Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF2125

Datum uitspraak2008-09-24
Datum gepubliceerd2008-09-24
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200707945/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 2 november 2005 heeft de raad van de gemeente Deventer (hierna: de gemeenteraad) een verzoek van [appellant] om vergoeding van planschade afgewezen.


Uitspraak

200707945/1. Datum uitspraak: 24 september 2008 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak in zaak nr. 07/227 van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 4 oktober 2007 in het geding tussen: [appellant] en de raad van de gemeente Deventer. 1. Procesverloop Bij besluit van 2 november 2005 heeft de raad van de gemeente Deventer (hierna: de gemeenteraad) een verzoek van [appellant] om vergoeding van planschade afgewezen. Bij besluit van 24 januari 2007 heeft de gemeenteraad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 4 oktober 2007, verzonden op 8 oktober 2007, heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 november 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brieven van 7 december 2007 en 24 december 2007. De gemeenteraad heeft een verweerschrift ingediend. [appellant] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij toegezonden. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 augustus 2008, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Deventer, en de gemeenteraad, vertegenwoordigd door M.G. van Beest en F.K. de Jong-van Popta, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de Wro), zoals die bepaling luidde ten tijde van belang en voor zover thans van belang, kent de gemeenteraad, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe. 2.2. Bij de beoordeling van een verzoek om planschadevergoeding dient te worden onderzocht of zich een wijziging van het planologische regime heeft voorgedaan, waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan deze schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregel en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is wat betreft het oude planologische regime niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van dat regime maximaal kon worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Dit uitgangspunt geldt evenzeer voor de vaststelling van de eventuele waardevermindering. 2.3. [appellant] is eigenaar van het perceel [locatie] te [plaats]. Hij heeft de gemeenteraad verzocht om vergoeding van schade die hij stelt te lijden in de vorm van vermindering van de waarde van zijn pand ten gevolge van het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Deventer (hierna: het college) van 24 juni 2004. Bij dit besluit heeft het college vrijstelling krachtens artikel 19, derde lid, van de Wro verleend voor het vergroten van de woning op het perceel Rozengaarderweg 72 (hierna: het perceel) te Deventer over een diepte van 3 m en een hoogte van 2,95 m gemeten tot bovenzijde van de dakrand. 2.4. Op het gedeelte van het perceel waar de vergroting van de woning is verwezenlijkt rust ingevolge het geldende bestemmingsplan "Rozengaarderweg 1976" de bestemming "Overige tuinen en erven B". Ingevolge artikel 10, achtste lid, van de bij het bestemmingsplan behorende voorschriften mag op grond met deze bestemming op het achtererf van een eengezinshuis alleen worden gebouwd: a) een schuur of dergelijk bijgebouw met een binnenwerks gemeten oppervlakte van ten hoogste 9 m² en een grootste hoogte van niet meer dan 2,5 m, b) een garage met een uitwendige oppervlakte van ten hoogste 20 m² en een grootste hoogte van niet meer 2,5 m, mits deze over een tot het bouwperceel behorend toegangspad met een breedte van ten minste 2,5 m bereikbaar is vanaf een voor verkeer met motorvoertuigen openstaande weg, c) bouwwerken, geen gebouw zijnde, met een grootste hoogte van niet meer dan 1,5 m en die tezamen geen grotere terreinoppervlakte beslaan dan 6 m². De afstand tussen onder a) en b) bedoelde bijgebouwen en de achtergevel van het woonhuis dient ten minste 3 m te bedragen. De onder a) en b) genoemde bijgebouwen mogen tot een bijgebouw worden gecombineerd. Ingevolge artikel 10, negende lid van de bestemmingsplanvoorschriften mag op deze gronden in plaats van de in het achtste lid onder c) omschreven bebouwing een bijgebouw worden opgericht, niet zijnde een schuur of dergelijk bijgebouw voor huishoudelijke doeleinden, zoals een plantenkas, dierenhok of dergelijke van lichte constructie met een