
Jurisprudentie
BF2144
Datum uitspraak2008-09-24
Datum gepubliceerd2008-09-24
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200706270/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-24
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200706270/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 13 juli 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) aan [appellante sub 1] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor het extractief reinigen, sorteren en scheiden en/of op- en overslaan van afvalstoffen, (verontreinigde) gronden, bouwstoffen en overige materialen. Dit besluit is op 23 juli 2007 ter inzage gelegd.
Uitspraak
200706270/1.
Datum uitspraak: 24 september 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellante sub 1], gevestigd te [plaats],
2. [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],
3. [appellanten sub 3], wonend te [woonplaats],
appellanten,
en
het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 13 juli 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) aan [appellante sub 1] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor het extractief reinigen, sorteren en scheiden en/of op- en overslaan van afvalstoffen, (verontreinigde) gronden, bouwstoffen en overige materialen. Dit besluit is op 23 juli 2007 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 augustus 2007, [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 september 2007, en [appellanten sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 september 2007, beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. [appellanten sub 3], [appellante sub 1] en het college hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juli 2008, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door L.L. Riemens en ir. S.J. Dijkmans, en het college, vertegenwoordigd door P.P.G. Wintjes, werkzaam bij de provincie, en ing. S.M. Hessing, zijn verschenen.
2. Overwegingen
Ingetrokken beroepsgronden
2.1. Ter zitting heeft [appellante sub 1] de beroepsgronden, waarin zij stelt zich niet te kunnen verenigen met de voorschriften 4.1.1, 4.2.1 tot en met 4.2.6, 5.2.7, 5.3.6, 5.3.7, 6.1.3, 6.3.8, 12.9.1 en 13.2.7, ingetrokken. De beroepsgrond, dat ten onrechte geen extra voorschrift aan de vergunning is verbonden waarin is bepaald dat de in vergunningvoorschrift 4.1.1 gestelde geluidgrenswaarden maximaal twaalf keer per jaar gedurende drie uur mogen worden overschreden, heeft zij ook ingetrokken, evenals de beroepsgrond dat het college ten onrechte middelvoorschriften heeft gesteld in het belang van de bescherming van de bodem. Verder heeft zij de beroepsgronden, dat het college voor de definities van enkele in de voorschriften genoemde woorden ten onrechte geen aansluiting heeft gezocht bij de NEN 5880:2006 en dat in bijlage 1 bij de verleende vergunning ten onrechte een arcering is opgenomen die verwijst naar gezoneerd terrein, ingetrokken. Tot slot heeft [appellante sub 1] aangegeven geen bezwaren meer te hebben tegen vergunningvoorschrift 5.5.6, nu het college heeft verklaard dat het in dit voorschrift vereiste bodemonderzoek niet inhoudt dat de aanwezige HDPE-folie moet worden doorboord.
Ontvankelijkheid
2.2. Uit artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht vloeit voort dat in beroep slechts categorieën milieugevolgen als besluitonderdelen aan de orde kunnen worden gesteld waarover een zienswijze naar voren is gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van een zienswijze appellant redelijkerwijs niet kan worden verweten.
[appellanten sub 3] en [appellanten sub 2] hebben geen zienswijze naar voren gebracht over stankhinder. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat hun dat redelijkerwijs niet kan worden verweten. Uit het vorenstaande volgt dat de beroepen van [appellanten sub 3] en van [appellanten sub 2], voor zover deze betrekking hebben op stankhinder, niet-ontvankelijk zijn.
Algemeen beoordelingskader
2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.
Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.
Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.
2.4. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Regeling aanwijzing BBT-documenten (hierna: de Regeling BBT) worden, voor zover hier van belang, als documenten waarmee het bevoegd gezag bij de bepaling van de voor de inrichting of lozing in aanmerking komende beste beschikbare technieken rekening houdt, aangewezen de documenten, vermeld in de tabellen 1 en 2, die zijn opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage. In tabel 1 van deze bijlage wordt onder meer verwezen naar de BREF Op- en overslag van bulkgoederen. In tabel 2 van deze bijlage wordt onder meer verwezen naar de Nederlandse emissierichtlijn lucht (InfoMil 2006; hierna: de NeR).
Beoordelingskaders beste beschikbare technieken
2.5. [appellante sub 1] betoogt dat het college bij de beoordeling of wordt voldaan aan het vereiste dat de beste beschikbare technieken worden toegepast ten onrechte een aantal concept-BREF-documenten als maatstaf heeft genomen.
