
Jurisprudentie
BF2142
Datum uitspraak2008-09-18
Datum gepubliceerd2008-09-24
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200803123/1 en 200803123/2
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-24
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200803123/1 en 200803123/2
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 8 februari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland (hierna: het college), voor zover thans van belang, [appellant] op straffe van een dwangsom gelast de bandenopslag op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) blijvend te staken en de achterste schuur te ontruimen.
Uitspraak
200803123/1 en 200803123/2.
Datum uitspraak: 18 september 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak nr. 07/1960 van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 28 maart 2008 in het geding tussen:
[wederpartijen], allen wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland.
1. Procesverloop
Bij besluit van 8 februari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland (hierna: het college), voor zover thans van belang, [appellant] op straffe van een dwangsom gelast de bandenopslag op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) blijvend te staken en de achterste schuur te ontruimen.
Bij besluit van 3 oktober 2007 heeft het college, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het huidige gebruik van de achterste loods voor de opslag van banden en de daarmee gepaard gaande opslagactiviteiten gedoogd.
Bij uitspraak van 28 maart 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartijen] ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 april 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 30 juni 2008. Voorts heeft hij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Bij besluit van 6 juni 2008 heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 8 februari 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[wederpartijen] hebben een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 28 augustus 2008, waar [appellant], vertegenwoordigd door ing. L. Otto, en het college, vertegenwoordigd door P. Kleine en G. Holtjer, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2.2. Niet in geschil is dat het met de last gewraakte gebruik van het perceel in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Eeserwold" (hierna: het bestemmingsplan).
2.3. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan daarvan afzien. Dit kan zich voordoen, indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat in verband daarmee van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat, hoewel geen concreet zicht op legalisatie bestaat, omdat nog geen ontwerp van de herziening van het bestemmingsplan ter inzage is gelegd, wel enig zicht op legalisatie van het gewraakte gebruik van het perceel bestaat, nu een herziening van het bestemmingsplan in voorbereiding is.
2.4.1. Dit betoog faalt. Nu niet in geschil is dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat, heeft de rechtbank de gestelde omstandigheid dat het gewraakte gebruik mogelijk toegestaan wordt in een in voorbereiding zijnd bestemmingsplan terecht niet aangemerkt als een zodanig bijzondere omstandigheid, dat het college in verband daarmee van handhavend optreden mocht afzien.
2.5. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank onvoldoende gewicht aan zijn belangen heeft gehecht en heeft miskend dat de belangen van omwonenden bij handhaving gering zijn.
2.5.1. Ook dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht ook anderszins geen bijzondere omstandigheden aanwezig geacht, in verband waarmee het college van handhavend optreden mocht af zien. Dat de overlast van omwonenden, als gesteld, gering is, is geen zodanige omstandigheid. Voorts heeft de rechtbank de door [appellant] gestelde bedrijfseconomische belangen terecht evenmin als zodanige omstandigheid aangemerkt. Dat hij, als gesteld, schade ondervindt, indien hij de opslag op het perceel ongedaan moet maken en deze naar elders moet verplaatsen, is dat niet, omdat [appellant] het risico van die schade heeft aanvaard door de opslag tot stand te brengen, zonder over de daarvoor vereiste vergunning te beschikken.
2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.7. Het besluit van 6 juni 2008 is een besluit, als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, van de Awb. De voorzitter zal dit besluit op voet van artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van die wet, in de beoordeling betrekken.
2.8. Met het besluit van 6 juni 2008 heeft het college uitvoering gegeven aan de uitspraak van 28 maart 2008. Daartegen heeft [appellant] gronden met een gelijke strekking als die van de in hoger beroep voorgedragen beroepsgronden aangevoerd. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dient het beroep tegen het besluit van 6 juni 2008 ongegrond te worden verklaard.
2.9. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek af te wijzen.
2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. verklaart het beroep tegen het besluit van 6 juni 2008 ongegrond;
III. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Wijers, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Wijers
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2008
444