
Jurisprudentie
BF2129
Datum uitspraak2008-09-24
Datum gepubliceerd2008-09-24
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200708310/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-24
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200708310/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 2 oktober 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Buren (hierna: het college van burgemeester en wethouders) bij besluit van 14 augustus 2007 vastgestelde wijzigingsplan "Plan van wijziging nr. 23 (Molenkade)" (hierna: het wijzigingsplan) van het bestemmingsplan "Buitengebied Buren 1997" (hierna: het bestemmingsplan).
Uitspraak
200708310/1.
Datum uitspraak: 24 september 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellanten], allen wonend te [woonplaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Gelderland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 2 oktober 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Buren (hierna: het college van burgemeester en wethouders) bij besluit van 14 augustus 2007 vastgestelde wijzigingsplan "Plan van wijziging nr. 23 (Molenkade)" (hierna: het wijzigingsplan) van het bestemmingsplan "Buitengebied Buren 1997" (hierna: het bestemmingsplan).
Tegen dit besluit hebben[appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 november 2007, beroep ingesteld.
Het college van burgemeester en wethouders heeft nadere stukken ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 juli 2008, waar [appellanten], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door P.G.A.L. Evers, ambtenaar in dienst van de provincie zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan kan worden gewijzigd binnen bij het plan te bepalen grenzen. Bij het besluit omtrent goedkeuring van het wijzigingsplan dient het college te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de WRO gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) rust daarnaast op het college de taak te onderzoeken of het plan binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.
2.2. Het wijzigingsplan voorziet in het verplaatsen van een bouwperceel aan de Molenkade te Beusichem ten behoeve van een grondgebonden agrarisch bedrijf van [belanghebbende].
2.3. [appellanten] betogen dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het wijzigingsplan. Zij voeren daartoe als procedureel bezwaar aan dat zij niet mochten inspreken tijdens vergaderingen van de raad van de gemeente Buren (hierna: de raad).
2.3.1. Het bestreden besluit is tot stand gekomen met toepassing van de procedure ingevolge artikel 11 van de WRO en afdeling 3.4 van de Awb. [appellanten] zijn daarbij in de gelegenheid gesteld zienswijzen naar voren te brengen over het ontwerp van het wijzigingsplan en hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt. Voor het oordeel dat de raad onzorgvuldig heeft gehandeld door geen gelegenheid te bieden in te spreken tijdens vergaderingen over het wijzigingsplan, bestaat dan ook geen grond.
2.4. Voorts betogen [appellanten] dat niet wordt voldaan aan de wijzigingsvoorwaarden van het bestemmingsplan, aangezien er geen sprake is van bedrijfsverplaatsing in de zin van dat plan, omdat van de bouwvergunning voor bedrijfsgebouwen op het te verplaatsen bouwperceel geen gebruik is gemaakt. Bovendien heeft [belanghebbende] volgens [appellanten] geen belang bij verplaatsing, aangezien zijn bedrijf in Culemborg kan worden uitgebreid.
2.4.1. Ingevolge artikel 7, vijfde lid, sub 3, aanhef en onder a en b, van de bestemmingsplanvoorschriften, voor zover thans van belang, kan het college van burgemeester en wethouders de plankaart wijzigen ten aanzien van de gronden met de bestemming "Agrarisch gebied B", inclusief de daarin gelegen woningen en erven met de bestemming "Woonbebouwing B" aangewezen gronden, waarbij de verplaatsing van een bestaand bedrijf of de vestiging van een nieuw grondgebonden agrarisch bedrijf mogelijk wordt gemaakt, met dien verstande dat:
a. het college van burgemeester en wethouders pas overgaat tot wijziging van de plankaart indien:
1. dit geschiedt ter verwezenlijking van een bouwplan om bedrijfsmatige, grondgebonden agrarische producten mogelijk te maken;
2. op grond van de beschikbare gegevens omtrent de aard en de omvang van het bedrijf, gehoord de landbouwkundig adviseur, redelijkerwijs mag worden aangenomen dat het betreffende bedrijf een volwaardig agrarisch bedrijf is dan wel binnen enige jaren zal uitgroeien tot een volwaardig agrarisch bedrijf en het bedrijf niet doelmatig buiten de gronden met de bestemming "Agrarisch gebied B" kan worden gevestigd;
3. de belangen van rechthebbenden ten aanzien van aangrenzende en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
4. de functie en/of waarden, die in het plan aan de omliggende gronden zijn toegekend, niet blijvend onevenredig worden aangetast [..];
b. de wijziging van de plankaart geschiedt door het aangeven van een nieuw agrarisch bouwperceel met een oppervlakte van maximaal 1 ha, en voor zover het betreft het verplaatsen van een bestaand bedrijf, tevens door het afvoeren van het voor dat bedrijf aangewezen bestaande, agrarische bouwperceel, waarbij de bestaande woning of het gebouw waarvan deze woning deel uitmaakt, mag worden aangewezen voor de bestemming "Woonbebouwing B" [..].