2.5.1. Het college heeft zich, anders dan [appellante sub 1] meent, bij het nemen van het besluit niet gebaseerd op concept BREF-documenten, maar op de - op dat moment definitieve - BREF-documenten Afvalverwerking, Op- en overslag van bulkgoederen en Afgas- en afvalwaterbehandeling. De desbetreffende beroepsgrond mist feitelijke grondslag.
Stofhinder
2.6. [appellanten sub 3] en [appellanten sub 2] betogen dat de staat van onderhoud van het bij de inrichting behorende reinigingsgebouw en de loods waarin het afval wordt gesorteerd zodanig is dat wat betreft stofhinder niet wordt voldaan aan het vereiste dat de beste beschikbare technieken worden toegepast. Hiertoe voeren zij aan dat in deze gebouwen delen van de dak- dan wel wandbeplating ontbreken en geen roldeuren zijn geplaatst, waardoor de gebouwen niet kunnen worden afgesloten. Volgens [appellanten sub 2] bieden de aan de vergunning verbonden voorschriften voorts onvoldoende bescherming tegen het overwaaien van stof.
2.6.1. De Afdeling is van oordeel dat de aan de vergunning ten grondslag liggende aanvraag zo moet worden opgevat, dat de bij de inrichting behorende gebouwen in een goede staat verkeren. Dat hiervoor zorg moet worden gedragen blijkt voorts uit vergunningvoorschrift 1.2.4, waarin onder meer is bepaald dat de inrichting in goede staat van onderhoud moet verkeren. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het college ervan heeft kunnen uitgaan dat de staat van de gebouwen, zoals deze is aangevraagd en vergund, voldoet aan de beste beschikbare technieken.
De beroepsgrond faalt in zoverre.
2.6.2. Volgens het college wordt met de in de aanvraag beschreven maatregelen en de aan de vergunning verbonden voorschriften aangesloten bij de in de NeR en de BREF Op- en overslag van bulkgoederen omschreven maatregelen, waarnaar in de Regeling BBT is verwezen, en dienen deze maatregelen te worden aangemerkt als de beste beschikbare technieken ter bescherming tegen stofhinder. De Afdeling is van oordeel dat het college zich in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat het college niet heeft kunnen oordelen dat de vergunning en de daaraan verbonden voorschriften de stofhinder voldoende beperken.
De beroepsgrond faalt ook in zoverre.
Geluidonderzoek
2.7. [appellanten sub 2] voeren aan dat ten onrechte is volstaan met een berekening van de vanwege de inrichting te verwachten geluidbelasting. Volgens hen had in plaats daarvan een meting moeten worden verricht. Verder betwijfelen zij of het bij de aanvraag om vergunning behorende geluidrapport juist is, omdat daarin geen rekening is gehouden met de geluidbelasting van hun achtergevel door reflectie van geluid op de achter hun woning gelegen loods aan de [locatie 1] en omdat op een daarbij behorende tekening immissiepunt f niet correct is weergegeven.
2.7.1. Het college heeft er in het verweerschrift naar het oordeel van de Afdeling terecht op gewezen dat het niet mogelijk is om de geluidbelasting van de inrichting waarvoor vergunning is gevraagd te meten, omdat de inrichting in die omvang feitelijk nog niet aanwezig is. Verder is het in het kader van de vergunningverlening naar het oordeel van de Afdeling aanvaardbaar om - zoals in het geluidrapport is gedaan - de door de inrichting veroorzaakte geluidbelasting van de meest belaste gevel van een woning te berekenen. Dat is niet de achtergevel van de woning van [appellanten sub 2]. Een nader onderzoek naar de op de achtergevel optredende geluidbelasting kon dus achterwege blijven. Wat het immissiepunt f (de woning [locatie 2] van [appellanten sub 2]) betreft heeft het college gesteld dat dit punt weliswaar op de tekening niet juist is weergegeven, maar dat de geluidbelasting op de woning wel correct is berekend. Dit standpunt wordt in het deskundigenbericht onderschreven. Gelet hierop gaat de Afdeling ervan uit dat de in het geluidrapport bij de woning [locatie 2] optredende geluidbelasting, ondanks de verkeerde aanduiding van immissiepunt f, juist is berekend.
De beroepsgronden falen.
2.8. [appellanten sub 3] voeren aan dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de geluidbelasting ter plaatse van hun woning aan de [locatie 3].
Het college wijst er in het verweerschrift op dat onderzoek is gedaan naar de geluidbelasting bij de dichtstbijzijnde woningen aan de [locaties 4]. Aangezien de woning aan de [locatie 3] verder weg ligt, mag er volgens het college van worden uitgegaan dat ter plaatse van deze woning een lagere geluidbelasting zal optreden dan bij de dichtstbijzijnde woningen. Het was voor het verlenen van de vergunning volgens het college daarom niet nodig om onderzoek te doen naar de geluidbelasting bij deze woning. Dit standpunt acht de Afdeling juist.
