Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF2121

Datum uitspraak2008-09-03
Datum gepubliceerd2008-09-24
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
ZittingsplaatsUtrecht
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 07/46103, 07/46104
Statusgepubliceerd


Indicatie

Herhaalde aanvraag / artikel 4:6 Awb / hetzelfde feitencomplex?
Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de onderhavige aanvraag om een verblijfsvergunning een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb betreft. De rechtbank stelt vast dat eisers aanvragen van 6 mei 2003 en 7 mei 2004 beide reguliere verblijfsvergunningen betreffen, maar dat deze zien op verschillende beperkingen, te weten respectievelijk ‘het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst’ en ‘arbeid als zelfstandige’. Reeds om die reden kan naar het oordeel van de rechtbank geen sprake zijn van een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Voorts dient de vraag te worden beantwoord of het onderhavige beroep ertoe strekt dat de rechtbank dezelfde kwestie nogmaals beoordeelt. In dat verband is van belang of eiser in de onderhavige procedure hetzelfde feitencomplex aan zijn verzoek om vrijstelling van het mvv-vereiste ten grondslag heeft gelegd als in de procedure, ingeleid met de aanvraag van 6 mei 2003. De rechtbank is van oordeel dat eiser in beide procedures niet hetzelfde feitencomplex aan zijn verzoek om vrijstelling van het mvv-vereiste ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank concludeert dan ook dat thans niet nogmaals dezelfde kwestie ter beoordeling voorligt.


Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG Zittinghoudende te Utrecht Sector bestuursrecht zaaknummers: AWB 07/46103 BEPTDN (beroepszaak) AWB 07/46104 BEPTDN (voorlopige voorziening) uitspraak van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter d.d. 3 september 2008 inzake [eiser/verzoeker], geboren op [1956], van Russische nationaliteit, eiser/verzoeker, gemachtigde: mr. A.P. van Stralen, advocaat te Utrecht, tegen een besluit van de Staatssecretaris van Justitie, verweerder. gemachtigde: mr. S. Pirs, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag. Inleiding 1.1 Bij besluit van 9 november 2007 heeft verweerder het bezwaar van eiser/verzoeker (hierna te noemen: eiser) tegen zijn besluit van 28 juni 2007 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser van 7 mei 2004 om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Eiser heeft tegen het besluit van 9 november 2007 beroep bij deze rechtbank ingesteld. 1.2 Eiser heeft de rechtbank tevens verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat uitzetting achterwege dient te blijven, totdat op het beroep is beslist. 1.3 De gedingen zijn behandeld ter zitting van 11 juni 2008, waar eiser in persoon is verschenen. Eiser en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht. Overwegingen Ten aanzien van het beroep 2.1 In geschil is of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking: "arbeid als zelfstandige". 2.2 Verweerder heeft in het bestreden besluit, voor zover hier van belang en samengevat, overwogen dat eiser niet in het bezit is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd. Gebleken is dat eiser niet valt onder één van de categorieën vrijgestelde vreemdelingen, genoemd in artikel 17, eerste lid, onder a tot en met f, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) dan wel artikel 3.71, tweede lid, van het Vreemdelingen-besluit 2000 (Vb). Verweerder heeft voorts overwogen dat de brief van 4 juni 2007 waarin eiser gemotiveerd is ingegaan op de hardheidsclausule ten onrechte niet is meegenomen in het primaire besluit en dat het bezwaar op dit punt gegrond is. Volgens verweerder leidt dit echter niet tot het oordeel dat eiser op grond van artikel 3.71, vierde lid, van het Vb dient te worden vrijgesteld van het mvv-vereiste. Niet is gebleken dat eiser verschilt van andere vreemdelingen uit Rusland die eveneens een beslissing op een mvv-aanvraag in het land van herkomst afwachten. Verweerder heeft op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgezien van het horen van eiser. 2.3 Eiser heeft tegen dit besluit aangevoerd dat hij sedert 2001 in Nederland verblijft. Tijdens zijn verblijf hier te lande heeft eiser een goed lopend bedrijf opgebouwd. Volgens eiser wordt in het bestreden besluit miskend dat hij in 2001 naar Nederland is gevlucht. Verweerders stelling dat eisers komst naar Nederland zonder geldige mvv een eigen keuze is geweest, kan dan ook niet worden gevolgd. Eiser heeft gesteld dat het voor hem geen optie is om eerst een mvv aan te vragen en deze aanvraag in het buitenland af te wachten, nu hij niet een aantal maanden absent kan zijn in verband met zijn bedrijf. Tevens heeft eiser gesteld dat de aard van zijn bedrijf, het feit dat het een eenmansbedrijf betreft en de te verwachten duur van de mvv-procedure met zich brengt dat niemand het bedrijf kan waarnemen in de periode dat hij in het buitenland de uitkomst van de mvv-aanvraag moet afwachten. