
Jurisprudentie
BF2164
Datum uitspraak2008-09-24
Datum gepubliceerd2008-09-24
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200708001/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-24
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200708001/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Het algemeen bestuur van het waterschap Regge en Dinkel (hierna: het algemeen bestuur) heeft op 19 februari 2004, voor zover thans van belang, het inrichtingsplan De Doorbraak (hierna: het inrichtingsplan) vastgesteld.
Uitspraak
200708001/1.
Datum uitspraak: 24 september 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. [appellante sub 1 A], [appellante sub 1 B], [appellante sub 1 C], gevestigd respectievelijk wonend te [plaats],
2. het dagelijks bestuur van het Waterschap Regge en Dinkel,
3. het college van gedeputeerde staten van Overijssel,
4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],
5. [appellante sub 5], gevestigd te [plaats]
appellanten,
tegen de uitspraak in zaken nrs. 04/1385, 04/1423 en 04/1518 van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 9 oktober 2007 in de gedingen tussen:
appellanten sub 1, 4 en 5
en
appellant sub 3.
1. Procesverloop
Het algemeen bestuur van het waterschap Regge en Dinkel (hierna: het algemeen bestuur) heeft op 19 februari 2004, voor zover thans van belang, het inrichtingsplan De Doorbraak (hierna: het inrichtingsplan) vastgesteld.
Bij besluiten van 20 oktober 2004 heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) de door [appellante sub 1 A], [appellante sub 1 B], [appellante sub 1 C] (hierna: [appellanten sub 1]), [appellant sub 4] en [appellante sub 5] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 9 oktober 2007, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, de door [appellanten sub 1], [appellant sub 4] en [appellante sub 5] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, het besluit (lees: de besluiten) van 20 oktober 2004 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit (lees: nieuwe besluiten) op de bij hem ingestelde beroepen te nemen met inachtneming van de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 november 2007, het dagelijks bestuur van het waterschap Regge en Dinkel (hierna: het dagelijks bestuur) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 november 2007, het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 november 2007, [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 november 2007, en [appellante sub 5] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 november 2007, hoger beroep ingesteld. [appellanten sub 1] hebben hun hoger beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 december 2007. Het dagelijks bestuur heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 december 2007. Het college heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 december 2007.
[appellanten sub 1] en het college hebben een verweerschrift ingediend.
Het dagelijks (lees: algemeen) bestuur heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juli 2008, waar [appellanten sub 1], vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, vergezeld door [gemachtigden], het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. M. Guijs, ing. P.J. Damsté, en H.J.M. Lansink, allen ambtenaar in dienst van het waterschap, het college, vertegenwoordigd door mr. V.A. Textor, advocaat te Zwolle, en M. van Wensen, ambtenaar in dienst van de provincie en [appellant sub 4] in persoon zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 56, eerste lid, van de Waterschapswet is het waterschapsbestuur bevoegd tot regeling en bestuur ter behartiging van de taken die het waterschap in het reglement zijn opgedragen.
Ingevolge artikel 77 berust de in artikel 56 omschreven bevoegdheid tot regeling en bestuur bij het algemeen bestuur voor zover deze niet bij of krachtens reglement dan wel bij wet of bij algemene maatregel van bestuur is toegekend aan het dagelijks bestuur of aan de voorzitter.
Ingevolge artikel 148 zijn, buiten de bij de wet aangewezen besluiten, voor zover zulks bij reglement is bepaald, aan de goedkeuring van het college van gedeputeerde staten slechts onderworpen de besluiten van het waterschapsbestuur die betrekking hebben op de regeling van de waterbeheersing en de beslissingen van dat bestuur tot de aanleg en verbetering van waterstaatswerken door het waterschap.
Ingevolge artikel 153, eerste lid, aanhef en onder a, kunnen belanghebbenden administratief beroep instellen bij het college van gedeputeerde staten tegen de in artikel 148 bedoelde, niet aan goedkeuring van het college van gedeputeerde staten onderworpen, besluiten omtrent de regeling van de waterbeheersing of tot de aanleg of verbetering van waterstaatswerken.
Ingevolge artikel 25 van het Reglement van het Waterschap Regge en Dinkel, zoals dat gold ten tijde van belang, is de taak van het waterschap de waterstaatkundige verzorging van zijn gebied, voor zover deze taak niet aan andere publiekrechtelijke lichamen is opgedragen.
