
Jurisprudentie
BF2130
Datum uitspraak2008-09-24
Datum gepubliceerd2008-09-24
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200708511/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-24
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200708511/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 18 september 2007, kenmerk 2007-003132, heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Culemborg (hierna: de raad) bij besluit van 8 februari 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Terweijde" (hierna: het plan).
Uitspraak
200708511/1.
Datum uitspraak: 24 september 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellanten sub 1], te [plaats],
2. het college van burgemeester en wethouders van Culemborg,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Horeca Exploitatiemaatschappij Weha B.V., gevestigd te Beesd, gemeente Geldermalsen, en andere,
appellanten,
en
het college van gedeputeerde staten van Gelderland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 18 september 2007, kenmerk 2007-003132, heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Culemborg (hierna: de raad) bij besluit van 8 februari 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Terweijde" (hierna: het plan).
Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 december 2007, het college van burgemeester en wethouders van Culemborg (hierna: het college van burgemeester en wethouders) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 december 2007 en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Horeca Exploitatiemaatschappij Weha B.V. en andere (hierna: Weha en andere) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 december 2007, beroep ingesteld. Weha en andere hebben hun beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 januari 2008.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 augustus 2008, waar [appellanten sub 1], in de persoon van [gemachtigde] en bijgestaan door mr. E.A.M. van Gaal-Gerritsen, advocaat te Tiel, het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door H.M. Bonouvrié en A. Gijzel-Vriezen, ambtenaren van de gemeente, Weha en andere, in de persoon van J.B. Jansen en B. Buitenhuis, bijgestaan door A. Menhart, en het college, vertegenwoordigd door C.J.T.S. Weijers MSc, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar als partij de raad, vertegenwoordigd door H.M. Bonouvrié, ambtenaar van de gemeente, gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.
Artikel 5, sub 4, onderdeel a, van de planvoorschriften
2.2. [appellanten sub 1] en het college van burgemeester en wethouders richten zich in beroep tegen het besluit van het college voor zover daarbij goedkeuring is onthouden aan artikel 5, sub 4, onderdeel a, van de planvoorschriften. Volgens hen blijkt uit de weerlegging van de bedenkingen dat het college niet heeft bedoeld goedkeuring aan dit voorschrift te onthouden. De onthouding van goedkeuring is een omissie in de redactie van het besluit, aldus [appellanten sub 1] en het college van burgemeester en wethouders.
2.3. Ter zitting is gebleken dat het college met betrekking tot de onthouding van goedkeuring aan artikel 5, sub 4, onderdeel a, van de planvoorschriften is teruggekomen op zijn besluit.
Nu het college zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan het in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.
2.4. De beroepen van [appellanten sub 1] en het college van burgemeester en wethouders zijn gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.
2.5. Nu het besluit wat betreft de onthouding van goedkeuring aan artikel 5, sub 4, onderdeel a, van de planvoorschriften gezien het vorenstaande reeds voor vernietiging in aanmerking komt, behoeft hetgeen Weha en andere in dit verband, ter veiligstelling van rechten, hebben aangevoerd geen behandeling. In het nieuwe goedkeuringsbesluit kunnen dit voorschrift en de bedenkingen van Weha en andere op dit punt ten volle aan de orde komen.
Het plandeel met de bestemming "Gemengd gebied" aan de Beethovenlaan 23
2.6. Weha en andere richten zich in beroep tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Gemengd gebied" ter plaatse van het perceel Beethovenlaan 23 (hierna: het plandeel). In dit verband hebben zij aangevoerd dat deze bestemming ten onrechte de planologische mogelijkheden verruimt voor het afhaalcentrum op het perceel Beethovenlaan 23 (hierna: het perceel), omdat het afhaalcentrum als horecagelegenheid volgens hen illegaal aanwezig was onder het voorheen geldende plan en thans als zodanig is gelegaliseerd.
