Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF2156

Datum uitspraak2008-09-24
Datum gepubliceerd2008-09-24
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200800795/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 2 januari 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar (hierna: het college van burgemeester en wethouders) bij besluit van 2 oktober 2007 vastgestelde uitwerkingsplan "De Nollen Oost" (hierna: het uitwerkingsplan).


Uitspraak

200800795/1. Datum uitspraak: 24 september 2008 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant], wonend te [woonplaats], en het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 2 januari 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar (hierna: het college van burgemeester en wethouders) bij besluit van 2 oktober 2007 vastgestelde uitwerkingsplan "De Nollen Oost" (hierna: het uitwerkingsplan). Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 februari 2008, beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft het college van burgemeester en wethouders een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Deze is aan de andere partijen toegezonden. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 september 2008, waar [appellant] in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.H.J. van Riessen, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan moet worden uitgewerkt volgens bij het plan te geven regelen. Bij het besluit over de goedkeuring van het uitwerkingsplan dient het college te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven uitwerkingsregelen is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de WRO gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op het college de taak te onderzoeken of het plan binnen de bij het bestemmingsplan gegeven regelen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht. 2.2. Het uitwerkingsplan strekt tot uitwerking van de bestemming "Uit te werken woongebied" die bij het bestemmingsplan "De Nollen 1999" (hierna: het bestemmingsplan) is gegeven aan een terrein, gelegen ten oosten van de Herenweg. Het uitwerkingsplan voorziet in de bouw van 254 woningen. 2.3. [appellant] voert aan dat hij door het college ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze mondeling toe te lichten. Weliswaar is hij door het college van burgemeester en wethouders in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze toe te lichten tijdens een hoorzitting, maar in de verslaglegging van de hoorzitting is zijn zienswijze naar zijn mening niet geheel correct weergegeven. 2.3.1. De Afdeling stelt voorop dat artikel 11 van de WRO, noch enig ander wettelijk voorschrift voorziet in een hoorplicht voor het college. Een hoorplicht kan alleen worden aangenomen, indien bijzondere omstandigheden daartoe, uit oogpunt van zorgvuldige besluitvorming, aanleiding geven. In dit geval is van belang dat [appellant] in overeenstemming met artikel 20.4 van de voorschriften van het bestemmingsplan naar aanleiding van zijn zienswijze is gehoord door het college van burgemeester en wethouders. In dit geval bestaat geen grond voor het oordeel dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld door [appellant] niet te horen. Weliswaar is door hem nog aangevoerd dat zijn zienswijze niet geheel correct is weergegeven in de verslaglegging van de hoorzitting, maar de gestelde onjuiste weergave heeft geen betrekking op de essentie van zijn betoog en gesteld noch gebleken is dat het college bij de beoordeling van het uitwerkingsplan door het gestelde gebrek de belangen van [appellant] onvoldoende heeft kunnen betrekken. 2.4. [appellant] stelt verder dat de in het uitwerkingsplan opgenomen ontsluiting via de Herenweg - waar hij woont - leidt tot een nog verdere overschrijding van het door het gemeentebestuur toegezegde maximum aantal motorvoertuigen per etmaal op die weg. Het uitwerkingsplan heeft tot gevolg dat de verkeersdrukte en verkeersonveiligheid blijven voortbestaan en bovendien zullen toenemen door de woningbouw. Naar zijn mening had de ontsluiting van de woonwijk op een andere plaats, door middel van een nieuw op te zetten infrastructuur gerealiseerd moeten worden. 2.4.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het uitwerkingsplan voldoet aan de uitwerkingsregels die in het bestemmingsplan zijn vastgesteld. Voorts heeft het college ingestemd met het standpunt van het college van burgemeester en wethouders met betrekking tot de ingebrachte zienswijze, inhoudende dat voor de Herenweg het toegezegde maximum aantal motorvoertuigen per etmaal onveranderd blijft gelden. 2.4.2. In artikel 6.2, onder c, van de voorschriften van het bestemmingsplan is bepaald dat de woonwijk ten aanzien van het gemotoriseerde verkeer ontsloten wordt door middel van de op de plankaart aangegeven ontsluitingspunten en ten aanzien van het langzaam-verkeer door middel van de op de kaart aangegeven langzaam-verkeersroutes. Ingevolge artikel 6.3 van de voorschriften van het bestemmingsplan, voor zover hier van belang, werkt het college van burgemeester en wethouders de bestemming "Uit te werken woongebied" uit met inachtneming van de in artikel 6.2 neergelegde beschrijving in hoofdlijnen. 2.4.3. Op de bij het bestemmingsplan behorende plankaart zijn twee ontsluitingspunten vastgelegd die betrekking hebben op het door het uitwerkingsplan bestreken gebied. Beide punten voorzien in een ontsluiting van het uit te werken gebied op de Herenweg. Bij het uitwerkingsplan is voor wat betreft gemotoriseerd verkeer voorzien in ontsluiting via twee daarvoor aangewezen wegen, welke beide aansluiten op de Herenweg. Blijkens de plankaart van het uitwerkingsplan bevinden de ontsluitingen zich ter plaatse van de voornoemde ontsluitingspunten. 2.4.4. De Afdeling overweegt dat aan een in een bestemmingsplan vervatte uitwerkingsplicht gevolg dient te worden gegeven, waarbij de uitwerkingsregels dienen te worden toegepast. Slechts bijzondere omstandigheden kunnen ertoe leiden dat aan deze verplichting kan worden voorbijgegaan. Het voorgaande brengt met zich dat door het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan de aanvaardbaarheid van de bestemming "Uit te werken woongebied" met inbegrip van de voorziene ontsluitingspunten in beginsel als een gegeven moeten worden beschouwd. In dit geval betekent dit, dat de inrichting van het plangebied als woongebied en de wijze van ontsluiting van dit woongebied een gegeven is. De uitwerkingsregels laten, gezien het bindende karakter van de bewoordingen van artikel 6.2, onder c, van de voorschriften van het bestemmingsplan, het college van burgemeester en wethouders geen ruimte om de ontsluiting in het uitwerkingsplan op een andere manier vorm te geven. Gelet hierop was het college van burgemeester en wethouders gehouden de ontsluiting overeenkomstig de in het bestemmingsplan gegeven wijze vast te stellen. Het beroep van [appellant] strekt tot het wederom beoordelen van de aanvaardbaarheid van de ontsluiting. Deze aanvaardbaarheid was reeds bij het onherroepelijke bestemmingsplan beoordeeld en kan in beginsel bij het uitwerkingsplan niet opnieuw ter discussie staan. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die aanleiding hadden moeten geven hierop een uitzondering te maken. 2.5. De conclusie is dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het uitwerkingsplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond. 2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat. w.g. Van Buuren w.g. Matulewicz lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2008 45-586.