De beroepsgrond faalt.
Geluidnormering
2.9. [appellanten sub 3] en [appellanten sub 2] voeren aan, zo begrijpt de Afdeling het beroep, dat bij hun woningen aan de [locatie 3] en [locatie 2] een te hoog geluidniveau zal optreden.
2.9.1. Het college heeft voor de beoordeling van het aspect geluid hoofdstuk 4 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Handreiking industrielawaai) tot uitgangspunt genomen. In hoofdstuk 4 wordt, voor zover hier van belang, aanbevolen om de richtwaarden voor woonomgevingen te hanteren. Overschrijding van de richtwaarden is mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid.
De omgeving van de inrichting is "landelijk gebied" als bedoeld in de Handreiking industrielawaai, waarbij richtwaarden van 40, 35 en 30 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode horen. Het college heeft op basis van geluidonderzoeken, neergelegd in het rapport 03-248-G-V van 8 december 2003 van Bureau Milieumetingen van de provincie Noord-Brabant, geconcludeerd dat het referentieniveau van het omgevingsgeluid ter plaatse van de [locatie 3 en 2] in de dag-, avond- en nachtperiode onderscheidenlijk 51, 46 en 41 dB(A) bedraagt. [appellanten sub 2] en [appellanten sub 3] hebben de juistheid van deze waarden niet betwist.
2.9.2. Uit het deskundigenbericht kan worden afgeleid dat het door de inrichting veroorzaakte geluidniveau voor de dag-, avond- en nachtperiode bij de woningen aan de [locatie 3 en 2] lager is dan het referentieniveau van het omgevingsgeluid, genoemd in rechtsoverweging 2.9.1. Het college heeft gelet hierop in redelijkheid kunnen concluderen dat de geluidbelasting bij genoemde woningen voldoende is beperkt.
Deze beroepsgrond faalt.
2.10. [appellanten sub 3] betogen dat, zo begrijpt de Afdeling, de in hoofdstuk 4 van bijlage 2 bij het besluit opgenomen vergunningvoorschriften onvoldoende bescherming bieden tegen geluidhinder, nu hierin niet is opgenomen dat de geluidbronnen periodiek gecontroleerd dienen te worden op het geluidniveau dat zij voortbrengen. Volgens [appellanten sub 3] zijn deze controles nodig omdat het geluidniveau kan stijgen door intensief gebruik.
[appellanten sub 3] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de door hen gewenste controles nodig zijn om te waarborgen dat aan de door het college gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan. Er bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat de geluidvoorschriften in zoverre onvoldoende bescherming bieden.
Deze beroepsgrond faalt.
2.11. [appellanten sub 3] betogen verder, zo begrijpt de Afdeling hun beroep, dat de in vergunningvoorschrift 4.1.2 gestelde geluidgrenswaarden voor het maximale geluidniveau ter plaatse van woningen van derden en andere geluidgevoelige bestemmingen zullen worden overtreden.
Deze beroepsgrond faalt reeds omdat deze ziet op naleving van de verleende vergunning en niet op de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
Voorzeefinstallatie
2.12. [appellante sub 1] kan zich niet verenigen met de vergunningvoorschriften met betrekking tot de voorzeefinstallatie. Volgens haar heeft het college ten onrechte met toepassing van de Handreiking mobiel reinigen, opslag en transport van asbesthoudende bulkmaterialen (hierna: de Handreiking asbesthoudende bulkmaterialen) in deze voorschriften opgenomen dat in verband met de mogelijke emissie van asbest de installatie inpandig moet worden geplaatst, dat de lucht moet worden afgezogen en dat deze afgezogen lucht door een filterende afscheider moet worden geleid. In de inrichting wordt immers, zo betoogt [appellante sub 1], het zogenoemde verwaarloosbaar risico-niveau (hierna: het VR-niveau) voor asbest niet overschreden. Het treffen van maatregelen is daarom niet nodig. Bovendien zal volgens haar de zogenoemde emissievracht niet worden overschreden, zodat het op grond van de NeR niet nodig is om emissiegrenswaarden te stellen.
[appellanten sub 3] betogen daarentegen dat de vergunningvoorschriften onvoldoende bescherming bieden ter voorkoming van overlast door asbest en daarom het scheiden van asbest in de voorzeef inpandig dient plaats te vinden.