2.2. De Doorbraak is een nieuw aan te leggen waterloop in combinatie met een ecologische verbindingszone en zal de Loolee en de Azelerbeek koppelen aan de Eksosche Aa en de Midden Regge, waarbij grotendeels het tracé van bestaande watergangen wordt gevolgd. Met de aanleg van De Doorbraak worden drie doelen gediend: het vergoten van de veiligheid (vergroten afvoercapaciteit / ruimte voor water), het versterken van de natuur (ecologische verbindingszone) en het verbeteren van het watersysteem (versterken dynamiek en ecologisch functioneren). De Doorbraak wordt aangelegd volgens het zogenoemde beekmodel.
Hoger beroepen [appellanten sub 1], [appellant sub 4] en [appellante sub 5]
2.3. [appellanten sub 1], [appellant sub 4] en [appellante sub 5] (hierna samen: [appellanten 1, 4 en 5]) betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college hun vrees dat hun bedrijfsvoering zal worden belemmerd doordat de uitvoering van het inrichtingsplan tot een verdergaande natuurontwikkeling voert, terecht als ongegrond heeft afgedaan. Ter onderbouwing voeren zij aan dat vooral de eventuele toekomstige aanwezigheid in de omgeving van hun bedrijven van soorten die voorkomen op de zogenoemde Rode lijst van bedreigde dier- en plantensoorten, van invloed op de bedrijfsontwikkeling kan zijn.
2.3.1. Uit paragrafen 2.6.1 en 2.8.1 van de naar aanleiding van ingekomen zienswijzen op het ontwerpbesluit van het waterschap, het voorontwerp-bestemmingsplan en het verzoek tot vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voor De Doorbraak opgestelde reactienota van 7 januari 2004 volgt dat de aanleg van nieuwe natuur op dit moment niet leidt tot beperkingen, onder andere omdat, naar ook de rechtbank terecht heeft overwogen, De Doorbraak geen habitatrichtlijn-gebied is en ook de Wet Ammoniak en Veehouderij niet van toepassing is. De rechtbank heeft dan ook op goede gronden geoordeeld dat niet aannemelijk is gemaakt dat het inrichtingsplan door natuurontwikkeling tot reële bedrijfsbelemmering zal leiden, nog daargelaten welke consequenties daaraan zouden moeten worden verbonden. Het betoog faalt.
2.4. [appellanten 1, 4 en 5] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [appellanten 1, 4 en 5] onvoldoende hebben aangetoond dat door uitvoering van het inrichtingsplan de wateroverlast op hun gronden toeneemt en dat zij daardoor onevenredig worden benadeeld. Volgens [appellanten 1, 4 en 5] zijn de gevolgen van het inrichtingsplan voor de waterhuishouding wel degelijk significant. Daartoe wijzen ze op hun eigen ervaring als agrariërs en op de in hun opdracht opgestelde contra-expertise van ir. A.P. Bot, van 3 augustus 2006.
2.4.1. In opdracht van het waterschap is door TNO een onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van De Doorbraak voor de grondwaterhuishouding. Dit heeft geresulteerd in het rapport van 24 september 2003 "Effecten 'Doorbraak' op het grondwater", waarin onder meer (paragraaf 4.2) staat dat de effecten van De Doorbraak op de grondwaterstanden in de omgeving voor het beekmodel veel geringer zijn ten opzichte van het riviermodel. In het rapport (paragraaf 4.4) worden verder maatregelen voorgesteld om de verlaging van de grondwaterstanden op te heffen. Tot slot staat in het rapport dat de veranderingen van de grondwaterstand als gevolg van De Doorbraak niet direct een negatief effect hoeven te hebben op de omgeving. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 22 november 2006 in zaak nr. 200508127/1, geeft de door ir. A.P. Bot uitgevoerde contra-expertise geen aanleiding om te twijfelen aan de volledigheid en juistheid van het onderzoek van TNO, zodat aan de contra-expertise van ir. A.P. Bot niet de waarde kon worden gehecht die [appellanten 1, 4 en 5] daaraan gehecht willen zien. Aan de kennis en kundigheid van [appellanten 1, 4 en 5] kan evenmin de waarde worden gehecht die zij daaraan willen toekennen nu zij niet kunnen worden aangemerkt als onafhankelijke deskundigen. De rechtbank heeft dan ook terecht de bevindingen van TNO van doorslaggevend belang geacht en terecht en op goede gronden overwogen dat [appellanten sub 1] onvoldoende hebben aangetoond dat door uitvoering van het inrichtingsplan de wateroverlast op hun gronden toeneemt en dat zij daardoor onevenredig worden benadeeld.