2.4.2. Het wijzigingsplan voorziet in een wijziging van de plankaart, waarbij de verplaatsing van het bedrijf van [belanghebbende] naar de Molenkade mogelijk wordt gemaakt, door het aangeven van een nieuw agrarisch bouwperceel aan de [locatie 1] en het afvoeren van het voor dit bedrijf aangewezen bestaande agrarische bouwperceel aan de [locatie 2]. De omstandigheid dat laatstgenoemd perceel nog niet was bebouwd ondanks een daarvoor afgegeven bouwvergunning is, gelet op het bepaalde in artikel 7, vijfde lid, sub 3, aanhef, en onder b, van de bestemmingsplanvoorschriften, geen beletsel om van de wijzigingsbevoegdheid gebruik te maken. Uit het verhandelde ter zitting is voorts gebleken dat deze bouwvergunning is ingetrokken. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat in zoverre niet aan de wijzigingsvoorwaarden is voldaan.
Gelet op het landbouwkundig advies, de in het verzoek van [belanghebbende] aangegeven bedrijfseconomische redenen voor de verplaatsing, zoals de omvang en de ligging van de huiskavel en de ontsluiting van de percelen in verband met de te verwachten transportbewegingen, en het daarbij gevoegde bedrijfsplan, is ook aan het in artikel 7, vijfde lid, sub 3, aanhef en onder a, onderdelen 1 en 2, van de planvoorschriften gelegen belang bij verplaatsing voldaan.
2.5. Het betoog van [appellanten] dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel, aangezien hun aanvraag voor een agrarisch bouwperceel aan de Molenkade is afgewezen, wordt door de Afdeling niet gevolgd. Ten aanzien van de door [appellanten] gemaakte vergelijking met het verzoek van [belanghebbende] wordt overwogen dat het college zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie bij [appellanten], reeds omdat het bij [belanghebbende] gaat om een verplaatsing van een agrarisch bouwperceel terwijl [appellanten] hebben verzocht om een nieuw agrarisch bouwperceel.
2.6. Met het bestaan van de door het college goedgekeurde wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan mag de aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft in beginsel als een gegeven worden beschouwd, indien is voldaan aan de bij het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Dit neemt echter niet weg dat het bij het vaststellen van een wijzigingsplan gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. Het feit dat aan de in een bestemmingsplan opgenomen wijzigingsvoorwaarden is voldaan, laat de plicht van het college onverlet om in de besluitvorming omtrent de goedkeuring van een wijzigingsplan na te gaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming is gerechtvaardigd.
2.7. [appellanten] betogen dat het wijzigingsplan in strijd is met het na de inwerkingtreding van het bestemmingsplan vastgestelde streekplan en het gemeentelijke landschapsbeleidsplan. Zij voeren daartoe aan dat het in deze plannen opgenomen beleid met betrekking tot zogeheten Open komgebieden er op is gericht geen nieuwe bouwlocaties aan de Molenkade toe te staan en agrarische activiteiten zoveel mogelijk te clusteren. De verplaatsing van het agrarische bedrijf van [belanghebbende] leidt tot de toevoeging een bouwperceel en tot versnippering, als [belanghebbende] zijn agrarische bedrijf in Culemborg niet opheft.
2.7.1. Het college van burgemeester en wethouders stelt zich op het standpunt dat in het Open komgebied met enig voorbehoud wordt omgegaan met nieuwe bebouwing, maar dat van strijd met het streekplan en het landschapsbeleidsplan geen sprake is, omdat het wijzigingsplan in dit geval slechts voorziet in de verplaatsing van een bestaand bouwperceel zodat de bebouwing per saldo niet toeneemt.
Het college heeft dit standpunt in redelijkheid kunnen overnemen. Gelet hierop bestaat evenmin aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat verplaatsing van het bouwperceel mogelijk is, zonder dat de waarde van het landschap onevenredig wordt aangetast, als bedoeld in artikel 7, vijfde lid, sub 3, aanhef en onder a, onderdeel 4, van de planvoorschriften. Daarbij is in aanmerking genomen dat uit het aan het wijzigingsplan ten grondslag gelegde landschapskundig advies van Pouderoyen Compagnons van 12 januari 2007 volgt dat landschappelijk een nieuw erf onderdeel kan uitmaken van de bestaande geclusterde verdichting langs de Molenkade. Een nieuw erf zal in schaal en maat beter aansluiten bij de bestaande erven, boomgaarden en bospercelen in de cluster Molenkade-Rijksstraatweg, aldus voornoemd advies.