2.12.1. In vergunningvoorschrift 2.1.1 heeft het college emissiegrenswaarden voor gekanaliseerde emissies naar de lucht van stof, afkomstig van de voorzeefinstallatie, gesteld. In vergunningvoorschrift 2.1.2 heeft het college als doel gesteld dat op de grens van de inrichting de asbestconcentratie in de buitenlucht, als gevolg van de activiteiten in de inrichting, niet meer bedraagt dan het VR-niveau. In voorschrift 2.2.1 is bepaald dat binnen zes maanden na het in werking treden van de vergunning de voorzeefinstallatie in een ruimte moet worden geplaatst die is voorzien van een afzuiging, en dat de afgezogen lucht door een filterende afscheider moet worden gevoerd.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het redelijk is om te eisen dat de voorzeefinstallatie inpandig wordt geplaatst en de lucht wordt afgezogen en gefilterd omdat de verleende vergunning ruimte biedt meer asbesthoudend materiaal te verwerken dan voorheen was vergund. Daardoor bestaat volgens het college de mogelijkheid dat de asbestconcentratie in de lucht toeneemt en het VR-niveau wordt overschreden. Bovendien worden deze maatregelen in de Handreiking asbesthoudende bulkmaterialen voorgeschreven, aldus het college.
2.12.2. [appellante sub 1] heeft dit standpunt betwist. Zij heeft bij de aanvraag een berekening gevoegd waaruit blijkt dat het VR-niveau in een worst-case situatie, waarbij de totale gevraagde en vergunde bewerkingscapaciteit van de voorzeefinstallatie zou worden ingezet voor de verwerking van asbesthoudende grond, in de omgeving van de installatie al niet wordt overschreden. Gelet hierop is volgens [appellante sub 1] uitgesloten dat op de grens van de inrichting het VR-niveau zal worden overschreden.
Het college heeft niet aangegeven om welke reden de door [appellante sub 1] gemaakte berekening onjuist zou zijn. Mede gezien deze berekening moet het er naar het oordeel van de Afdeling voor worden gehouden dat [appellante sub 1] terecht stelt dat zelfs wanneer in de voorzeefinstallatie uitsluitend asbesthoudende grond zou worden verwerkt, het VR-niveau op de grens van de inrichting niet wordt overschreden. Nu hiermee wordt voldaan aan het door het college gekozen, en in vergunningvoorschrift 2.1.2 neergelegde, beschermingsniveau, is door het college niet aannemelijk gemaakt dat het voorschrijven van aanvullende voorzieningen - te weten: het inpandig plaatsen van de voorzeefinstallatie en het gekanaliseerd afvoeren van de lucht - nodig is in het belang van de bescherming van het milieu. De verwijzing naar de Handreiking asbesthoudende bulkmaterialen maakt dat naar het oordeel van de Afdeling niet anders. Het stellen van de vergunningvoorschriften 2.1.1 en 2.2.1 moet in strijd worden geacht met artikel 8.11 van de Wet milieubeheer.
De beroepsgrond van [appellante sub 1] slaagt.
Eisen aan transportmiddelen van derden op de openbare weg
2.13. [appellante sub 1] betoogt dat de in de vergunningvoorschriften 2.5.7, 2.6.1 en 2.6.2 gestelde eisen aan de wijze waarop afvalstoffen worden vervoerd niet mogen worden gesteld in de vergunning.
2.13.1. In de voorschriften is, kort weergegeven, bepaald dat tijdens het transport naar de inrichting de laadruimten van de transportmiddelen geheel of gedeeltelijk gesloten dan wel afgedekt moeten zijn. Deze voorschriften hebben vooral betrekking op (de milieugevolgen van) het verkeer op plaatsen waar deze gevolgen niet aan het in werking zijn van de inrichting kunnen worden toegerekend. Het stellen van deze voorschriften is in zoverre in strijd met artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer, aangezien de voorschriften moeten strekken tot het beperken van de door de inrichting als zodanig veroorzaakte milieugevolgen.
Dit beroepsonderdeel slaagt.
Bodem
2.14. Het college heeft bij het nemen van het bestreden besluit aansluiting gezocht bij de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (hierna: de NRB). Uitgangspunt in de NRB is dat de bodemrisico's van bedrijfsmatige activiteiten door doelmatige maatregelen en voorzieningen zoveel mogelijk tot een verwaarloosbaar risico moeten worden beperkt.
