Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF2208

Datum uitspraak2008-09-23
Datum gepubliceerd2008-09-24
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsGroningen
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAwb 08/32939
Statusgepubliceerd


Indicatie

Vreemdelingenbewaring / China / geen zicht op uitzetting
De rechtbank komt thans niet tot een ander oordeel dan in de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Dordrecht19 september 2008. Ter zitting heeft verweerder geen helderheid kunnen verschaffen over de inhoud van de gevoerde gesprekken noch over de termijn waarbinnen een verandering in de houding van de Chinese autoriteiten mag worden verwacht. Verweerder heeft ook niet kunnen aangeven waarop de overtuiging van de Minister van Justitie is gebaseerd dat er nieuwe aanknopingspunten zijn voor een veranderde opstelling van de Chinese autoriteiten. De enkele verstrekking van één lp is onvoldoende, om te kunnen concluderen dat er sprake is van een veranderde opstelling van de Chinese autoriteiten, te meer nu onduidelijk is onder welke omstandigheden deze lp is verstrekt. Ook ter zitting heeft verweerder hierover niet meer duidelijkheid kunnen verschaffen dan in de brief van 19 september 2008 is verwoord en naar aanleiding van de vragen van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Dordrecht, is geantwoord.


Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE Nevenzittingsplaats Groningen Sector Bestuursrecht Vreemdelingenkamer Zaaknummer: Awb 08/32939 Uitspraak op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd, althans zich noemende: [eiser], geboren op [geboortedatum], [alias], geboren op [geboortedatum], van Chinese nationaliteit, V-nummer: [..], eiser, gemachtigde: mr. D. de Vries, advocaat te Leeuwarden. 1. Ontstaan en loop van het geschil 1.1. De Staatssecretaris van Justitie, hierna verweerder, heeft op 10 september 2008 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000. 1.2. Eiser heeft hiertegen op 11 september 2008 beroep ingesteld bij de rechtbank. 1.3. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiser doorgestuurd en hem in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken. Bij faxbericht van 18 september 2008 heeft eiser de gronden van beroep aangevuld. Bij faxbericht van 19 september 2008 heeft verweerder een schriftelijke reactie ingediend. 1.4. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 22 september 2008. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Voor verweerder is als gemachtigde verschenen mr. J.P.M. Wuite. 2. Rechtsoverwegingen 2.1. In deze procedure dient te worden beoordeeld of de toepassing en tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in overeenstemming zijn met de wet en of de maatregel in redelijkheid bij afweging van alle daarbij betrokken belangen gerechtvaardigd is. 2.2. Eiser heeft de rechtbank verzocht de opheffing van de maatregel te bevelen en schadevergoeding toe te kennen. Eiser heeft verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Groningen, van 20 juni 2008, LJN: BD5011. Uit die uitspraak blijkt dat de Chinese autoriteiten sinds april 2007 in het geheel geen laissez passers meer hebben verstrekt aan zich in bewaring bevindende Chinezen, ook niet aan (enigszins) gedocumenteerde Chinezen. Weliswaar is het aan de vreemdeling om voldoende inspanningen te verrichten om in het bezit te komen van reis- en/of identiteitsdocumenten, echter nu vaststaat dat de Chinese autoriteiten geen laissez passers verstrekken aan zowel ongedocumenteerde als gedocumenteerde Chinezen, stelt eiser dat het niet meer reëel is om vol te blijven houden dat indien de vreemdeling maar voldoende medewerking verleent, hij mogelijkerwijs zal kunnen worden getraceerd in de Chinese registratiesystemen en alsdan mogelijkerwijs en laissez passer zal krijgen. De diverse vormen van diplomatiek overleg tussen de Nederlandse en de Chinese autoriteiten hebben nog niet tot enige concrete toezegging geleid van de Chinese autoriteiten en op grond hiervan kan niet worden aangenomen dat de Chinese autoriteiten binnen een redelijke termijn zullen overgaan tot afgifte van laissez passers ten behoeve van de uitzetting van Chinese vreemdelingen. De enkele verwachting van verweerder dat de inspanningen van de Nederlandse bewindspersonen tot op heden én in de komende periode tot een veranderde houding van de Chinese autoriteiten zullen leiden, is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van reëel zicht op uitzetting voor Chinese vreemdelingen die niet in het bezit zijn van een paspoort. Verder verwijst eiser naar een uitspraak deze rechtbank, nevenzittingsplaats Groningen, van 2 september 2008, in het kader van het gelijkheidsbeginsel. Tevens verwijst eiser naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 5 september 2008. Nu geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat, is het voortduren van de bewaring onrechtmatig. 2.3. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 5 september 2008 (LJN: BE9987) overwogen dat verweerder weliswaar de nodige inspanningen verricht op diplomatiek niveau, doch dat hieruit niet blijkt van concrete aanknopingspunten die de verwachting rechtvaardigen dat thans op korte termijn zal kunnen worden overgegaan tot uitzetting van Chinese vreemdelingen naar China, ook als de vreemdeling de vereiste medewerking verleent. Verweerder heeft over de inhoud van de gevoerde gesprekken noch over de termijn waarbinnen een verandering in de houding van de Chinese autoriteiten mag worden verwacht ter zitting van de Afdeling op 21 augustus 2008 helderheid kunnen verschaffen. Onder deze omstandigheden moet volgens de Afdeling worden vastgesteld dat thans het zicht op uitzetting is komen te ontbreken. 