van de in de eerste zin van dit artikel omschreven verbintenis tot voorwaardelijke overdracht. De Bank behoudt de eigendom van de waarden totdat lessee aan al zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst heeft voldaan en blijft als zodanig bevoegd over de waarden te beschikken zonder dat dit ten nadele van lessee werkt. Lessee kan niet over de waarden beschikken, behouden met voorafgaande schriftelijke toestemming van de Bank. De Bank draagt het risico van het verloren gaan van de waarden tot dat deze eigendom van lessee zijn geworden.
3. Alle baten en waardeveranderingen van de waarden komen aan lessee toe. De Bank zal (…) de dividendbaten zo spoedig mogelijk na betaalbaarstelling daarvan aan lessee doen toekomen (…). Ingeval van keuzedividend zal de keuze worden bepaald door lessee. Indien met betrekking tot de waarden andere rechten kunnen worden uitgeoefend zullen deze rechten ter keuze van de Bank worden uitgeoefend. (…)"
2.6. Vanaf begin 2003 heeft [gedaagde] geen maandelijkse betalingen meer gedaan. Op grond daarvan heeft Dexia de overeenkomst beëindigd, waarna Dexia de waarden heeft verkocht. Volgens de eindafrekening van Dexia bedraagt de opbrengst van de verkoop van de waarden € 6.713,98.
3. Het geschil
in conventie
3.1. Dexia vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan Dexia van € 10.612,81, vermeerderd met de contractuele rente althans de wettelijke rente over € 9.664,22 vanaf 5 december 2003 tot de dag van algehele voldoening en [gedaagde] veroordeelt in de kosten van de procedure.
in voorwaardelijke conventie
3.2. Voor zover de vordering van Dexia weergegeven onder 3.1 wordt afgewezen en het beroep van [gedaagde] tot ontbinding of vernietiging van de overeenkomst slaagt vordert Dexia dat de rechtbank voorzover mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een bedrag gelijk aan het verschil tussen de aankoopwaarde van de in artikel 1 van de overeenkomst genoemde effecten minus de waarde van bedoelde effecten op de datum van de ontbinding of vernietiging van de overeenkomst.
3.3. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
3.4. [gedaagde] vordert dat de rechtbank bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
a) voor recht verklaart dat de overeenkomst tussen partijen nietig is, althans de overeenkomst vernietigt wegens dwaling en/of misbruik van omstandigheden, althans de overeenkomst ontbindt, althans de overeenkomst ontbonden verklaart;
b) Dexia veroordeelt om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 18.078,48, althans een bedrag van € 3.925,97, alles te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2000 dan wel vanaf een in goede justitie te bepalen datum en Dexia veroordeelt in de kosten van de procedure.
3.5. Dexia voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
in conventie en in reconventie
4.1. Nadat de incidentele vordering tot verwijzing naar de sector kanton van de rechtbank door [gedaagde] bij tussenvonnis van 4 augustus 2004 is afgewezen is door partijen verder geprocedeerd. Bij conclusie van antwoord heeft [gedaagde] als productie 1 een andere versie van de bijzondere voorwaarden overgelegd. Uit het eveneens overgelegde begeleidende schrijven d.d. 8 augustus 2000 van Labouchere blijkt dat de als bijlage meegezonden nieuwe bijzondere voorwaarden op de overeenkomst van toepassing worden verklaard. [gedaagde] stelt in haar conclusie van antwoord, onder verwijzing naar de van toepassing zijnde bijzondere voorwaarden, dat de rechtbank ten onrechte heeft beslist dat de overeenkomst niet beschouwd kan worden als een huurkoopovereenkomst in de zin van artikel 7a:1576 lid 1 BW.
4.2. Ter comparitie heeft Dexia bevestigd dat de door [gedaagde] overgelegde bijzondere voorwaarden op de overeenkomst van toepassing zijn. Door Dexia is evenwel betwist dat het gewijzigde artikel 2 (zie citaat onder 2.5) met zich brengt dat er thans sprake zou zijn van huurkoop.
