Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF2166

Datum uitspraak2008-09-24
Datum gepubliceerd2008-09-24
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200709146/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 3 januari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Venray (hierna: het college) [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de zonder bouwvergunning gebouwde carport na afloop van de gestelde begunstigingstermijn van het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) te verwijderen.


Uitspraak

200709146/1. Datum uitspraak: 24 september 2008 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak in zaak nr. 07/882 van de rechtbank Roermond van 15 november 2007 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Venray. 1. Procesverloop Bij besluit van 3 januari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Venray (hierna: het college) [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de zonder bouwvergunning gebouwde carport na afloop van de gestelde begunstigingstermijn van het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) te verwijderen. Bij besluit van 8 mei 2007 heeft het college het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 15 november 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 december 2007, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. [appellant] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij toegezonden. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 augustus 2008, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door M.H.J. Seelen, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. 2. Overwegingen  2.1. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning). 2.2. De inmiddels verwijderde carport had een hoogte van 3,70 m en was om die reden geen vergunningsvrij bouwwerk. 2.3. De carport is gebouwd zonder de vereiste bouwvergunning. Aangezien geen bouwvergunning is verleend, is gehandeld in strijd met artikel 40, eerste lid, van de Woningwet, zodat het college ter zake handhavend kon optreden. 2.4. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.  2.5. Ingevolge het ten tijde van het besluit van 3 januari 2007 ter plaatse geldende bestemmingsplan "Landweert" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Woonbuurtdoeleinden". Ingevolge artikel 1, onderdeel B, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, mag op gronden bestemd tot "Woonbuurtdoeleinden" uitsluitend worden gebouwd, overeenkomstig een deelplan dat rechtskracht heeft verkregen. 2.6. Op grond van het bestemmingsplan gold voor het perceel een bouwverbod. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat het ten tijde van het besluit van 3 januari 2007 vastgestelde maar nog niet goedgekeurde bestemmingsplan "Venray" geen concreet zicht op legalisatie biedt, omdat ingevolge dat bestemmingsplan de bouwhoogte van carports maximaal 3,00 m mag bedragen. Ter zitting is gebleken dat het bestemmingsplan op 27 maart 2007 was goedgekeurd, doch ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar nog niet in werking was getreden. 2.7. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het recht op handhavend optreden is verwerkt, omdat een toezichthouder van de gemeente de carport reeds tijdens de bouw in oktober 2002 heeft geconstateerd, terwijl het college [appellant] eerst per brief van 27 april 2006 heeft meegedeeld dat de carport in strijd met artikel 40 van de Woningwet is gebouwd.  2.7.1. Het betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 17 augustus 2005 in zaak nummer 200407537/1 is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig, dat het bevoegde bestuursorgaan ter zake mededelingen doet waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat toezichthouders op enig moment gedurende of na de bouw van de carport mededelingen hebben gedaan waaraan hij het gerechtvaardigde vertrouwen kon ontlenen dat niet handhavend zou worden opgetreden tegen de zonder bouwvergunning gebouwde carport. Uit het achterwege blijven van een nadere reactie op de dag van controle in oktober 2002 kon [appellant] niet afleiden dat de carport mocht blijven staan, nog daargelaten dat de toezichthouder tijdens die controle reeds zijn twijfels omtrent de hoogte van de carport had geuit, hetgeen [appellant] niet heeft betwist. Dat het college, ondanks het op de bouw gehouden toezicht, geen aanleiding heeft gevonden om na de controle van oktober 2002 onmiddellijk op te treden, brengt niet mee dat daarmee het rechtens te honoreren vertrouwen is gewekt dat tegen het bouwen zonder bouwvergunning niet zou worden opgetreden. Evenmin heeft het college daardoor het recht tot dergelijk optreden verwerkt. In dit verband komt aan de omstandigheid dat niet zou zijn gehandeld overeenkomstig de nota Programmatisch Handhaven van oktober 2002, wat daar van zij, niet de betekenis toe die [appellant] daaraan gehecht wil zien. Dat, naar ter zitting door het college is erkend, de communicatie met [appellant] niet optimaal is geweest, leidt niet tot een ander oordeel. Van belang is dat van de controles van 28 en 29 december 2005 een rapport is opgesteld. Op grond daarvan heeft het college besloten tot handhavend optreden.  2.7.2. [appellant] betoogt voorts tevergeefs dat het college op grond van handhavingsbeleid had moeten afzien van handhavend optreden. Voor zover hij zich daarbij beroept op provinciaal en rijksbeleid faalt zijn betoog reeds omdat voornoemd beleid niet afkomstig is van het college. Verder heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat het college heeft gehandeld in strijd met gemeentelijk beleid. 2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.  2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat. w.g. Wortmann  w.g. Lodder lid van de enkelvoudige kamer   ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2008 17-560.