
Jurisprudentie
BF2200
Datum uitspraak2008-09-16
Datum gepubliceerd2008-09-24
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers200.000.722/01 GDW
Statusgepubliceerd
SectorNotariskamer
Datum gepubliceerd2008-09-24
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers200.000.722/01 GDW
Statusgepubliceerd
SectorNotariskamer
Indicatie
Het hof is van oordeel dat de gerechtsdeurwaarder op goede gronden het CJIB heeft geadviseerd niet tot beslaglegging over te gaan. Mede gezien het feit dat klager maar voor de helft eigenaar was van het appartementsrecht behoefde de gerechtsdeurwaarder zich niet te verdiepen in de precieze achtergronden van de verschillende hypothecaire inschrijvingen met betrekking tot het appartementsrecht. De gerechtsdeurwaarder heeft voldaan aan zijn ministerieplicht ten opzichte van het CJIB. Het was vervolgens de beslissing van het CJIB om andere maatregelen jegens klager te treffen. De klacht is ongegrond.
Uitspraak
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER
Beslissing van 16 september 2008 in de zaak onder nummer 200.000.722/01 GDW van:
[naam]
tijdelijk verblijvende te [plaats]
APPELLANT,
t e g e n
[naam]
gerechtsdeurwaarder te [plaats],
GEïNTIMEERDE,
gemachtigde: mr. B. de Boer.
1. Het geding in hoger beroep
1.1. Ter griffie van het hof alhier is op 21 december 2007 een verzoekschrift ingekomen van de zijde van appellant, verder te noemen klager, waarbij hij tijdig hoger beroep instelt tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder te noemen de kamer, van 27 november 2007.
1.2. Bij die beslissing heeft de kamer ongegrond verklaard het verzet van klager tegen de beslissing van de voorzitter van de kamer van 19 juni 2007 waarbij de klacht van klager tegen geïntimeerde, verder te noemen: de gerechtsdeurwaarder, als kennelijk ongegrond is afgewezen.
1.3. Van de zijde van de gerechtsdeurwaarder is op 25 januari 2008 een verweerschrift met bijlagen ter griffie van het hof ingekomen.
1.4. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 12 juni 2008, alwaar klager en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder, mr. B. de Boer, zijn verschenen. Zij hebben het woord gevoerd. De gerechtsdeurwaarder is - hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen - niet verschenen.
2. De stukken van het geding
Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de behandeling van de zaak in eerste aanleg, alsmede van de hiervoor vermelde stukken.
3. De feiten
Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in haar beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat het hof ook van die feiten uitgaat.
4. Ontvankelijkheid van het beroep
4.1. In het algemeen staat – op grond van het bepaalde in artikel 45 lid 1 Gerechtsdeurwaarderswet, verder te noemen GDW – tegen een beslissing van de kamer op een klacht het rechtsmiddel hoger beroep bij dit hof open. Artikel 39 leden 1, 2, 3 en 4 GDW bepalen echter, verkort weergegeven en voor zover hier van belang, dat de voorzitter kennelijk niet ontvankelijke en kennelijk ongegronde klachten alsmede klachten die naar zijn oordeel van onvoldoende gewicht zijn, kan afwijzen, dat tegen een dergelijke beslissing verzet kan worden gedaan bij de kamer en dat tegen de beslissing van de kamer dat het verzet ongegrond is geen rechtsmiddel openstaat.
4.2. In het onderhavige geval dient echter van voormeld beginsel te worden afgeweken. De kamer heeft weliswaar in het dictum het verzet ongegrond verklaard, maar zij heeft er in haar overwegingen blijk van gegeven dat zij in wezen een andere beslissing heeft genomen. De kamer heeft immers, nadat de voorzitter de klacht als kennelijk ongegrond had afgewezen op het oordeel:
“Op het moment dat een gerechtsdeurwaarder een opdracht tot het verrichten van een ambtshandeling ontvangt en er geen uitsluiting van bevoegdheid is, is daarmee automatisch de verplichting ontstaan tot het verrichten van de ambtshandeling. De beslissing om niet tot beslaglegging over te gaan maar kennelijk het dwangtraject in te gaan, berust bij het CJIB. Klager kan de gerechtsdeurwaarder daarvan dus geen verwijt maken”
een eigen motivering aan haar afwijzing van de klacht ten grondslag gelegd, namelijk het oordeel – in overeenstemming met de werkelijke inhoud van de klacht, die door de voorzitter was miskend – dat de gerechtsdeurwaarder geen onjuist advies heeft gegeven. Omdat de kamer van oordeel was dat de door de voorzitter gebezigde afwijzingsgrond niet voldeed, had zij in het dictum het verzet gegrond moeten verklaren. Voorts had zij, omdat er naar haar oordeel een andere grond bestond om de klacht toch af te wijzen, de klacht na behandeling in volle omvang daarvan ongegrond moeten verklaren. Klager kan dan ook in zijn beroep worden ontvangen.
5. Het standpunt van klager
5.1. Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder dat hij ten onrechte vervangende hechtenis ondergaat ten gevolge van het verstrekken van foutieve en/of onjuiste informatie door de gerechtsdeurwaarder aan het CJIB. De gerechtdeurwaarder heeft niet gezien dat de eerste hypotheek vier appartementsrechten omvatte en dateerde van voor de eigendomsverkrijging door klager, waarmee hij zijn onderzoeksplicht heeft verzaakt.