4.3. De rechtbank constateert dat artikel 2 van de bijzondere voorwaarden, die van toepassing zijn op de overeenkomst, op een essentieel onderdeel afwijkt van de tekst die beschikbaar was ten tijde van de beoordeling van de incidentele vordering. Immers in de tekst van artikel 2 (nieuw) wordt anders dan in de aanvankelijke tekst van de bijzondere voorwaarden expliciet vermeld dat de "waarden onverwijld na de verkrijging door de Bank ten name van lessee worden bijgeschreven in de administratie van de Bank, overeenkomstig artikel 17 van de Wge". Ingevolge artikel 17 Wge vindt levering van effecten plaats door middel van bijschrijving op naam van de verkrijger in de administratie van de betrokken instelling. Ter comparitie heeft Dexia eveneens verklaard dat de effecten zijn geregistreerd conform het bepaalde in artikel 17 Wge.
4.4. Het voorgaande betekent dat de rechtbank tot geen andere conclusie kan komen dat op grond van dit nieuwe gegeven thans wel aan alle vereisten is voldaan om de overeenkomst als huurkoopovereenkomst in de zin van artikel 7a:1576h lid 1 BW jo artikel 7a:1576 lid 1 en 5 BW te kwalificeren.
4.5. De rechtbank is van oordeel dat op grond van het bovenstaande sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat zij niet meer aan haar eerdere eindbeslissing is gebonden nu is gebleken dat deze berust op een onjuiste grondslag. De rechtbank heeft zich rekenschap gegeven van het feit dat zij in beginsel aan haar eerdere eindbeslissing is gebonden en dat slechts met grote terughoudendheid een uitzondering op dit beginsel kan worden aanvaard. De rechtbank verwijst in dit verband tevens naar de beslissing van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (JOR 2008, 131 m.nt Lieverse), waarbij de Hoge Raad heeft geoordeeld dat waar het gaat om koop en verkoop van aandelen met levering onder opschortende voorwaarde dat volledig betaling heeft plaatsgevonden, onder aflevering moet worden verstaan dat de koper het genot van de aandelen verkrijgt. De levering van aandelen geschiedt ingevolge artikel 17 Wge door bijschrijving op naam van de verkrijger in de administratie van de aangesloten instelling. Door de overdracht onder opschortende voorwaarde was, aldus de Hoge Raad, de verkrijger weliswaar nog niet de volledig rechthebbende op de aandelen geworden, maar droeg hij wel het volledige risio van de waardeontwikkeling van de aandelen, verkreeg hij krachtens de overeenkomt recht op het uit het aandeel voortvloeiend dividend en had hij dus in die zin ook het genot ervan. De Hoge Raad komt dan ook tot de conclusie dat door de bijschrijving op naam van de koper dit ingevolge artikel 17 Wge kan worden gezien als de in de artikel 7a:1576 lid 1 BW bedoelde aflevering.
4.6. Nu de rechtbank alsnog tot het oordeel is gekomen dat de overeenkomst als een huurkoopovereenkomst kan worden aangemerkt, betreft het in casu een zaak die op grond van artikel 93 onder c Rv door de sector kanton dient te worden behandeld en beslist. De zaak zal dan ook op grond van artikel 71 lid 2 Rv (welk artikel geen discretionaire bevoegdheid inhoudt) ter verdere behandeling en beslissing ambtshalve worden verwezen naar de sector kanton van deze rechtbank. Daarnaast wijst de rechtbank erop dat partijen in het vervolg van de procedure niet vertegenwoordigd door een advocaat maar in persoon of bij gemachtigde kunnen verschijnen. Het voorgaande brengt tevens met zich dat de kostenveroordeling in het incident opnieuw zal moeten worden beoordeeld. Om proceseconomische redenen acht de rechtbank het geïndiceerd dat de rechter van de sector kanton bij het te wijzen eindvonnis de kostenveroordeling in het incident in zijn eindoordeel zal behandelen.
5. De beslissing
De rechtbank
in conventie en reconventie
5.1. verwijst ambsthalve de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de sector kanton van deze rechtbank, locatie Utrecht, van 22 oktober 2008 om 9.30 uur, welke zitting zal worden gehouden in het gerechtsgebouw aan het Vrouwe Justitiaplein 1 te Utrecht,
5.2. wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat maar in persoon of bij gemachtigde kunnen verschijnen,
5.3. wijst partijen erop dat de kantonrechter opnieuw zal beslissen over de kosten van het incident.
Dit vonnis is gewezen door mr. Ch.E. Bethlem en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2008.