Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF2128

Datum uitspraak2008-09-24
Datum gepubliceerd2008-09-24
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200707477/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 11 september 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dronten (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een water-/slibdepot op het perceel kadastraal bekend gemeente Dronten, sectie C, nummers 970 en 971. Dit besluit is op 14 september 2007 ter inzage gelegd.


Uitspraak

200707477/1. Datum uitspraak: 24 september 2008 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellanten], wonend te [woonplaats], en het college van burgemeester en wethouders van Dronten, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 11 september 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dronten (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een water-/slibdepot op het perceel kadastraal bekend gemeente Dronten, sectie C, nummers 970 en 971. Dit besluit is op 14 september 2007 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 oktober 2007, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 november 2007. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht (hierna: het deskundigenbericht) uitgebracht. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 augustus 2008, waar [appellanten], in persoon en bijgestaan door mr. ir. J.M.M. Kroon, advocaat te Wageningen, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de grond dat het college niet bevoegd was om op de aanvraag te beslissen en de grond dat het in werking zijn van de inrichting tot verontreiniging van de bodem en het grondwater leidt, niet-ontvankelijk zijn, omdat deze gronden geen grondslag hebben in de door [appellanten] over het ontwerpbesluit naar voren gebrachte zienswijze. 2.1.1. Uit artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht vloeit voort dat een belanghebbende geen beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waarover hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van een zienswijze hem redelijkerwijs niet kan worden verweten. Bij besluiten inzake een milieuvergunning worden de beslissingen over de aanvaardbaarheid van verschillende categorieën milieugevolgen als onderdelen van een besluit in vorenbedoelde zin aangemerkt. [appellanten] hebben geen zienswijze naar voren gebracht met betrekking tot bodem- en grondwaterverontreiniging. Niet gebleken is van omstandigheden op grond waarvan geoordeeld moet worden dat hen redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij hierover geen zienswijze naar voren hebben gebracht. Het beroep dient in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard. Of het college bevoegd was het bestreden besluit te nemen, dient door de Afdeling ambtshalve te worden getoetst. Anders dan het college betoogt, is er dan ook geen plaats voor niet-ontvankelijkverklaring van de hierop betrekking hebbende beroepsgrond. 2.2. [appellanten] betogen dat het college niet bevoegd was om op de aanvraag te beslissen. In dit verband stellen zij dat de aanvraag betrekking heeft op een opslagcapaciteit van meer dan 10.000 m3 slib, zodat het college van gedeputeerde staten van Flevoland volgens hen het bevoegd gezag is. [appellanten] verwijzen daarbij naar de categorieën 11 en 28 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (hierna: het Ivb). 2.2.1. De inrichting waarvoor vergunning is gevraagd, is een water-/slibdepot ten behoeve van de aanleg van de Hanzespoorlijn. Bij de aanleg van deze spoorlijn wordt zand opgespoten. Het bij het transport van dit zand gebruikte perswater wordt overgepompt en verzameld in onder meer de inrichting. Vanuit de inrichting wordt het perswater geloosd op het oppervlaktewater. Voorafgaand aan deze lozing vindt in de inrichting bezinking plaats van bestanddelen -zand- die niet in het perswater zijn opgelost. Doel hiervan is blijkens het deskundigenbericht onder meer het voorkomen dan wel beperken van de vertroebeling van het oppervlaktewater door de lozing. Na beëindiging van de activiteiten in de inrichting is volgens het deskundigenbericht naar verwachting maximaal twee centimeter - schoon - zand in de inrichting gesedimenteerd. 2.2.2. Vaststaat dat de inrichting vanwege de opslag van brandbare vloeistoffen in ieder geval valt onder categorie 5 van bijlage I van het Ivb. De inrichting behoort niet tot de inrichtingen waarvoor in die categorie het college van gedeputeerde staten als bevoegd gezag is aangewezen. Voor zover de inrichting al mede valt onder de categorieën 11 en 28 van bijlage I van het Ivb, is evenmin gebleken dat de inrichting behoort tot de inrichtingen waarvoor in die categorieën het college van gedeputeerde staten als bevoegd gezag is aangewezen. Ook voor het overige bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten van Flevoland bevoegd was om op de aanvraag te beslissen. Deze grond faalt. 2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt. Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe. 2.4. [appellanten] vrezen dat het in werking zijn van de inrichting tot vernatting van omliggende percelen leidt. 2.4.1. Het college acht deze vrees ongegrond. Het college wijst er daarbij op dat het bij besluit van 16 januari 2008 een verklaring als bedoeld in artikel 8.19, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer heeft gegeven met betrekking tot een gemelde verandering van de inrichting. De verandering betreft onder meer voorzieningen bedoeld om vernatting van omliggende percelen te voorkomen. Volgens het college bieden deze voorzieningen in combinatie met de voorschriften van de bij het bestreden besluit verleende vergunning een toereikende bescherming tegen vernatting. 2.4.2. In het deskundigenbericht is geconcludeerd dat het bestreden besluit ontoereikende waarborgen bevat om vernatting van omliggende percelen te voorkomen. De Afdeling ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van deze conclusie. Gelet hierop is het bestreden besluit wat dit aspect betreft in strijd met artikel 8.11, tweede en derde lid, van de Wet milieubeheer genomen. De op grond van artikel 8.19 van de Wet milieubeheer gedane melding en het daarop betrekking hebbende besluit van 16 januari 2008 kunnen hieraan niet afdoen, reeds omdat de bij het bestreden besluit verleende vergunning daardoor niet wordt gewijzigd. Deze grond slaagt. 2.5. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. 2.6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het de grond betreft dat het in werking zijn van de inrichting tot verontreiniging van de bodem en het grondwater leidt; II. verklaart het beroep voor het overige gegrond; III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Dronten van 11 september 2007, nr. 07/10, kenmerk U07.017771/VHV/GS/cc; IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Dronten tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 684,08 (zegge: zeshonderdvierentachtig euro en acht cent), waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Dronten aan [appellanten] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander; V. gelast dat de gemeente Dronten aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander. Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat. w.g. Van Kreveld w.g. Klap voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2008 462.