
Jurisprudentie
BF2159
Datum uitspraak2008-09-24
Datum gepubliceerd2008-09-24
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200708404/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-24
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200708404/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 22 november 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Overbetuwe (hierna: het college) een verzoek van [appellant] om het toekennen van een schadevergoeding afgewezen.
Uitspraak
200708404/1.
Datum uitspraak: 24 september 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], gevestigd te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 23 oktober 2007 in zaak nr. 07/355 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Overbetuwe.
1. Procesverloop
Bij besluit van 22 november 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Overbetuwe (hierna: het college) een verzoek van [appellant] om het toekennen van een schadevergoeding afgewezen.
Bij besluit van 28 november 2006 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 23 oktober 2007, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief bij de Raad van State ingekomen op 3 december 2007, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend. Dit is aan het college toegezonden.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 september 2008, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door drs. M. van de Zandschulp en mr. M. Wasser, beiden werkzaam bij de gemeente Overbetuwe, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Bij besluiten van respectievelijk 29 juni 2001 en 9 oktober 2001 heeft het college geweigerd met toepassing van artikel 32, eerste lid, onderscheidenlijk 31, vierde lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan Buitengebied 1998 vrijstelling te verlenen voor de vestiging van de bedrijven Landex en Transpose op het perceel Valburgsestraat 12 te Slijk-Ewijk (hierna: het perceel).
Het college heeft deze besluiten naar aanleiding van de door [appellant] daartegen gemaakte bezwaren bij besluiten van 19 maart 2002 en 16 juli 2002 onder verbetering van de motivering gehandhaafd.
De rechtbank heeft de daartegen door [appellant] ingestelde beroepen bij uitspraken van 10 juni 2003 ongegrond verklaard.
Bij besluiten van 10 februari 2004 heeft het college zijn besluiten op bezwaar in die zin gewijzigd dat ook geweigerd werd om op grond van artikel 32, eerste lid, en artikel 33 van voormelde voorschriften vrijstelling te verlenen respectievelijk de bestemming te wijzigen voor de vestiging van de bedrijven Landex en Transpose.
Bij uitspraken van 19 mei 2004 (zaak nrs. 200304561/1 en 200304563/1) heeft de Afdeling voormelde uitspraken van de rechtbank gedeeltelijk vernietigd, de besluiten op bezwaar vernietigd voor zover daarbij de bezwaren tegen het niet nemen van een beslissing op het verzoek om vrijstelling ingevolge artikel 31, vierde lid, onderscheidenlijk artikel 32, eerste lid, van voormelde voorschriften alsmede tegen het niet nemen van een beslissing op het verzoek om wijziging van de bestemming ingevolge artikel 33 van die voorschriften ongegrond zijn verklaard en de aangevallen uitspraak voor het overige bevestigd.
De beroepen tegen de besluiten van 10 februari 2004 heeft de Afdeling ongegrond verklaard.
Bij besluiten van 29 juni 2004 heeft de raad van de gemeente Overbetuwe besloten geen medewerking te verlenen aan de vestiging van Landex en Transpose op het perceel en hiervoor geen procedure op grond van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening of een bestemmingsplanherziening te entameren.
2.2. [appellant] heeft het college verzocht om het toekennen van een schadevergoeding van € 398.238,00. Aan dit verzoek heeft [appellant] ten grondslag gelegd dat het college hem vanaf de indiening van de verzoeken om vrijstelling op 1 mei 2001 respectievelijk 17 september 2001, tot 10 februari 2004 in het ongewisse heeft gelaten of de bedrijven Landex en Transpose op het perceel konden worden gevestigd. Daarmee heeft het college volgens [appellant] onrechtmatig gehandeld welke onrechtmatigheid op grond van de uitspraken van de Afdeling vaststaat.
2.3. De rechtbank heeft overwogen dat de Afdeling in haar voormelde uitspraken van 19 mei 2004 heeft geoordeeld dat het college de verzoeken om vrijstelling dan wel wijziging van de bestemming op materiële gronden terecht heeft geweigerd. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen voormelde raadsbesluiten van 29 juni 2004, zodat van de rechtmatigheid van die besluiten moet worden uitgegaan. Van een aan het college toerekenbaar onrechtmatig handelen of nalaten is volgens de rechtbank dan ook geen sprake, zodat er geen grond bestaat voor vergoeding van schade uit onrechtmatige overheidsdaad. Voor vergoeding van de door [appellant] gestelde schade vanwege rechtmatige overheidsdaad bestaat naar het oordeel van de rechtbank evenmin grond, nu die schade voor een deel dateert van voor het nemen van besluiten op de vrijstellingsverzoeken en voor het overige deel niet in een oorzakelijk verband staat tot de weigeringsbesluiten van het college.
