
Jurisprudentie
BF2140
Datum uitspraak2008-09-18
Datum gepubliceerd2008-09-24
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200802346/1 en 200802346/2
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-24
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200802346/1 en 200802346/2
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 4 april 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Kampen (hierna: het college) aan [appellante] vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van een kantoor aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).
Uitspraak
200802346/1 en 200802346/2.
Datum uitspraak: 18 september 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van [wederpartijen], allen wonend te [woonplaats], om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd te [plaats],
tegen de uitspraak in de zaken nrs. 07/2025, 07/2026, 08/5 en 08/6 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle van 20 februari 2008 in het geding tussen:
1. [wederpartijen sub 1]
2. [wederpartijen sub 2]
en
het college van burgemeester en wethouders van Kampen.
1. Procesverloop
Bij besluit van 4 april 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Kampen (hierna: het college) aan [appellante] vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van een kantoor aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).
Bij onderscheiden besluiten van 10 oktober 2007 heeft het college de door [wederpartijen sub 1], onderscheidenlijk [wederpartijen sub 2], daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 20 februari 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het door [wederpartijen sub 1], [wederpartijen sub 2] (hierna: [wederpartijen]) daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de besluiten van 10 oktober 2007 vernietigd en het besluit van 4 april 2007 geschorst tot de verzending van de nieuw te nemen besluiten op de gemaakte bezwaren. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 april 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 29 april 2008.
Bij besluit van 9 juli 2008 heeft het college, opnieuw beslissend op de tegen het besluit van 4 april 2007 gemaakte bezwaren, die bezwaren gegrond verklaard, doch de bij dat besluit verleende vrijstelling en bouwvergunning onder aanvulling van de motivering daarvan gehandhaafd.
Tegen dat besluit hebben [wederpartijen] bij brief van 14 augustus 2008 beroep bij de rechtbank Zwolle ingesteld. Voorts hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het beroep en het verzoek zijn door de rechtbank ter behandeling doorgestuurd aan de Afdeling.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 4 september 2008, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. A.M. Ubink, advocaat te Zwolle, het college, vertegenwoordigd door S.H. Koopmans, ambtenaar in dienst van de gemeente, en [wederpartijen], vertegenwoordigd door [gemachtigde], zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2.2. Het besluit van 9 juli 2008 wordt, gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Awb, gelezen in verbinding met artikel 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht voorwerp te zijn van dit geding. Het bij de rechtbank ingediende beroepschrift wordt bij dit geding betrokken. [appellante] heeft het door haar ingestelde hoger beroep ter zitting ingetrokken. Als gevolg daarvan is het geding beperkt tot het beroep van De [wederpartijen] tegen dat besluit. Daarbij is van belang dat het oordeel van de voorzieningenrechter in het bodemgeschil thans kracht van gewijsde heeft gekregen.
2.3. Het bouwplan, dat voorziet in het oprichten van een kantoorpand, is in strijd met de ter plaatse geldende bestemmingsplannen "De Zodde" en "Omgeving Stationsplein" (hierna: de bestemmingsplannen), die aan het perceel de bestemmingen "Verkooppunt van motorbrandstoffen" onderscheidenlijk "Benzineverkooppunt" toekennen. Om daarvoor niettemin bouwvergunning eerste fase te kunnen verlenen, heeft het college daarvan krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals deze gold vóór 1 juli 2008, vrijstelling verleend.
2.4. Ingevolge die bepaling, voor zover thans van belang, kan het college van burgemeester en wethouders, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstig bestemming van het betreffende gebied.
2.5. Als ruimtelijke onderbouwing van het bouwplan dient in dit geval de "Ruimtelijke onderbouwing ex artikel 19 lid 1 WRO ten behoeve van de bouw van een kantoor aan de [locatie] te [plaats] (zijde IJsselmuiden)" van juni 2008. Daarin is onder meer uiteengezet dat het bouwplan aan de stedenbouwkundige uitgangspunten voldoet en past in de beoogde ontwikkeling voor het gebied, waarin het perceel is gelegen, zoals vervat in de door de raad der gemeente Kampen op 21 februari 2008 vastgestelde Ontwikkelingsrichting structuurvisie Kampen 2030 (hierna: de Ontwikkelingsrichting structuurvisie).