uitwendige oppervlakte van ten hoogste 4,5 m² en een grootste hoogte van niet meer dan 2 m, dan wel een oppervlakte van ten hoogste 4 m² en een grootste hoogte van niet meer dan 2,25 m. Ingevolge artikel 10, tiende lid, van de bestemmingsplanvoorschriften, voor zover thans van belang, kan vrijstelling worden verleend van het bepaalde in het achtste lid voor de bouw op het achtererf van meer of grotere bijgebouwen die geen bedrijfsgebouwen mogen bevatten, mits de goothoogte daarvan niet meer bedraagt dan 2,5 m, de grootste hoogte niet meer bedraagt dan 3,5 m en het oppervlak dat door de bijgebouwen wordt ingenomen (met uitzondering van de bouwwerken, geen gebouw zijnde, als bedoeld in het achtste lid, onder c)) in deze gevallen niet meer bedraagt dan een vierde deel van het achtererf en tevens: - wanneer onder bijgebouwen is begrepen een garage als bedoeld in het achtste lid onder b) niet meer dan 40 m², - in de overige gevallen niet meer dan 20 m². 2.5. De gemeenteraad heeft het verzoek van [appellant] ter advisering voorgelegd aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ). De SAOZ heeft in haar advies van augustus 2005 een vergelijking gemaakt tussen het bestemmingsplan "Rozengaarderweg 1976" en de planologische situatie die door de bij besluit van 24 juni 2004 verleende vrijstelling is ontstaan. Volgens het advies was op grond van het planologische regime dat gold tot 24 juni 2004 bebouwing mogelijk die hoger was dan de met de vrijstelling mogelijk gemaakte bebouwing. Gelet hierop heeft de SAOZ zich op het standpunt gesteld dat [appellant] als gevolg van de vrijstelling niet in een planologisch nadeliger positie is komen te verkeren. De SAOZ heeft dit advies gehandhaafd bij aanvullende adviezen van 17 februari 2006 en 1 november 2006. De gemeenteraad heeft eerstgenoemd advies overgenomen en aan het besluit van 2 november 2005 ten grondslag gelegd. Tevens heeft hij dit advies tezamen met de aanvullende adviezen aan het besluit 24 januari 2007 ten grondslag gelegd. 2.6. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de gemeenteraad de adviezen van de SAOZ niet aan zijn besluiten ten grondslag heeft mogen leggen, omdat in deze adviezen een onjuiste benadering is gekozen en een onjuiste uitleg van het bestemmingsplan is gehanteerd. [appellant] voert in dit verband aan dat de vergroting van de woning niet gedeeltelijk in de plaats komt van hetgeen met vrijstellingen van de bepalingen van het geldende bestemmingsplan mogelijk was, maar dat deze mogelijkheden ook kunnen worden benut na verwezenlijking van deze vergroting. 2.7. Dit betoog slaagt. Na het verlenen van een vrijstelling krachtens artikel 19, derde lid, van de Wro als hiervoor bedoeld, is op het gedeelte van het perceel waarop deze vrijstelling niet ziet, de ingevolge het bestemmingsplan "Rozengaarderweg 1976"geldende bestemming "Overige tuinen en erven B" blijven rusten. Dit betekent dat op dat gedeelte de hiervoor in rechtsoverweging 2.4 bedoelde bebouwing mogelijk blijft met in achtneming van de daar aangegeven maten en oppervlakte-eisen. De met het verlenen van vrijstelling op grond van artikel 19, derde lid, van de Wro mogelijk gemaakte vergroting van de woning komt dus niet in de plaats van een gedeelte van deze bebouwing. De SAOZ heeft dit miskend en is daardoor in haar adviezen derhalve van een onjuiste planologische vergelijking uitgegaan. 2.8. Reeds gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de gemeenteraad op de adviezen van de SAOZ mocht afgaan. 2.9. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 24 januari 2007 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:9 en 7:12 van de Awb. De gemeenteraad dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. 2.10. De gemeenteraad wordt op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten veroordeeld. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 4 oktober 2007 in zaak nr. 07/227; III. veroordeelt de gemeenteraad van Deventer tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Deventer aan [appellant] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald; IV. gelast dat de gemeente Deventer aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 355,00 (zegge: driehonderdvijfenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. C.W. Mouton, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat. w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Groenendijk voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2008 164.