2.15. [appellante sub 1] kan zich niet verenigen met vergunningvoorschrift 5.1.3. Daarin is bepaald dat voor visueel inspecteerbare vloeistofdichte voorzieningen binnen twaalf maanden na inwerkingtreding van de vergunning een geldige PBV-Verklaring vloeistofdichte voorziening aanwezig moet zijn. Zij betoogt dat het college er ten onrechte van heeft afgezien een voorschrift aan de vergunning te verbinden waarin is bepaald dat zo nodig de bodembeschermende werking van de voorzieningen met andere vormen van inspectie kunnen worden gewaarborgd. Zij voert vergelijkbare gronden aan met betrekking tot andere voorschriften waarin een PBV-Verklaring wordt geëist.
[appellante sub 1] heeft dit betoog in de zienswijze reeds naar voren gebracht. Het college heeft hierop in het bestreden besluit gereageerd. [appellante sub 1] heeft in beroep niet gemotiveerd waarom zij desondanks van mening blijft dat het door haar gewenste vergunningvoorschrift ten onrechte niet aan de vergunning is verbonden.
De beroepsgrond faalt.
2.16. [appellante sub 1] kan zich niet met vergunningvoorschrift 5.2.1 verenigen. In dit voorschrift is bepaald dat, kort weergegeven, ter plaatse van de opslag van flessenglas en ongesorteerd ferro-metaal binnen twaalf maanden na inwerkingtreding van de vergunning een vloeistofdichte voorziening moet zijn gerealiseerd. Dit voorschrift laat volgens haar ten onrechte de opslag in een container op een vloeistofkerende vloer niet toe. Verder betoogt zij dat de in dit voorschrift gegeven periode van twaalf maanden waarin vloeistofdichte voorzieningen nog niet hoeven te zijn gerealiseerd, leidt tot overtreding van vergunningvoorschrift 5.1.1, waarin is bepaald dat doelmatige maatregelen en voorzieningen moeten worden getroffen zodat een verwaarloosbaar bodemrisico wordt gerealiseerd.
2.16.1. Het college heeft in zijn reactie op het deskundigenbericht erkend dat in het voorschrift 5.2.1 ten onrechte niet de mogelijkheid is opgenomen om flessenglas in een container boven een vloeistofkerende vloer op te slaan. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met het beginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen. De beroepsgrond slaagt in zoverre.
Wat betreft het betoog van [appellante sub 1] dat vergunningvoorschrift 5.2.1 leidt tot een overtreding van vergunningvoorschrift 5.1.1, is de Afdeling van oordeel dat uit genoemde voorschriften, in samenhang gelezen, voortvloeit dat voorschrift 5.1.1 niet wordt overtreden wanneer overeenkomstig voorschrift 5.2.1 binnen twaalf maanden na inwerkingtreding van de vergunning nog geen vloeistofdichte voorziening is gerealiseerd. De beroepsgrond faalt in dit opzicht.
2.17. [appellante sub 1] kan zich niet verenigen met vergunningvoorschrift 5.2.3.
In dit vergunningvoorschrift is bepaald dat 24 maanden na het in werking treden van de vergunning de opslagvoorzieningen, die bestemd zijn voor de opslag van grond (grondachtig materiaal), puin en straalgrit welke niet voldoet of waarvan nog niet bekend is of aan de eisen voor:
a. categorie 1 bouwstof van het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterbescherming;
b. vrije toepasbaarheid voor bouwstoffen, grond en/of baggerspecie van het Besluit bodemkwaliteit;
c. bodemkwaliteitsklasse "wonen" van het Besluit bodemkwaliteit wordt voldaan, vloeistofdicht zijn.
Volgens [appellante sub 1] is voor de opslag van grond, puin en straalgrit, waarvan op basis van vooracceptatie en/of historische reinigingsrendementen aannemelijk is dat het risico op bodemverontreiniging dusdanig beperkt is dat een vloeistofkerende voorziening volstaat, een dergelijke voorziening voldoende. Voorts is volgens [appellante sub 1] in genoemd voorschrift ten onrechte niet aangesloten bij de bodemfunctieklasse "industrie", zoals bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Zij betoogt verder dat de in genoemd voorschrift gegeven termijn van 24 maanden, waarin de opslagvoorzieningen nog niet vloeistofdicht behoeft te zijn, leidt tot een overtreding van voorschrift 5.1.1, waarin is bepaald dat doelmatige maatregelen en voorzieningen moeten worden getroffen zodat een verwaarloosbaar bodemrisico wordt gerealiseerd.
2.17.1. In het deskundigenbericht wordt opgemerkt dat voor grond, puin en straalgrit conform de NRB een verwaarloosbaar risico moet worden bereikt, door eisen te stellen aan de vloeistofdichtheid van de opslagvoorzieningen. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die aan dit standpunt afbreuk doen. Dit in aanmerking genomen, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat voorschrift 5.2.3 in zoverre te verstrekkend is.