2.7. De raad, en in navolging hiervan het college, heeft zich op het standpunt gesteld dat het afhaalcentrum zowel voor de inwerkingtreding van het plan als daarna gekwalificeerd dient te worden als detailhandel, en dat daarom, gelet op artikel 5, paragraaf 2.1 van de planvoorschriften, horeca ter plaatse niet bij recht is toegestaan.
2.8. Niet in geding is dat ingevolge het voorheen geldende plan op het perceel een detailhandelsbestemming gold. Uit de begripsbepalingen van dat plan blijkt dat onder "detailhandel" werd verstaan: "Het bedrijfsmatig te koop aanbieden waaronder de uitstalling ten verkoop, verkopen en/of leveren van goederen aan de uiteindelijke verbruiker en gebruiker".
2.9. Ingevolge artikel 5, paragraaf 1, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart als "Gemengd gebied" aangegeven gronden bestemd voor onder meer de functies "detailhandel" en "horeca".
Ingevolge artikel 5, paragraaf 2.1, van de planvoorschriften is op de gronden met de bestemming "Gemengd gebied" wat betreft horeca de op het moment van inwerkingtreding van het plan bestaande hoofdfunctie toegestaan en is nieuwvestiging uitsluitend door middel van vrijstelling toegestaan.
Ingevolge artikel 1 van de planvoorschriften dient onder "detailhandel" te worden verstaan: "het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, alsmede anders dan voor gebruik ter plaatse". Ingevolge datzelfde artikel dient onder "horecabedrijf" te worden verstaan, voor zover hier van belang: "een bedrijf of instelling waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt (…)".
2.10. Zoals ter zitting naar voren is gekomen, is eerder handhavend opgetreden met betrekking tot het afhaalcentrum omdat niet meer sprake was van alleen een afhaalcentrum maar tevens van een horecagelegenheid. Bij die gelegenheid zijn de tafels en stoelen verwijderd. Gesteld noch gebleken is dat deze later zijn teruggeplaatst. Niet is aannemelijk gemaakt dat ter plaatse wederom producten werden verstrekt voor gebruik ter plaatse. Gelet op de feitelijke situatie moet het er dan ook voor worden gehouden dat het afhaalcentrum op het moment van inwerkingtreding van het plan legaal in gebruik was als detailhandel.
2.11. Het college heeft zich, gelet op het voorgaande, met de raad terecht op het standpunt gesteld dat het afhaalcentrum met de inwerkingtreding van het plan onder de functie "detailhandel" van de bestemming "Gemengd gebied" is komen te vallen en niet kan worden aangemerkt als bestaande horeca als bedoeld in het plan, zodat het plan op het perceel niet bij recht horeca toestaat.
Gezien het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat met het plan de planologische mogelijkheden voor het afhaalcentrum op het perceel zijn verruimd.
Het betoog mist feitelijke grondslag.
2.12. De conclusie is dat hetgeen Weha en andere hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.
Het beroep van Weha en andere is ongegrond.
2.13. Ten aanzien van Weha en andere bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding. Ten aanzien van het college van burgemeester en wethouders is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van [appellanten sub 1] dient het college op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart de beroepen van [appellanten sub 1] en het college van burgemeester en wethouders van Culemborg gegrond;
II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 18 september 2007, kenmerk 2007-003132, voor zover daarbij goedkeuring is onthouden aan artikel 5, sub 4, onderdeel a, van de planvoorschriften;
III. verklaart het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Horeca Exploitatiemaatschappij Weha B.V. ongegrond;
IV. veroordeelt de provincie Gelderland tot vergoeding van de bij [appellanten sub 1] in verband met de behandeling van hun beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
het dient door de provincie Gelderland onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald aan [appellanten sub 1], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;
V. gelast dat de provincie Gelderland aan onderstaande appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt.
Deze bedragen dienen door de provincie Gelderland op de volgende wijze te worden betaald:
- aan [appellanten sub 1] een bedrag van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;
- aan de gemeente Culemborg een bedrag van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro).
Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bosnjakovic, ambtenaar van Staat.
w.g. Hoekstra w.g. Bosnjakovic
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2008
410-583.