Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF2141

Datum uitspraak2008-09-18
Datum gepubliceerd2008-09-24
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200803022/1 en 200803022/2
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 9 november 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen (hierna: het college) aan [appellante] te kennen gegeven dat de bouwwerkzaamheden aan een bedrijfshal aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) onmiddellijk stil worden gelegd.


Uitspraak

200803022/1 en 200803022/2. Datum uitspraak: 18 september 2008 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van: [appellante], gevestigd te [plaats], tegen de uitspraak in zaak nr. 07/765 van de rechtbank Almelo van 18 april 2008 in het geding tussen: appellante en het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen. 1. Procesverloop Bij besluit van 9 november 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen (hierna: het college) aan [appellante] te kennen gegeven dat de bouwwerkzaamheden aan een bedrijfshal aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) onmiddellijk stil worden gelegd. Op 21 maart 2007 heeft het college voorts besloten om verdere bouwactiviteiten onmogelijk te maken door bij wijze van bestuursdwang verzegelde hekwerken rond het perceel te doen aanbrengen. Bij besluit van 3 juli 2007 heeft het college het door [appellante] tegen de besluiten van 9 november 2006 en van 21 maart 2007 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 18 april 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 april 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 16 mei 2008. Voorts heeft [appellante] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het college heeft een verweerschrift ingediend. [belanghebbenden] hebben een schriftelijke uiteenzetting ingediend. De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 4 september 2008, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Deventer, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.S. Fikkert, advocaat te Enschede, zijn verschenen. Voorts zijn daar [belanghebbenden], vertegenwoordigd door mr. J.P.E. Baakman, gehoord. 2. Overwegingen 2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. 2.2. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de ontplooide bouwactiviteiten in strijd zijn met enig wettelijk voorschrift. 2.2.1. Het betoog faalt. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders. Bij besluit van 18 juli 2006 is [appellante] bouwvergunning en vrijstelling verleend voor het oprichten van een bedrijfshal op het perceel. Bij uitspraak van 7 november 2006, voor zover thans van belang, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank dat besluit geschorst. Volgens een rapport van bevindingen van de afdeling Ruimtelijke Ordening, Milieu en Bouwzaken van de gemeente van 9 november 2006 en de daarbij behorende foto's werden op die dag bouwwerkzaamheden verricht aan de bedrijfshal. Voorts zijn volgens dat rapport inmiddels de gehele staalconstructie gerealiseerd, de buitenwanden deels aangebracht en is het dak deels met platen gedicht. Onder die op zichzelf niet betwiste omstandigheid heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] in strijd met voormelde bepaling van de Woningwet heeft gehandeld. De enkele stelling van [appellante] dat zij op 9 november 2006 geen activiteiten heeft doen verrichten, waarvoor bouwvergunning is vereist, geeft geen grond voor een ander oordeel. 2.3. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het plaatsen van een trap en deuren geen activiteiten zijn, waarvoor bouwvergunning is vereist, zodat het college niet bevoegd was tot het plaatsen van verzegelde hekwerken op het perceel. De trap en de deuren zijn geplaatst ten behoeve van de installatie van een machine, voor het plaatsen waarvan een wethouder van de gemeente Haaksbergen uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven, aldus [appellante]. 2.3.1. Dit betoog faalt evenzeer. Volgens een rapport van bevindingen van de afdeling Ruimtelijk Ordening, Milieu en Bouwzaken van de gemeente Haaksbergen van 20 maart 2007 en de daarbij behorende foto's waren, anders dan op 9 november 2006, de leidingen afgemonteerd, de toegang tot de technische ruimtes voorzien van deuren, was voor de toegang tot deze ruimtes een stalen trap aangebracht, waren elementen aan de bouwconstructie geplaatst en was in het dak een sparing aangebracht. Onder deze op zichzelf niet bestreden omstandigheden heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] in strijd met dezelfde bepaling van de Woningwet zonder bouwvergunning heeft gebouwd. Weliswaar is [appellante] kennelijk toestemming verleend voor het plaatsen van een machine, maar het college heeft de volgens voormeld rapport verrichtte bouwactiviteiten terecht niet als zodanig aangemerkt. 2.4. De conclusie is dat de beroepsgronden falen. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.5. Gelet hierop, bestaat aanleiding het verzoek af te wijzen. 2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat. w.g. Loeb w.g. Soede voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2008 270-476.