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt twee brieven overgelegd van Marco de Vries van Foreign Investment Office van de gemeente Amsterdam en P.P. Jongejans. Voorts heeft eiser gesteld dat hij sinds zijn komst naar Nederland ongemoeid is gelaten. Inmiddels is het bijna vijf jaar geleden dat eiser zijn bedrijf heeft gestart. Volgens eiser is verweerder nalatig geweest met het tijdig nemen van een beslissing op zijn aanvraag en de verdere afhandeling daarvan. Voorts heeft eiser betoogd dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten om hem in de bezwaarfase te horen. De rechtbank overweegt als volgt. 2.4 Verweerder heeft zich in het verweerschrift primair op het standpunt gesteld dat de onderhavige aanvraag om een verblijfsvergunning een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb betreft. De rechtbank overweegt in dit verband dat uit de gedingstukken is gebleken dat eiser op 6 mei 2003 een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst’ heeft ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij beschikking van 28 mei 2003 afgewezen omdat, kort samengevat, eiser niet beschikte over een geldige mvv en niet van dit vereiste kon worden vrijgesteld. Naar aanleiding van deze beschikking heeft eiser op 4 juni 2003 een verzoek om een voorlopige voorziening en op 7 juni 2003 een bezwaarschrift ingediend. Bij uitspraak van 26 januari 2004 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Middelburg, het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. Vervolgens heeft verweerder bij beschikking van 17 april 2007 het bezwaar eveneens niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze beschikking zijn geen rechtsmiddelen aangewend. Eiser heeft op 7 mei 2004 onderhavige aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘arbeid als zelfstandige’ ingediend. 2.5 De rechtbank stelt vast dat eisers aanvragen van 6 mei 2003 en 7 mei 2004 beide reguliere verblijfsvergunningen betreffen, maar dat deze zien op verschillende beperkingen, te weten respectievelijk ‘het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst’ en ‘arbeid als zelfstandige’. Reeds om die reden kan naar het oordeel van de rechtbank geen sprake zijn van een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Voorts dient de vraag te worden beantwoord of het onderhavige beroep ertoe strekt dat de rechtbank dezelfde kwestie nogmaals beoordeelt. In dat verband is van belang of eiser in de onderhavige procedure hetzelfde feitencomplex aan zijn verzoek om vrijstelling van het mvv-vereiste ten grondslag heeft gelegd als in de procedure, ingeleid met de aanvraag van 6 mei 2003. De rechtbank overweegt dat eiser in laatstvermelde procedure blijkens zijn brief van 6 mei 2003 aan zijn verzoek om vrijstelling van het mvv-vereiste ten grondslag heeft gelegd de omstandigheden waaronder en de redenen waarom hij naar Nederland is gekomen en zijn bedoeling om in Nederland een bedrijf op te zetten. In de onderhavige procedure heeft eiser betoogd in aanmerking te komen voor vrijstelling van mvv-vereiste omdat hij, kort samengevat, een goed lopend bedrijf heeft opgebouwd en derhalve Nederland niet gedurende een aantal maanden kan verlaten. Gelet op het voorgaande, met name de omstandigheid dat eiser thans een eigen bedrijf heeft, is de rechtbank van oordeel dat eiser in beide procedures niet hetzelfde feitencomplex aan zijn verzoek om vrijstelling van het mvv-vereiste ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank concludeert dan ook dat thans niet nogmaals dezelfde kwestie ter beoordeling voorligt. 2.6 Ingevolge artikel 13 van de Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd indien - voor zover hier van belang - internationale verplichtingen dan wel klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen. 2.7 Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw worden afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd. Ingevolge artikel 16, tweede lid, van de Vw kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van de gronden, bedoeld in het eerste lid. 2.8 In artikel 17, eerste lid, van de Vw is een aantal categorieën vreemdelingen genoemd waarvan de aanvraag niet wordt afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv. In artikel 17, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw wordt de mogelijkheid geopend bij algemene maatregel van bestuur categorieën vreemdelingen aan te wijzen die van het vereiste van het bezit van een mvv zijn vrijgesteld. 2.9 Ingevolge artikel 3.71, eerste lid, van het Vb wordt de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw, afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv. Ingevolge artikel 3.71, vierde lid, van het Vb kan de Minister het eerste lid buiten toepassing laten, voorzover toepassing daarvan naar zijn oordeel kan leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (de hardheidsclausule). 2.10 Ingevolge artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder e, van het Vb kunnen de in artikel 14, tweede lid, van de Vw bedoelde beperkingen verband houden met het verrichten van arbeid als zelfstandige. 