2.5. [appellanten 1, 4 en 5] betogen dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat, mede gelet op de omvang van het project, voor het inrichtingsplan de plicht bestaat een milieueffectrapport (hierna: het MER) te maken.
2.5.1. Dit betoog is voor het eerst in hoger beroep naar voren gebracht. Nu het geen ambtshalve te beoordelen aspect betreft, kon en hoefde de rechtbank daar in de uitgevallen uitspraak niet op in te gaan en kan het ook in hoger beroep niet aan de orde komen. Het betoog faalt.
Hoger beroepen dagelijks bestuur en college
2.6. Het college en het dagelijks bestuur betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het er de schijn van heeft dat de grens van 75 meter niet als uitgangspunt maar als vaststaand gegeven is gehanteerd bij de dimensionering van het tracé en ook ter hoogte van de percelen van [appellanten 1, 4 en 5] om die reden geen enkele afweging is gemaakt over een mogelijk beperkter ruimtebeslag dan 75 meter. Volgens het college en het dagelijks bestuur heeft de rechtbank aldus niet onderkend dat bij het bepalen van de dimensionering rekening is gehouden met de aan De Doorbraak grenzende percelen.
2.6.1. Niet in geschil is dat als beleidsuitgangspunt geldt het tot stand brengen van een veilig en veerkrachtig watersysteem. Evenmin staat ter discussie dat, gelet daarop, een breedte van 75 meter voor De Doorbraak in redelijkheid als uitgangspunt kan gelden. Dat neemt niet weg dat per onderdeel van het tracé steeds op perceelsniveau een belangenafweging moet worden gemaakt, waarbij het algemeen belang bij een veilig en veerkrachtig watersysteem moet worden afgewogen tegen het individuele belang van de eigenaren van de aanliggende percelen bij behoud van hun perceel en de gebruiksmogelijkheden daarvan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft die belangenafweging niet plaatsgevonden.
2.6.2. Uit paragrafen 2.6.2 en 2.6.3 van de hiervoor reeds genoemde reactienota van 7 januari 2004, blijkt dat de belangen van agrariërs bij onbelemmerde voortzetting van hun bedrijfsvoering zijn betrokken bij de besluitvorming omtrent het inrichtingsplan en dat, indien compensatie niet mogelijk is, De Doorbraak ter hoogte van de desbetreffende specifieke situatie tijdelijk zal worden versmald. Gelet hierop heeft, anders dan de rechtbank heeft overwogen, wel degelijk een belangenafweging op perceelsniveau plaatsgevonden en is de grens van 75 meter niet als vaststaand gegeven gehanteerd. Het college heeft evenwel bij afweging van de betrokken belangen in de afzonderlijke gevallen in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan een veilig en veerkrachtig watersysteem. Het betoog slaagt.
2.7. De hoger beroepen van het dagelijks bestuur en het college zijn gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De hoger beroepen van [appellanten 1, 4 en 5] zijn ongegrond. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen van [appellanten 1, 4 en 5], tegen de besluiten van 20 oktober 2004 van het college alsnog ongegrond verklaren.
2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
2.9. Redelijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan het dagelijks bestuur wordt terugbetaald.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart de hoger beroepen van het dagelijks bestuur en het college gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 9 oktober 2007 in zaken nrs. 04/1385, 04/1423 en 04/1518;
III. verklaart de door [appellanten sub 1], [appellant sub 4] en [appellante sub 5] bij de rechtbank ingestelde beroepen ongegrond;
IV. gelast dat de secretaris van de Raad van State aan het dagelijks bestuur het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrag van € 428,00 (zegge: vierhonderdachtentwintig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. K.J.M. Mortelmans, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.
w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Bindels
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2008
85-502.