Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF2139

Datum uitspraak2008-09-18
Datum gepubliceerd2008-09-24
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200805768/1
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter


Indicatie

Bij besluit van 30 juni 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Werkendam (hierna: het college), voor zover thans van belang, aan [verzoekster] een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van artikel 4.77. van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit).


Uitspraak

200805768/1 Datum uitspraak: 18 september 2008 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen: [verzoekster], gevestigd te [plaats], en het college van burgemeester en wethouders van Werkendam, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 30 juni 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Werkendam (hierna: het college), voor zover thans van belang, aan [verzoekster] een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van artikel 4.77. van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit). Tegen dit besluit heeft [verzoekster] bezwaar gemaakt. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 juli 2008, heeft [verzoekster] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 25 augustus 2008, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door B.C.R. Willems, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.C. Meijer en D.H. Rietveld, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Artikel 4.77 van het Activiteitenbesluit bepaalt dat binnen een afstand van 20 meter van een bunkerstation geen recreatief verblijf plaatsvindt. 2.2. Ingevolge artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer is het verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting waartoe een gpbv-installatie behoort: a. op te richten; b. te veranderen of de werking daarvan te veranderen; c. in werking te hebben. Ingevolge het tweede lid kunnen bij algemene maatregel van bestuur andere categorieën inrichtingen worden aangewezen, waarvoor de in het eerste lid bedoelde verboden gelden. 2.3. Bijlage 1 bij het Activiteitenbesluit, aanhef en onder l, bepaalt dat de in artikel 8.1, eerste lid, van de wet opgenomen verboden gelden voor inrichtingen voor de opslag van vloeibare brandstoffen in een bunkerstation met een inhoud van meer dan 15 kubieke meter. 2.4. Het in de jachthaven aanwezige bunkerstation heeft een maximale opslag van 20 ton dieselolie. Dieselolie is lichter dan water, zodat het bunkerstation een inhoud heeft van meer dan 15 kubieke meter. Niet is gebleken dat het college onderzoek heeft verricht naar de opslagcapaciteit van het bunkerstation. De voorzitter gaat er vooralsnog van uit dat sprake is van een inrichting die is aangewezen in Bijlage 1 bij het Activiteitenbesluit, zodat de inrichting als inrichting type C vergunningplichtig is. Artikel 4.77 van het Activiteitenbesluit is niet vermeld in artikel 1.4 van het Activiteitenbesluit, dat de regels bevat waaraan de drijver van een inrichting type C moet voldoen. Bijgevolg strekt het besluit naar het oordeel van de voorzitter ten onrechte tot het handhaven van artikel 4.77 van het Activiteitenbesluit. 2.5. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen. 2.6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. 3. Beslissing De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van 30 juni 2008, kenmerk 2766, tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist; II. veroordeelt het college tot vergoeding van bij [verzoekster] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Werkendam aan [verzoekster] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald; III. gelast dat de gemeente Werkendam aan [verzoekster] het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat. w.g. Oosting w.g. Melse voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2008 191-433.