Dat niet is aangesloten bij de bodemkwaliteitsklasse "industrie", als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit, geeft geen grond voor het oordeel dat het vergunningvoorschrift te verstrekkend is. De Afdeling acht het standpunt van het college, dat het om licht verontreinigd terrein gaat en het zonder bodembeschermende voorziening opslaan van grond uit genoemde bodemkwaliteitsklasse leidt tot een toename van verontreiniging in de bodem, aannemelijk.
Er is voorts geen grond voor het oordeel dat vergunningvoorschrift 5.2.3, leidt tot overtreding van vergunningvoorschrift 5.1.1. Uit deze voorschriften, in samenhang gelezen, vloeit voort dat voorschrift 5.1.1 niet wordt overtreden wanneer overeenkomstig voorschrift 5.2.3 binnen 24 maanden na inwerkingtreding van de vergunning nog geen vloeistofdichte voorzieningen zijn gerealiseerd.
De beroepsgronden falen.
2.18. [appellante sub 1] kan zich niet verenigen met vergunningvoorschrift 5.2.15. In dit voorschrift is voor een nieuw aan te leggen vuilwaterbassin bepaald dat, voor zover hier van belang, dit moet worden geïnspecteerd door een voor BRL-K1151 gecertificeerde instantie. [appellante sub 1] betoogt dat dit voorschrift ten onrechte niet de mogelijkheid kent om van een andere beoordelingsrichtlijn uit te gaan.
Het college heeft in het verweerschrift verklaard dat het voorschrift zou moeten worden aangevuld om aan het door [appellante sub 1] genoemde gebrek tegemoet te komen. In zoverre is het voorschrift kennelijk in strijd met het beginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen.
De beroepsgrond slaagt.
2.19. [appellante sub 1] betoogt dat de vergunningvoorschriften 5.5.1 tot en met 5.5.5, welke zien op risicobeperkend bodemonderzoek, niet nodig zijn omdat er een vloeistofdichte opvangvoorziening aanwezig is en dus een verwaarloosbaar risico op bodemverontreiniging wordt bewerkstelligd. [appellante sub 1] betoogt voorts dat het college in voorschrift 5.5.1 in plaats van een grondwatermonitoringsplicht voor vloeren, waarbij het naar het inzicht van het college niet mogelijk is om obstakels te verwijderen, een visuele inspectie gecombineerd met het beoordelen van (ontbreken van) zetting rond niet verwijderbare obstakels had moeten opnemen. Hierbij is het milieubelang volgens [appellante sub 1] meer gebaat dan bij het achteraf constateren van bodemverontreiniging, hetgeen bij monitoring het geval is.
2.19.1. Het monitoren van grondwater is volgens het college in de NRB als bodembeschermende maatregel erkend en vindt plaats wanneer visuele inspectie niet mogelijk is. De genoemde voorschriften zijn volgens het college in het belang van de bescherming van het milieu aangezien het ondergrondse foliesysteem op grond van de geldende protocollen niet als vloeistofdicht kan worden aangemerkt. Sinds de aanleg van het systeem is nimmer door middel van onderzoek het tegendeel vastgesteld, aldus het college.
2.19.2. [appellante sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het ondergrondse foliesysteem vloeistofdicht is. Voorts in aanmerking genomen, dat het in de vergunningvoorschriften 5.5.1 tot en met 5.5.5 vereiste risicobeperkend bodemonderzoek juist is voorgeschreven voor de situatie dat visuele inspectie niet mogelijk is en deze inspectiemethode in de NRB is aangewezen, heeft naar het oordeel van de Afdeling het college deze voorschriften niet in redelijkheid in het belang van de bescherming van het milieu kunnen achten.
De beroepsgrond faalt.
Afvalstoffen
2.20. [appellante sub 1] betoogt dat in onderscheidenlijk de voorschriften 6.1.5 en 6.4.2 ten onrechte aan de hand van zogenaamde Eural-codes limitatief is opgenomen welke afvalstoffen in de inrichting mogen worden opgeslagen, overgeslagen of verwerkt en welke afvalstoffen met elkaar mogen worden gemengd. Volgens [appellante sub 1] dient hiervoor de aard en samenstelling van de afvalstof bepalend te zijn. [appellante sub 1] betoogt voorts dat in vergunningvoorschrift 6.1.5 per abuis niet is opgenomen dat de opslagcapaciteit voor RKG-zand 5.000 ton mag bedragen.
