Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF2127

Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-24
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200805647/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter


Indicatie

Bij besluit van 7 maart 2008 heeft het dagelijks bestuur van het waterschap Zeeuwse Eilanden (hierna: het dagelijks bestuur) aan [verzoekster] een vergunning als bedoeld in artikel 1, eerste en tweede lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: de Wvo) verleend voor het lozen van mogelijk verontreinigd hemelwater op het oppervlaktewater en het lozen van bedrijfsafvalwater, via de gemeentelijke riolering en een rioolwaterzuiveringsinrichting, op het oppervlaktewater. Dit besluit is op 11 juni 2008 ter inzage gelegd.


Uitspraak

200805647/2. Datum uitspraak: 17 september 2008 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen: [verzoekster], gevestigd te [plaats], en het dagelijks bestuur van het waterschap Zeeuwse Eilanden, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 7 maart 2008 heeft het dagelijks bestuur van het waterschap Zeeuwse Eilanden (hierna: het dagelijks bestuur) aan [verzoekster] een vergunning als bedoeld in artikel 1, eerste en tweede lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: de Wvo) verleend voor het lozen van mogelijk verontreinigd hemelwater op het oppervlaktewater en het lozen van bedrijfsafvalwater, via de gemeentelijke riolering en een rioolwaterzuiveringsinrichting, op het oppervlaktewater. Dit besluit is op 11 juni 2008 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit heeft [verzoekster] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 juli 2008, beroep ingesteld. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 juli 2008, heeft [verzoekster] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 1 september 2008, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door mr. ing. G.J. Kremers, ir. P.P. van der Pijl, mr. C.M. van der Heijden en ing. D.A.F. Touw, en het dagelijks bestuur van het waterschap Zeeuwse Eilanden, vertegenwoordigd door ing. J. van Dijk, werkzaam bij Van Dijk Water Management, en drs. S. Holvast, werkzaam bij het waterschap, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. 2.2. Ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: de Wvo) worden aan een vergunning voorschriften verbonden tot bescherming van de belangen, waarvoor het vereiste van vergunning is gesteld. Ingevolge artikel 7, vijfde lid, van de Wvo is met betrekking tot een vergunning, als de onderhavige, onder meer artikel 8.11 van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt. Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het dagelijks bestuur een zekere beoordelingsvrijheid toe. 2.3. [verzoekster] betoogt dat de in voorschrift 2 neergelegde lozingseisen onnodig bezwarend zijn. Volgens haar zijn deze eisen strenger dan voortvloeit uit de toepassing van de beste beschikbare technieken. [verzoekster] stelt zich op het standpunt dat reeds de beste beschikbare technieken worden toegepast, hetgeen volgens haar onder meer blijkt uit een in 2005 door adviesbureau URS uitgevoerd onderzoek. Ten aanzien van de lozingseisen voor de afvalwaterstromen 1 en 2 voert [verzoekster] onder meer aan dat grenswaarden voor de parameter CZV niet nodig zijn, omdat de aanwezigheid van CZV in het te lozen hemelwater de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater volgens haar niet aantast. Ook is volgens [verzoekster] onvoldoende rekening gehouden met de foutenmarge bij de bemonstering en analyse, nu de grenswaarden voor EOX en fenol dicht bij de detectielimieten voor deze stoffen liggen. Ten aanzien van de lozingseisen voor de afvalwaterstromen 3 tot en met 20 voert [verzoekster] aan dat het college zich bij het stellen van deze eisen ten onrechte heeft gebaseerd op de resultaten van het zogenoemde sigma-6-project, dat door [verzoekster] is uitgevoerd om haar afvalwatersituatie verder te verbeteren. [verzoekster] betoogt dat het sigma-6-project aanzienlijke extra inspanningen vergde, zodat uit de resultaten van dat project niet zonder meer kan worden afgeleid dat de behaalde emissies overeenkomen met toepassing van de beste beschikbare technieken. Voorts acht [verzoekster] het stellen van grenswaarden voor de stoffen borneol en camphor niet nodig in het belang van de bescherming van het milieu. 2.3.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de lozingseisen kunnen worden beschouwd als uitvloeisel van de toepassing van ten minste de met betrekking tot de lozing in aanmerking komende beste beschikbare technieken. 2.3.2. De voorzitter overweegt dat de beantwoording van de vraag of de lozingseisen in voorschrift 2, eerste en derde lid, in overeenstemming zijn met de toepassing van ten minste de met betrekking tot de lozing in aanmerking komende beste beschikbare technieken, nader onderzoek vergt waarvoor de onderhavige procedure zich niet leent. Ter zitting is door het college gesteld dat ten aanzien van de olieafscheiders voor de behandeling van het afvalwater van de HCR-1, HCR-2 en de Hydro/Regalite nog niet duidelijk is of aan de in het BREF-document Afvalwater- en Afgasbehandeling genoemde emissiewaarden en rendementen kan worden voldaan; pas na nader onderzoek kan volgens het college worden vastgesteld of het gebruik van de olieafscheiders ertoe leidt dat bij de lozing daadwerkelijk ten minste de in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Nu het college hiernaar geen nader onderzoek heeft verricht alvorens een beslissing op de aanvraag te nemen, heeft het college bij het nemen van het bestreden besluit in zoverre, in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, niet de nodige kennis vergaard omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Voor zover het de overige in voorschrift 2 bedoelde afvalwaterstromen betreft, acht de voorzitter het aannemelijk dat [verzoekster] investeringen zal moeten doen om aan de lozingseisen, in het bijzonder die voor hemelwater, te voldoen. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting acht de voorzitter het bovendien niet aannemelijk dat in de door [verzoekster] aangevraagde situatie de nadelige gevolgen van de lozingen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater - ondanks een uitbreiding van de productie in een van de installaties - substantieel zullen verslechteren ten opzichte van de situatie die op grond van de vergunningen van 19 april 1995 en 31 maart 1998 thans is vergund. Gelet hierop ziet de voorzitter, na afweging van de betrokken belangen, aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. 2.4. [verzoekster] heeft in de onderhavige procedure eveneens gronden naar voren gebracht over de aan het bestreden besluit verbonden voorschriften 3, derde lid, 4 en 9, eerste, derde en vijfde lid. Naar het oordeel van de voorzitter hangen deze voorschriften zodanig samen met de in voorschrift 2 gestelde lozingseisen, dat reeds hierom aanleiding bestaat ten aanzien van deze voorschriften eveneens een voorlopige voorziening te treffen. 2.5. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen. 2.6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken. 3. Beslissing De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het dagelijks bestuur van 7 maart 2008, kenmerk 2008003395a, voor zover het betreft de voorschriften 2, 3, derde lid, 4 en 9, eerste, derde en vijfde lid; II. gelast dat het waterschap Zeeuwse Eilanden aan [verzoekster] het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R. Teuben, ambtenaar van Staat. w.g. Van Kreveld w.g. Teuben Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2008 483.