2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank dit één en ander ten onrechte heeft overwogen en voert daartoe, samengevat weergegeven, aan dat er wel oorzakelijk verband bestaat tussen de schade en de onrechtmatig geoordeelde besluiten en dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de schade die zij heeft geleden vanwege de bevoordeling door het college van het bedrijf Dieba/Diekoel.
2.4.1. Op grond van voormelde uitspraken van de Afdeling van 19 mei 2004 staat de gedeeltelijke onrechtmatigheid van de besluiten van het college van 19 maart 2002 en 16 juli 2002 vast. Die onrechtmatigheid heeft [appellant] aan haar verzoek om schadevergoeding ten grondslag gelegd en het college heeft op die grondslag een besluit genomen dat in bezwaar is heroverwogen. De door [appellant] gestelde schade vanwege de bevoordeling door het college van het bedrijf Dieba/Diekoel door aan die firma wel vrijstelling krachtens artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening te verlenen, valt buiten het aldus afgebakende geschil, zodat de rechtbank op die stelling terecht niet is ingegaan.
Anders evenwel dan de rechtbank heeft overwogen, is de door de Afdeling vastgestelde gedeeltelijke onrechtmatigheid van de besluiten van 19 maart 2002 en 16 juli 2002 niet weggenomen met de besluiten van 10 februari 2004 die in dezelfde uitspraken van de Afdeling wel in stand zijn gebleven. Nu bovendien het verzoek van [appellant] is gestoeld op die gedeeltelijke onrechtmatigheid en niet op schade vanwege een rechtmatig besluit van het college, heeft de rechtbank ten onrechte aanleiding gezien te beoordelen of grond bestond voor vergoeding van schade vanwege een rechtmatig besluit van het college. Dit leidt evenwel niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Daartoe overweegt de Afdeling als volgt.
2.4.2. De door [appellant] gestelde schade bestaat uit makelaarskosten, waardevermindering, renteverliezen en advertentiekosten. Het deel van de schade dat bestaat uit kosten gemaakt in het kader van het beroep en het hoger beroep tegen de besluiten tot weigering van vrijstelling, komt niet voor vergoeding in aanmerking nu de Afdeling daarover reeds heeft beslist bij de uitspraken van 19 mei 2004 en daartoe ingevolge artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bij uitsluiting bevoegd was. Het deel van de schade dat dateert van vóór de verzoeken om vrijstelling dan wel van vóór de besluiten op die verzoeken, staat niet in oorzakelijk verband tot voormelde gedeeltelijk onrechtmatige besluiten en komt reeds daarom niet voor vergoeding in aanmerking. Ook overigens ontbreekt dit oorzakelijk verband. In voormelde uitspraken van de Afdeling van 19 mei 2004 zijn de besluiten op de bezwaren tegen de weigering vrijstelling te verlenen op grond van artikel 32, eerste lid, onderscheidenlijk 31, vierde lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan Buitengebied 1998 in stand gebleven. Gemaakte kosten voor verdere onderhandelingen met kandidaat-kopers zijn dan ook niet veroorzaakt door de gedeeltelijk onrechtmatig geoordeelde besluiten van 19 maart 2002 en 16 juli 2002.
De gestelde waarde- en renteverliezen zijn daar evenmin door veroorzaakt.
Beweerdelijk geleden schade vanwege handelen of nalaten van een wethouder en een ambtenaar van de gemeente Overbetuwe, kan in deze procedure en ook overigens in een procedure bij de bestuursrechter niet aan de orde komen. De rechtbank heeft het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding dan ook terecht, zij het op onjuiste gronden afgewezen. Het betoog faalt.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, met verbetering van de gronden waarop deze berust.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek en mr. O. De Savornin Lohman, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Rop, ambtenaar van Staat.
w.g. Drupsteen w.g. Rop
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2008
417.