2.20.1. Het college heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen het opslaan, overslaan of verwerken van afvalstoffen die naar aard en samenstelling gelijkwaardig zijn aan afvalstoffen waaraan Eural-codes zijn toegekend. Het college bevestigt voorts dat in dit voorschrift 6.1.5 per abuis voor het RKG-zand de opslagcapaciteit niet is opgenomen. De voorschriften 6.1.5 en 6.4.2 zijn daarom in strijd met het beginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen.
De beroepsgronden slagen.
2.21. [appellante sub 1] betoogt dat vergunningvoorschrift 6.2.7 te verstrekkend is. In dit voorschrift is bepaald dat [appellante sub 1] ieder jaar aan het college een overzicht dient te sturen waarin administratieve gegevens zijn verwerkt over onder meer de maatregelen die worden genomen om de bij de bewerking van afvalstoffen ontstane reststromen op een zo effectief mogelijke wijze te (laten) bewerken binnen de inrichting dan wel bij derden. [appellante sub 1] betoogt dat het college, hoewel toegezegd, de passage "bij derden" niet heeft geschrapt.
Het college beaamt dat het voorschrift in zoverre te verstrekkend is en dat hetper abuis niet is aangepast. Het bestreden besluit is in dit opzicht in strijd met het beginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen.
De beroepsgrond slaagt.
2.22. [appellante sub 1] betoogt dat de in vergunningvoorschrift 6.5.1 opgenomen verplichting om van de inrichting af te voeren afvalstoffen af te geven aan een vergunninghouder die conform zijn vergunning de afvalstoffen volgens (de volgende deelstap van) de minimumstandaard van de betrokken afvalstof be- of verwerkt, overbodig en niet naleefbaar is. Hiertoe is volgens [appellante sub 1] van belang dat handhaving een taak is die het college toekomt en zij niet de mogelijkheid heeft te controleren of degene aan wie zij het afval afgeeft dit volgens de minimumstandaard be- of verwerkt.
2.22.1. Het college stelt zich op het standpunt dat vergunningvoorschrift 6.5.1 niet vereist dat [appellante sub 1] bij het afvoeren ter van afvalmateriaal naar een ander bedrijf waar het verder wordt verwerkt, door middel van een fysieke controle op dit bedrijf vaststelt dat dit bedrijf de minimumstandaard voor verwerking van dit materiaal in acht neemt. Naar het oordeel van de Afdeling is het voorschrift in zoverre naleefbaar. Het vergunningvoorschrift kan echter, zoals het thans is geformuleerd, niet in stand blijven nu het college ter zitting heeft verklaard dat de zinsnede "(de volgende deelstap van)" overbodig is. Het voorschrift is in zoverre in strijd met het beginsel dat het besluit zorgvuldig moet worden genomen.
Deze beroepsgrond slaagt.
2.23. [appellante sub 1] betoogt dat het in het belang van de bescherming van het milieu is dat twaalf keer per jaar buiten de normale tijden aanvoer van (afval)stoffen mogelijk wordt gemaakt. Volgens haar is dit noodzakelijk in geval van calamiteiten bij derden en heeft het college er daarom ten onrechte van afgezien een voorschrift aan de vergunning te verbinden waarmee in deze mogelijkheid wordt voorzien.
Deze beroepsgrond faalt reeds omdat een dergelijke aanvoer bij calamiteiten niet is aangevraagd.
Overige gronden [appellanten sub 3]
2.24. Het betoog van [appellanten sub 3], dat vrachtwagens die vanuit de inrichting vertrekken onveilige verkeerssituaties op de weg veroorzaken, heeft geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer. Het betoog van [appellanten sub 3] dat vergunningvoorschrift 1.2.3, waarin een deugdelijke afscheiding van de inrichting verplicht wordt gesteld, niet wordt nageleefd, ziet op naleving van de verleende vergunning en niet op de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
De beroepsgronden falen.
Overige gronden [appellante sub 1]
2.25. [appellante sub 1] betoogt dat het college voor de gevallen waarin in de vergunningvoorschriften is bepaald dat informatie of stukken ter goedkeuring moeten worden aangeboden, ten onrechte niet heeft geregeld binnen welke termijn moet worden beslist over goedkeuring.
2.25.1. De Algemene wet bestuursrecht voorziet reeds in de door [appellante sub 1] gewenste regeling. Op dit punt is terecht geen regeling in de vergunningvoorschriften opgenomen.
De beroepsgrond faalt.