5.2. Klager heeft ter terechtzitting een verzoek om herziening van de beslissing van de kamer gedaan omdat de voorzitter van de kamer zijn beslissing heeft gebaseerd op een onjuiste weergave van de uitlatingen van klager ter zitting.
6. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder
De gerechtsdeurwaarder heeft betoogd dat hij het dwangbevel conform de opdracht van het CJIB aan klager heeft betekend en in verband met het verzoek om met spoed tot beslaglegging over te gaan – bij het uitblijven van betaling van klager - onderzoek heeft gedaan bij het kadaster, naar het hof begrijpt: de openbare registers. Uit dat onderzoek is gebleken dat klager voor de helft eigenaar was van een appartementsrecht en dat daarop drie hypotheken van tezamen fl. 1.500.000,= rustten. Op grond daarvan heeft de gerechtsdeurwaarder het CIJB geadviseerd om niet tot beslaglegging over te gaan, aangezien gedwongen verkoop van het registergoed voor het CJIB niet lonend zou zijn. Op verzoek van het CJIB is het dossier vervolgens gesloten. Dat het CJIB voorts andere maatregelen ten aanzien van klager heeft getroffen, is een kwestie waar de gerechtsdeurwaarder buiten staat.
7. De beoordeling
7.1. Het hof is van oordeel dat de gerechtsdeurwaarder op goede gronden het CJIB heeft geadviseerd niet tot beslaglegging over te gaan. Mede gezien het feit dat klager maar voor de helft eigenaar was van het appartementsrecht behoefde de gerechtsdeurwaarder zich niet te verdiepen in de precieze achtergronden van de verschillende hypothecaire inschrijvingen met betrekking tot het appartementsrecht. De gerechtsdeurwaarder heeft voldaan aan zijn ministerieplicht ten opzichte van het CJIB. Het was vervolgens de beslissing van het CJIB om andere maatregelen jegens klager te treffen. De klacht is ongegrond.
7.2. Omdat het hof tot een ander oordeel is gekomen dan de kamer, kan de beslissing van de kamer niet in stand blijven.
7.3. Het herzieningsverzoek zal worden gepasseerd, omdat de zaak nu in volle omvang door het hof is behandeld.
7.4. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.
7.5. Dit leidt tot de volgende beslissing.
8. De beslissing
- vernietigt de beslissing van de kamer van 27 november 2007 en, opnieuw rechtdoende:
- verklaart de klacht ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, J.C.W. Rang en L.J. Saarloos en uitgesproken op dinsdag 16 september 2008 door de rolraadsheer.
Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam
Beschikking van 27 november 2007 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake het verzet in de zaak met nummer 434.2007 ingesteld door:
[ ],
tijdelijk verblijvende te [ ],
klager,
tegen:
[ ],
gerechtsdeurwaarder te [ ],
beklaagde.
1. Verloop van de procedure
Bij beschikking van 19 juni 2007 (zaaknummer 210.2007) heeft de voorzitter van de Kamer voor gerechtsdeurwaarders (hierna: de voorzitter) beslist op een door klager tegen (het kantoor van) beklaagde ingediende klacht. Bij brief van 5 juli 2007 is klager een afschrift van de beslissing van de voorzitter toegezonden. Op 10 juli 2007 heeft klager tegen de beslissing van de voorzitter verzet ingesteld. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 16 oktober 2007 alwaar klager en namens de gerechtsdeurwaarder [ ] zijn verschenen. Van de behandeling ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. De uitspraak is bepaald op 27 november 2007.
2. De gronden van het verzet
In verzet heeft klager samengevat aangevoerd dat de beslissing van de voorzitter niet juist is, omdat deze beslissing op de verkeerde gronden is gebaseerd.
3. De ontvankelijkheid van het verzet
Klager heeft het verzet tegen voormelde beslissing van de voorzitter ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat hij in zijn verzet kan worden ontvangen.
4. De beoordeling van de gronden van het verzet
4.1 Gebleken is dat de klacht beschouwd moet worden te zijn gericht tegen de gerechtsdeurwaarder en niet tegen zijn kantoor. In de aanhef van deze beschikking is daarmee reeds rekening gehouden.
4.2 Het onderzoek in verzet heeft naar het oordeel van de Kamer verder niet geleid tot vaststelling van andere feiten of omstandigheden en gevolgtrekkingen dan die vervat in de beslissing van de voorzitter, waarmee de Kamer zich verenigt. Het verzet is daarom ongegrond. Niet gebleken is dat de gerechtsdeurwaarder aan het [ ] een verkeerd advies heeft gegeven. Waarschijnlijk stond bij het kadaster nog vermeld dat een (ten onrechte niet doorgehaalde) hypotheek op de woning rustte. Ter zitting heeft klager echter meegedeeld dat de verkoopopbrengst van zijn woning niet voldoende was voor de aflossing van zijn schuld. Het advies van de gerechtsdeurwaarder dat beslaglegging niet lonend zou zijn, was dus juist.
4.3 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
BESLISSING:
De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:
verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. M.M. Beins, plaatsvervangend-voorzitter, en mr. G.H.I.J. Hage en mr. A.C.J.J.M. Seuren (plaatsvervangend) leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 november 2007 in tegenwoordigheid van de secretaris.
Coll.:
Ingevolge het bepaalde in artikel 39 lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet staat tegen deze beslissing geen rechtsmiddel open.