Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF2122

Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-24
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200804338/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter


Indicatie

Bij besluit van 22 april 2008, verzonden 7 mei 2008, heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college) de bij besluit van 4 december 2001 aan de [vergunninghouder] verleende vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voor een scheepswerf aan de [locatie] te [plaats] ingetrokken met toepassing van artikel 8.25, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet milieubeheer.


Uitspraak

200804338/2. Datum uitspraak: 17 september 2008 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Scheepswerf Maastricht B.V., gevestigd te Maastricht, verzoekster, en het college van gedeputeerde staten van Limburg, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 22 april 2008, verzonden 7 mei 2008, heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college) de bij besluit van 4 december 2001 aan de [vergunninghouder] verleende vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voor een scheepswerf aan de [locatie] te [plaats] ingetrokken met toepassing van artikel 8.25, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet milieubeheer. Tegen dit besluit heeft de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Scheepswerf Maastricht B.V. bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 juni 2008, beroep ingesteld. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 juli 2008, heeft zij haar beroep aangevuld. Bij brief, bij de Afdeling ingekomen op 18 juni 2008, heeft Scheepswerf Maastricht B.V. de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 25 augustus 2008, waar Scheepswerf Maastricht B.V., vertegenwoordigd door mr. M.B.Ph. Geeraedts, advocaat te 's-Hertogenbosch, en [directeur], en het college van gedeputeerde staten van Limburg, vertegenwoordigd door mr. M.S. Mehilal, advocaat te 's-Gravenhage, en G.C.H. Broen, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. N. Menouar, advocaat te Rotterdam, als belanghebbende gehoord. 2. Overwegingen 2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. 2.2. Bij het bestreden besluit is de milieuvergunning voor een scheepswerf aan de [locatie] te [plaats] ingetrokken. Dit besluit berust op een advies van 24 oktober 2007 van het Bureau Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Bureau Bibob) en richtte zich tot [vergunninghouder], volgens het college ten tijde van het bestreden besluit de drijver van de inrichting. Onbestreden is dat deze scheepswerf in ieder geval sinds 7 juli 2008 wordt gedreven door Scheepswerf Maastricht B.V. 2.3. Scheepswerf Maastricht B.V. voert aan dat zij reeds sinds 12 april 2008 de inrichting feitelijk drijft. Zij stelt dat de inrichting op 11 februari 2008 door de directeur van [vergunninghouder] aan haar directeur is verkocht in de vorm van een huurkoopovereenkomst. Op 7 juni 2008 heeft [vergunninghouder] op grond van artikel 8.20, tweede lid, van de Wet milieubeheer aan het college gemeld dat de vergunning voor Scheepswerf Maastricht B.V. zal gaan gelden, als de feitelijke drijver van de inrichting. Scheepswerf Maastricht B.V. is van mening dat het onzorgvuldig is dat het college niet heeft onderzocht wie de inrichting dreef ten tijde van het intrekkingsbesluit. Scheepswerf Maastricht B.V. voert aan dat [vergunninghouder] op 22 mei 2007, toen het college advies vroeg van het Bureau Bibob vergunninghoudster noch drijver van de inrichting was, zodat ten aanzien van [vergunninghouder] geen advies gevraagd had kunnen worden. Zij betoogt dat het bestreden besluit, gelet op artikel 8.25, vierde lid, van de Wet milieubeheer, ten onrechte is voorbereid met toepassing van Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), zodat haar reeds daarom niet kan worden verweten dat zij geen zienswijzen heeft ingediend. 2.4. Het college voert aan dat Scheepswerf Maastricht B.V. niet-ontvankelijk is, nu zij geen zienswijzen heeft ingediend. Het college vermeldt dat [vergunninghouder] bij brief van 8 maart 2004 heeft bevestigd dat zij de drijver van de inrichting is. Derhalve is het college van mening dat het terecht advies van Bureau Bibob heeft gevraagd met betrekking tot [vergunninghouder] Het college vermeldt dat Scheepswerf Maastricht B.V. zich pas na de intrekking van de vergunning, bij het besluit van 22 april 2008, als drijver heeft gemeld. Het college kon er daarom ten tijde van het bestreden besluit van uitgaan dat [vergunninghouder] de inrichting dreef, aldus het college. Inmiddels heeft het college Bureau Bibob om een advies gevraagd met betrekking tot Scheepswerf Maastricht B.V. en haar directeur. 2.5. De voorzitter stelt zich voorshands op het standpunt dat het college het bestreden besluit heeft kunnen voorbereiden met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb, maar dat het niet indienen van zienswijzen door Scheepswerf Maastricht B.V. verschoonbaar is, nu zij eerst na de periode dat het ontwerpbesluit ter inzage heeft gelegen, van 20 december 2007 tot en met 30 januari 2008, eigenaar is geworden van de scheepswerf. Aan de intrekking van de milieuvergunning is ten grondslag gelegd een advies van het Bureau Bibob dat betrekking heeft op [vergunninghouder]. De intrekking heeft, wanneer deze onherroepelijk zou worden, echter gevolgen voor Scheepswerf Maastricht B.V., welke vennootschap de inrichting inmiddels drijft. Deze vennootschap mag de scheepswerf zonder vergunning niet exploiteren. Het advies dat van Bureau Bibob is gevraagd over deze laatstgenoemde vennootschap is door het college nog niet ontvangen. Nu de inrichting niet langer wordt gedreven door [vergunninghouder], op welke vennootschap het advies van het Bureau Bibob van 24 oktober 2007 ziet, de intrekking gevolgen heeft voor Scheepswerf Maastricht B.V. en het advies van Bureau Bibob ten aanzien van haar nog niet is ontvangen, ziet de voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen. Overigens kan het college, wanneer het college het advies van Bureau Bibob heeft ontvangen en dit advies daartoe aanleiding geeft, een verzoek indienen de voorlopige voorziening op te heffen. 2.6. Het college dient ten aanzien van Scheepswerf Maastricht B.V. op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. 3. Beslissing De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg 22 april 2008, kenmerk 2008/15486; II. veroordeelt het college tot vergoeding van bij Scheepswerf Maastricht B.V. in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 688,38 (zegge: zeshonderdachtentachtig euro en achtendertig cent), waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Limburg aan Scheepswerf Maastricht B.V. onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald; III. gelast dat de provincie Limburg aan Scheepswerf Maastricht B.V. het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat. w.g. Oosting w.g. Sparreboom voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2008 195-433.