
Jurisprudentie
BF2138
Datum uitspraak2008-09-24
Datum gepubliceerd2008-09-24
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200801371/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-24
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200801371/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 10 mei 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nijefurd (hierna: het college) [appellanten] onder oplegging van een dwangsom gelast het [woonschip] uiterlijk 1 november 2007 uit de jachthaven "Galamadammen" te Koudum (hierna: de jachthaven) te verwijderen en daaruit, alsmede uit enig ander water in de gemeente Nijefurd, verwijderd te houden.
Uitspraak
200801371/1.
Datum uitspraak: 24 september 2008.
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellanten], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak nr. 07/1805 van de rechtbank Leeuwarden van 15 januari 2008 in het geding tussen:
[appellanten]
en
het college van burgemeester en wethouders van Nijefurd.
1. Procesverloop
Bij besluit van 10 mei 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nijefurd (hierna: het college) [appellanten] onder oplegging van een dwangsom gelast het [woonschip] uiterlijk 1 november 2007 uit de jachthaven "Galamadammen" te Koudum (hierna: de jachthaven) te verwijderen en daaruit, alsmede uit enig ander water in de gemeente Nijefurd, verwijderd te houden.
Bij besluit van 19 juni 2007 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, met dien verstande dat de begunstigingstermijn is verlengd tot uiterlijk 1 november 2008.
Bij uitspraak van 15 januari 2008, verzonden op 16 januari 2008, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 februari 2008, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 augustus 2008, waar [een der appellanten], bijgestaan door E.P. Blaauw, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.F.C. Hendriks, ambtenaar in dienst van de gemeente Nijefurd, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge het bestemmingsplan "Galamadammen", 2e partiële en correctieve herziening 1993 (hierna: het bestemmingsplan), rust op het gedeelte van het perceel waarop het in de last omschreven gebruik plaatsvindt, de bestemming "Recreatieve doeleinden".
Ingevolge artikel 7, lid A, van de planvoorschriften zijn de gronden die zijn aangewezen voor recreatieve doeleinden bestemd voor dagrecreatie, kamperen en recreatieve bewoning.
Ingevolge artikel 12, lid A, voor zover thans van belang, is het verboden de gronden te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de gegeven bestemmingen.
Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Ligplaatsenverordening Nijefurd (hierna: de ligplaatsenverordening) is het de rechthebbende op een vaartuig verboden daarmee ligplaats in te nemen.
Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, voor zover thans van belang, is het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing op het innemen van ligplaats met een vaartuig in een bij een geldend bestemmingsplan aangewezen haven of andere bij bestemmingsplan aangewezen gelegenheid die bestemd is om een vaartuig onder te brengen.
Ingevolge het vierde lid kunnen burgemeester en wethouders van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.
Ingevolge artikel 3 van de Woonschepenverordening Nijefurd 2004 (hierna: de Wsv 2004) is het verboden binnen de gemeente Nijefurd met een woonschip ligplaats in te nemen of te hebben of een ligplaats voor een woonschip beschikbaar te stellen buiten de op grond van artikel 4 aangewezen plaatsen.
Ingevolge artikel 22, tweede lid, voor zover thans van belang, wordt de Woonschepenverordening Nijefurd van 31 januari 1989 ingetrokken.
Ingevolge artikel 23, eerste lid, blijven vergunningen en ontheffingen, hoe ook genaamd, verleend krachtens de verordening als bedoeld in artikel 22, tweede lid, ook na de inwerkingtreding van deze verordening van kracht, indien en voor zover het gebod of verbod waarop de vergunning of ontheffing betrekking heeft ook vervat is in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken.
2.2. [appellanten] hebben vanaf 1999 ligplaats ingenomen in de jachthaven. Aan het besluit van 10 mei 2006 heeft het college ten grondslag gelegd dat het ingevolge het bestemmingsplan niet is toegestaan om op die locatie ligplaats in te nemen met een woonschip. Tevens stelt het college zich op het standpunt dat [appellanten] niet beschikken over de vereiste ligplaatsvergunning.
2.3. Door [appellanten] is niet bestreden dat met het woonschip in strijd met de daarvoor geldende bestemming in de jachthaven ligplaats is ingenomen, zodat van de bevoegdheid van het college om bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen te treffen, moet worden uitgegaan.
2.4. Voor zover [appellanten] betogen dat het college in dit geval ten onrechte tot handhavend optreden is overgegaan, overweegt de Afdeling als volgt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik zal moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
2.4.1. Anders dan [appellanten] betogen, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat zich in dit geval bijzondere omstandigheden voordeden die de conclusie rechtvaardigen dat het college van handhavend optreden had dienen af te zien.
De omstandigheid dat [appellanten] stellen dat zij ingevolge de ligplaatsenverordening in samenhang gelezen met artikel 23, eerste lid, van de Wsv 2004, gerechtigd waren ligplaats in te nemen in de jachthaven doet, daargelaten de juistheid van deze stelling, aan het voorgaande niet af, nu dit niet wegneemt dat het ter plaatse permanent ligplaats innemen met een woonschip strijdig is met de aan die locatie gegeven bestemming. Uit de omstandigheid dat het college, naar gesteld, reeds enkele jaren bekend was met de aanwezigheid van het woonschip, maar gedurende die tijd niet handhavend is opgetreden, kan evenmin worden afgeleid dat sprake is van een situatie waarin niet meer handhavend kon worden opgetreden. Het enkele tijdsverloop is, ongeacht de duur daarvan, geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college van handhavend optreden had behoren af te zien.
Voorts valt ook uit de door [appellanten] aangehaalde uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling rechtspraak van 23 februari 1993 (AB 1993, 509), daargelaten dat dit een voorlopig oordeel betreft, niet af te leiden dat ten aanzien van een woonschip niet handhavend zou mogen worden opgetreden op grond van strijd met het bestemmingsplan.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. K.J.M. Mortelmans, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.
w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Klein
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2008.
176-538.