2.4. Verweerder heeft in de brief van 19 september 2008 naar voren gebracht dat hij van mening is dat sprake is van een verandering van de feiten en omstandigheden in vergelijking met die, gepresenteerd aan de Afdeling in de zitting van 21 augustus 2008. Verweerder heeft aangegeven dat na een voorbereidend gesprek op 1 september 2008 op hoogambtelijk niveau, door de Minister van Justitie op 8 september 2008 is gesproken over de afgifte van vervangende reisdocumenten met de Chinese ambassadeur. Hierbij is de Minister van Justitie tot de stellige overtuiging gekomen dat er nieuwe aanknopingspunten zijn voor een veranderde opstelling van de Chinese autoriteiten. Deze overtuiging wordt gesteund door het feit dat op 8 september 2008 door de Chinese autoriteiten een laissez passer is afgegeven. Verder heeft verweerder opgemerkt dat diverse vreemdelingen in 2007 en 2008 via bemiddeling van het IOM vanuit bewaring naar China zijn teruggekeerd. 2.5. Deze rechtbank, nevenzittingsplaats Dordrecht, heeft in een uitspraak van 19 september 2008 (LJN: BF1661), in een zaak waarin verweerder dezelfde informatie had verstrekt, echter geoordeeld dat geen sprake is van een verandering van de feiten en/of omstandigheden welke de conclusie rechtvaardigt dat sprake is van zicht op uitzetting binnen redelijke termijn. Volgens deze uitspraak kan uit het enkele feit dat in één individueel geval een lp is afgegeven niet worden afgeleid dat de recente contacten op verschillende niveaus met de Chinese autoriteiten hebben geleid tot een structureel gewijzigde opstelling van de Chinese autoriteiten, in die zin dat daarmee een trend is gezet. Dit klemt volgens de genoemde uitspraak te meer nu verweerder voor het desbetreffende geval op de expliciete vraag of sprake was van vrijwillige terugkeer c.q. terugkeer via bemiddeling door de IOM geen eenduidig antwoord heeft gegeven. Verweerder heeft om hem moverende redenen volstaan met de navolgende opmerking: “De laissez-passer aanvraag is ten tijde van de bewaring opgestart vanuit de Dienst Terugkeer en Vertrek en ziet derhalve toe op gedwongen terugkeer.”. 2.6. De rechtbank komt thans niet tot een ander oordeel dan in voornoemde uitspraak van 19 september 2008. Ter zitting heeft verweerder geen helderheid kunnen verschaffen over de inhoud van de gevoerde gesprekken noch over de termijn waarbinnen een verandering in de houding van de Chinese autoriteiten mag worden verwacht. Verweerder heeft ook niet kunnen aangeven waarop de overtuiging van de Minister van Justitie is gebaseerd dat er nieuwe aanknopingspunten zijn voor een veranderde opstelling van de Chinese autoriteiten. De enkele verstrekking van één lp is onvoldoende, om te kunnen concluderen dat er sprake is van een veranderde opstelling van de Chinese autoriteiten, te meer nu onduidelijk is onder welke omstandigheden deze lp is verstrekt. Ook ter zitting heeft verweerder hierover niet meer duidelijkheid kunnen verschaffen dan in de brief van 19 september 2008 is verwoord en naar aanleiding van de vragen van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Dordrecht, is geantwoord. 2.7. De door verweerder verstrekte informatie over al dan niet in bewaring gestelde vreemdelingen die in 2007 en 2008 met hulp van de IOM naar China zijn teruggekeerd, doet aan hetgeen hiervoor is overwogen niet af. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 20 juni 2008 (LJN: BD5011). Voor zover de terugkeer van Chinese vreemdelingen met behulp van de IOM er op duidt dat de Chinese autoriteiten wel (vervangende) reisdocumenten verstrekken aan Chinese vreemdelingen die hun medewerking aan terugkeer verlenen, kan dat naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot het oordeel dat er zicht op uitzetting is, nu het niet gaat om de vraag of terugkeer mogelijk is maar om de vraag of de uitzettingshandelingen van verweerder tot uitzetting kunnen leiden. 2.8. Onder voornoemde omstandigheden moet worden vastgesteld dat thans nog geen zicht is op uitzetting. Toepassing van de maatregel is derhalve in strijd met de wet. De maatregel is van meet af aan onrechtmatig. Het beroep is gegrond. De maatregel dient te worden opgeheven. De rechtbank ziet aanleiding eiser met toepassing van artikel 106 Vw 2000 schadevergoeding toe te kennen. Eiser komt een bedrag toe van 5 maal € 105,- voor de van 10 september 2008 tot en met 14 september 2008 doorgebrachte dagen in een politiecel en 8 maal € 80,- voor de van 15 september 2008 tot en met 22 september 2008 doorgebrachte dagen in een huis van bewaring. In totaal wordt aan eiser een bedrag van € 1.165,- toegekend. 2.9. Voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat thans aanleiding. Het bedrag van de te vergoeden proceskosten moet naar het oordeel van de rechtbank worden bepaald op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarbij de waarde per punt € 322,- bedraagt; wegingsfactor 1). 3. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring per direct; - wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan eiser ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding toe van € 1.165,- (zegge: eenduizend eenhonderd en vijf en zestig euro); - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ad € 644,-, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank dient te vergoeden. Aldus gegeven door mr. S.M. Schothorst en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van P.W. Karsowidjojo als griffier op 23 september 2008. Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen een week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage) onder vermelding van ‘Hoger beroep vreemdelingenzaken’. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.