
Jurisprudentie
BF2149
Datum uitspraak2008-09-24
Datum gepubliceerd2008-09-24
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200800580/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-24
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200800580/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 15 januari 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) een verzoek van [appellant] om schadevergoeding afgewezen.
Uitspraak
200800580/1.
Datum uitspraak: 24 september 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te [woonplaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 15 januari 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) een verzoek van [appellant] om schadevergoeding afgewezen.
Bij besluit van 14 augustus 2007 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, aldaar ingekomen op 25 september 2007, beroep ingesteld bij de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank). De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 19 oktober 2007.
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 januari 2008, heeft de rechtbank het beroep doorgezonden naar de Afdeling.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend. Dit is aan het college toegezonden.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 september 2008, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. J.A.J.M. van Houtum, en het college, vertegenwoordigd door E. Oranje en A.J. Vos, beiden werkzaam bij de provincie Noord-Brabant, zijn verschenen. Voorts is het college van burgemeester en wethouders van Bladel, vertegenwoordigd door P.A.M. Stappaerts, daar gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Bij besluit van 6 juli 1999 heeft het college goedkeuring onthouden aan het deel van het bestemmingsplan "Buitengebied gemeente Bladel 1998" dat voorzag in een agrarisch bouwblok op de gronden van [appellant] aan [locatie] te [plaats].
Bij uitspraak van 15 juni 2001 heeft de Afdeling dat besluit in zoverre vernietigd en alsnog goedkeuring verleend aan dat plandeel.
[appellant] heeft het college verzocht om vergoeding van de schade die hij stelt te hebben geleden doordat de oprichting van een voorgenomen varkenshouderij geen doorgang heeft kunnen vinden.
Het college heeft dit verzoek afgewezen wegens het ontbreken van causaal verband.
2.2. [appellant] betoogt dat het college zijn verzoek om schadevergoeding ten onrechte heeft afgewezen. Hij voert aan dat causaal verband bestaat tussen de onrechtmatig geoordeelde onthouding van goedkeuring en de schade omdat door het tijdsverloop een aangevraagde revisievergunning wel is verleend maar op grond van gewijzigde jurisprudentie door de Afdeling op 2 oktober 2002 is vernietigd en de oorspronkelijke milieuvergunning inmiddels was vervallen.
2.2.1. Het betoog faalt. Vast staat dat [appellant] geen gebruik kon maken van de aan hem op 8 december 1998 verleende milieuvergunning voor de oprichting van een varkenshouderij, aangezien de in die vergunning voorziene inrichting te groot in omvang was voor het in voormeld bestemmingsplan opgenomen agrarisch bouwblok. De omvang van dat agrarisch bouwblok was al opgenomen in het ontwerp bestemmingsplan dat op 21 september 1998 ter inzage is gelegd. [appellant] heeft echter eerst een revisievergunning aangevraagd teneinde, voor zover thans van belang, de milieuvergunning en de omvang van het agrarisch bouwblok met elkaar in overeenstemming te brengen, nadat de Afdeling alsnog goedkeuring verleende aan het agrarisch bouwblok. Dat die vergunning vervolgens niet in stand is gebleven vanwege een wijziging in de jurisprudentie van de Afdeling en de oorspronkelijke vergunning reeds was verlopen, is geen gevolg van de in voormelde uitspraak van 15 juni 2001 onrechtmatig geoordeelde onthouding van goedkeuring van het college, maar van zijn keuze om eerst na die uitspraak een revisievergunning aan te vragen. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat causaal verband tussen de gestelde schade en het onrechtmatig geoordeelde besluit tot onthouding van goedkeuring ontbreekt.
2.3. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep is ongegrond.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek en mr. O. de Savornin Lohman, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Rop, ambtenaar van Staat.
w.g. Drupsteen w.g. Rop
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2008
417.