2.8. [appellanten] betogen dat hun belangen onvoldoende bij het bestreden besluit zijn meegewogen. Daartoe voeren zijn aan dat met de komst van de nieuwe bedrijfsbebouwing het uitzicht zal verminderen en de exploitatie van hun kersenboomgaard vanwege stofhinder veroorzaakt door de veehouderij zal worden belemmerd. Voorts zullen de bestaande agrarische bedrijven aan de Molenkade in hun ontwikkeling worden beperkt, aangezien er geen sprake meer kan zijn van normale groei of schaalvergroting en problemen ontstaan met de ruil- of herverkaveling. Tevens voeren zij aan dat zij door de in het wijzigingsplan voorziene bedrijfswoning niet meer kunnen voldoen aan de afstandsnorm in de gemeentelijke beleidsregels inzake afschrikkanonnen voor vogels, die worden gebruikt in hun naast het nieuwe bouwperceel gelegen kersenboomgaard, zodat de fruitteelt zal stagneren.
2.8.1. Voorop staat dat in het algemeen geen recht bestaat op blijvend vrij uitzicht. De afstand van de dichtstbijzijnde bedrijfswoning van [appellanten] tot het nieuwe bouwperceel is 165 meter. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat aan het bedrijfseconomische belang van [belanghebbende] een zwaarder gewicht toekomt dan aan het belang van [appellanten] bij een ongewijzigd uitzicht.
2.8.2. Uit hetgeen [appellanten] aanvoeren is niet aannemelijk geworden dat de kwaliteit van de te oogsten kersen wordt beïnvloed door stof van de veehouderij. Daarbij is de afstand van het bedrijf tot de kersenboomgaard en de variabele windrichting in aanmerking genomen.
2.8.3. In navolging van het college van burgmeester en wethouders, stelt het college zich op het standpunt dat uitbreiding van de bestaande bedrijven en de her- en ruilverkaveling beïnvloed noch belemmerd worden door de verplaatsing van het agrarisch bouwperceel. In het nieuwe bestemmingsplan "Buitengebied 2004" wordt blijkens de reactie van het college van burgmeester en wethouders op de zienswijzen aandacht besteed aan voldoende uitbreidingsmogelijkheden voor agrarische bouwkavels. Aldus is rekening gehouden met een normale groei van de bestaande agrarische bedrijven.
2.8.4. De "Beleidsregel geluidhinder knalapparaten" van de gemeente Buren (hierna: de beleidsregel) gaat ervan uit dat hinder door knalapparaten in de fruitteeltregio vrijwel niet is uit te sluiten. Een zekere mate van hinder ten gevolge van het gebruik van knalapparaten is in dit verband toelaatbaar, mits de mate en de tijdsperiode waarin de hinder kan worden ondervonden is beperkt. In de beleidsregel worden de reguliere geluidnormen en de daarmee verband houdende afstandsnormen verlaten, hetgeen slechts toelaatbaar wordt geacht als het gaat om een bedrijfsvoering in uitzonderlijke omstandigheden, te weten ter voorkoming dan wel beperking van ernstige vraatschade aan rijpend fruit. Deze omstandigheden doen zich volgens de beleidsregel in het algemeen voor in de periode half mei tot en met oktober. Afwijking van de reguliere geluidnorm is ingevolge de beleidsregel toelaatbaar tussen 07.00 en 21.00 uur.
Het college heeft zich, met verwijzing naar de reactie van het college van burgemeester en wethouders op de zienswijzen van [appellanten], op het standpunt gesteld dat door de afstand tussen de in het wijzigingsplan voorziene bedrijfswoning van [belanghebbende] en de kersenboomgaard van [appellanten] en gelet op de omstandigheden waaronder het gebruik van knalapparaten volgens de beleidsregel is toegestaan, de hinder beperkt is en de kersenoogst en het daarmee verkregen inkomen niet onder druk komen te staan, zodat [appellanten] niet worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Het college gaat daarbij uit van afstanden tussen de voorziene bedrijfswoning en de percelen waarop de kersenboomgaard is gelegen variërend van 165 tot 177 meter. Ter zitting is echter gebleken dat de kortste afstand tussen het bouwblok voor de bedrijfswoning en de kavel met de kersenboomgaard 70 meter is. Bovendien is onduidelijk hoe deze afstand moet worden beoordeeld in het licht van de gemeentelijke regelgeving, nu in de beleidsregel en de daarbij behorende samenvatting uiteenlopende minimumafstanden voor knalapparatuur worden genoemd en niet duidelijk is hoe de beleidsregel zich verhoudt tot de daarin genoemde ontheffingsmogelijkheid op grond van artikel 4.1.7. van de Algemene Plaatselijke Verordening voor het veroorzaken van geluidhinder.
Gelet hierop is het standpunt van het college, dat de hinder van de knalapparatuur, gezien de afstand tot de bedrijfswoning, beperkt is en de kersenoogst en het daarmee verkregen inkomen niet onder druk zal komen te staan, onvoldoende onderbouwd.
2.9. De conclusie is dat hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.
2.10. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 2 oktober 2007, kenmerk 2007-015294;
III. gelast dat de provincie aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.
w.g. Bartel w.g. Boermans
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2008
429-573.