2.6. [wederpartijen] betogen dat het besluit van 9 juli 2008 een goede ruimtelijke onderbouwing ontbeert. Daartoe voeren zij in de eerste plaats aan dat het oprichten van een kantoor in het gebied, waarin het perceel is gelegen, in strijd met de Ontwikkelingsrichting structuurvisie, omdat daarin is vermeld dat kantoorfuncties in het gebied Spoorlanden zijn voorzien en de noodzaak van de ontwikkeling van kantoorfuncties in het gebied waarin het perceel is gelegen niet is aangetoond.
2.6.1. Dat betoog faalt. Volgens de Ontwikkelingsrichting structuurvisie zijn daarin in grote lijnen gewenste ontwikkelingen vastgesteld ten behoeve van een verdere uitwerking van de Structuurvisie. Ten aanzien van het gebied Spoorlanden wordt in de Ontwikkelingsrichting structuurvisie vermeld dat wordt ingezet op revitalisering daarvan, met op de kop mogelijkheden voor woningen en voorzieningen. Aldus wordt een ruime ontwikkelingsrichting voor Spoorlanden geformuleerd. Daaruit volgt niet dat de ontwikkeling van kantoorfuncties tot dat gebied beperkt dient te blijven.
Voorts geeft het in beroep aangevoerde geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in het gebied, waarin het perceel is gelegen, behoefte is aan ontwikkeling van kantoorfuncties, nu volgens het Economisch Businessplan Kampen van de gemeente Kampen van 9 mei 2005 en het Kantorenmarktonderzoek gemeente Kampen van februari 2006 op korte termijn behoefte bestaat aan kantoorruimte op zichtlocaties met een goede bereikbaarheid en parkeergelegenheid en het desbetreffende gebied aan deze eisen voldoet.
2.6.2. [wederpartijen] betogen evenzeer tevergeefs dat het college heeft miskend dat het te realiseren kantoor, gelet op de hoogte daarvan, gezien de hoogte van de omliggende woningen en bedrijfspanden, niet in de omgeving past. In de ruimtelijke onderbouwing is uiteengezet, dat en waarom het te realiseren kantoor in de omgeving past. Ten aanzien van de bouwhoogte is vermeld dat het te realiseren kantoor, met een hoogte van 12,7 meter, voldoet aan de stedenbouwkundige uitgangspunten, onder meer wat betreft de bouwhoogte, omdat het perceel op een markant punt is gelegen, zodat enig hoogteaccent verantwoord is. Bovendien hebben de naastgelegen woningen een hoogte van maximaal 11,5 meter en is het perceel het sluitstuk van de gevelwand, dat met de 14 meter hoge woningen aan het stationsplein wordt ingezet, aldus de ruimtelijke onderbouwing. De door [wederpartijen] gestelde omstandigheid dat het te realiseren kantoor afwijkt van de bebouwing in de omgeving, brengt niet met zich dat het college oprichting van een gebouw met meerdere bouwlagen op het perceel in redelijkheid niet aanvaardbaar heeft kunnen achten.
2.7. Voorts betogen [wederpartijen] evenzeer tevergeefs dat realisering van het bouwplan zodanige aantasting van het uitzicht van [wederpartijen sub 2] veroorzaakt, dat het college in verband daarmee in redelijkheid geen vrijstelling van het bestemmingsplan heeft kunnen verlenen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat, hoewel realisering van het bouwplan met een hoogte van 12,7 meter vermindering van uitzicht te weeg zal brengen, ingevolge het geldende bestemmingsplan op gronden recht tegenover hun appartement, tussen hun appartement en het perceel, een bouwwerk kan worden gerealiseerd met een hoogte van 11,5 meter, dat dat uitzicht weinig minder zal belemmeren.
2.8. Het beroep is ongegrond.
2.9. Gelet hierop, bestaat aanleiding het verzoek af te wijzen.
2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het beroep van [wederpartijen] tegen het besluit van 9 juli 2008 ongegrond;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Soede
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2008
270-476.