2.26. [appellante sub 1] betoogt dat vergunningvoorschrift 1.2.3, waarin is bepaald dat het terrein niet vrij toegankelijk mag zijn en een deugdelijke afscheiding aanwezig moet zijn, in strijd is met de rechtszekerheid omdat in het bestreden besluit is gemeld dat de invulling van het begrip "deugdelijke afscheiding" wordt overgelaten aan de toezichthouder.
2.26.1. De Afdeling acht genoemd voorschrift niet in strijd met de rechtszekerheid. Uit het voorschrift vloeit voort dat de afscheiding deugdelijk is als hiermee het terrein wordt afgesloten voor onbevoegden. De deugdelijkheid van de afscheiding is niet afhankelijk gesteld van het oordeel van de toezichthouder. Dat het wenselijk is in overleg te treden met de toezichthouder om problemen bij handhaving te voorkomen, zoals het college in het bestreden besluit beoogt aan te geven, doet hier niet aan af.
De beroepsgrond faalt.
2.27. De beroepen van [appellanten sub 2] en [appellanten sub 3] zijn, voor zover ontvankelijk, ongegrond. Het beroep van [appellante sub 1] is gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het de vergunningvoorschriften 2.1.1, 2.2.1, 2.5.7, 2.6.1, 2.6.2, 5.2.1 en 5.2.15 betreft. De vergunningvoorschriften 6.2.7 en 6.5.1 dienen gedeeltelijk te worden vernietigd en de vergunningvoorschriften 6.1.5 en 6.4.2 dienen te worden aangevuld. De Afdeling zal op na te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
2.28. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart de beroepen van [appellanten sub 2] en [appellanten sub 3] niet-ontvankelijk voor zover deze betrekking hebben op stankhinder;
II. verklaart de beroepen van [appellanten sub 2] en [appellanten sub 3] voor het overige ongegrond;
III. verklaart het beroep van [appellante sub 1] gedeeltelijk gegrond;
IV. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 13 juli 2007, kenmerk 1314930, voor zover het de voorschriften 2.1.1, 2.2.1, 2.5.7, 2.6.1, 2.6.2, 5.2.1 en 5.2.15 betreft, en voor zover het de zinsneden "dan wel bij derden" in vergunningvoorschrift 6.2.7 en "(de volgende deelstap van)" in vergunningvoorschrift 6.5.1 betreft;
V. bepaalt dat :
- vergunningvoorschrift 2.5.7 komt te luiden:
"Sterk stuifgevoelige vaste stoffen (categorieën S2) die in bulk worden vervoerd, mogen uitsluitend worden aan- en afgevoerd met volledig gesloten transportmiddelen. Transportmiddelen waarin licht stuifgevoelige vaste stoffen (categorieën S3 en S4) worden vervoerd, moeten tijdens aan- en afvoer volledig en adequaat zijn afgedekt, waardoor verstuiving wordt voorkomen."
- vergunningvoorschrift 2.6.1 komt te luiden:
"Vrachtwagens die asbesthoudende bulkmaterialen vervoeren dienen tijdens aan- en afvoer te zijn voorzien van een lekdichte laadruimte met een stofdicht afsluitsysteem."
- vergunningvoorschrift 2.6.2 komt te luiden:
"Vaartuigen die asbesthoudende bulkmaterialen vervoeren dienen tijdens aan- en afvoer te zijn voorzien van een lucht- en stofdichte, afsluitbare laadruimte."
- aan vergunningvoorschrift 5.2.1 wordt de volgende volzin toegevoegd:
"In afwijking hiervan mag flessenglas ook worden opgeslagen in een afgedekte vloeistofdichte container boven een vloeistofkerende vloer."
- vergunningvoorschrift 5.2.15 komt te luiden:
"Binnen twee jaar na het in werking treden van deze vergunning, dan wel de aanleg van het bassin, moet het bassin op basis van CUR-PBV-Aanbeveling 44 door een - voor BRL-K1151, dan wel een hiervoor in de plaats gekomen BRL - gecertificeerde instantie geïnspecteerd zijn."
- aan vergunningvoorschrift 6.1.5 wordt toegevoegd dat 5.000 ton RKG-zand mag worden opgeslagen;
- aan de voorschriften 6.1.5 en 6.4.2 de volgende volzin wordt toegevoegd: "De in dit voorschrift genoemde Euralcodes dienen als niet-limitatief te worden beschouwd, mits deze afvalstoffen naar aard en samenstelling gelijkwaardig zijn aan de afvalstoffen waaraan wel Euralcodes zijn toegekend.";
VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover dit is vernietigd;
VII. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan [appellante sub 1] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.
w.g. Boll w.g. Van der Zijpp
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2008
262-491.