2.11 Niet in geschil is dat eiser niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd. In geschil is of eiser in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule. 2.12 Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) eerder heeft overwogen (onder meer in haar uitspraak van 9 december 2003, JV 2004/63), komt de verweerder ter zake van de toepassing van de hardheidsclausule een ruime beoordelingsmarge toe. Als beleidsuitgangspunt geldt hierbij dat een beroep op de hardheidsclausule slechts in zeer uitzonderlijke individuele gevallen wordt gehonoreerd. Weigering om toepassing te geven aan die clausule zal de toetsing in rechte slechts niet kunnen doorstaan, indien moet worden geoordeeld dat de verweerder daartoe in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten. 2.13 De door eiser gestelde omstandigheden dat hij in Nederland een goed lopend bedrijf heeft opgebouwd en derhalve Nederland niet gedurende een aantal maanden kan verlaten, alsmede dat hij sinds zijn komst in Nederland ongemoeid is gelaten, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid niet ertoe hoeven leiden om over te gaan tot toepassing van de hardheidsclausule. De rechtbank overweegt hieromtrent allereerst, wat ook zij van eisers stelling dat het niet zijn eigen keuze is geweest om zonder mvv naar Nederland te komen, dat eiser er bewust voor heeft gekozen hier te lande een eigen bedrijf te beginnen ondanks dat hij nimmer over een geldige verblijfsvergunning heeft beschikt. Daarbij was het hem tevens bekend, na het rechtens onaantastbaar worden van de procedures naar aanleiding van de afwijzingen van de aanvragen om verlening van een asielvergunning en een reguliere vergunning, dat hij Nederland diende te verlaten. Voorts is de rechtbank van oordeel dat eiser met de overgelegde stukken, waaronder de brieven van Marco de Vries van Foreign Investment Office en P.P. Jongejans die een nadere onderbouwing inhouden van een eerder ingenomen stelling, en hetgeen ter zitting is verklaard onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn functie binnen het bedrijf niet kan worden waargenomen gedurende de periode dat hij in Rusland verblijft in het kader van de mvv-procedure. Hierbij acht de rechtbank mede van belang dat de mvv-procedure in beginsel slechts tijdelijk van aard is. Evenmin heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in de enkele omstandigheid dat de huidige procedure sinds 2004 loopt in redelijkheid aanleiding hoeven zien om eiser vrij te stellen van het mvv-vereiste. De rechtbank concludeert dat verweerder, gelet op hetgeen eiser heeft aangevoerd, in onderlinge samenhang bezien, in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat eiser niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule. 2.14 Ten aanzien van eisers betoog dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten hem te doen horen alvorens op het bezwaar te beslissen, overweegt de rechtbank als volgt. Volgens vaste jurisprudentie vormt het horen een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftenprocedure. Met toepassing van artikel 7:3 van de Awb kan dan van het horen ook slechts worden afgezien indien er, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een ander besluit. De rechtbank is, gelet op hetgeen met betrekking tot het verzoek om vrijstelling van het mvv-vereiste is overwogen, met verweerder van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaarschrift. Hierbij is van belang dat uit de inhoud van het bezwaarschrift, beoordeeld in samenhang met hetgeen in eerste instantie door eiser is aangevoerd en met de motivering van de bestreden beschikking, reeds aanstonds bleek dat de bezwaren van eiser ongegrond zijn, terwijl er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Gelet hierop was verweerder niet gehouden om eiser in de bezwaarfase te horen. 2.15 Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder heeft mogen besluiten dat eiser niet in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning. 2.16 Aangezien ook overigens geen aanleiding bestaat om te oordelen dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven, wordt het beroep ongegrond verklaard. Ten aanzien van de voorlopige voorziening 2.17 Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening, zodat het verzoek zal worden afgewezen. Ten aanzien van het beroep en de voorlopige voorziening 2.18 Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is niet gebleken. Beslissing De rechtbank: Ten aanzien van de hoofdzaak: verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter: Ten aanzien van de gevraagde voorlopige voorziening: wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Aldus vastgesteld door mr. M.P. Glerum en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2008. De griffier: De rechter: mr. A.E. Veldhoen mr. M.P. Glerum afschrift verzonden op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing. Tegen deze uitspraak staat, voorzover die betreft het verzoek om een voorlopige voorziening, ingevolge artikel 37, tweede lid, aanhef en onder d, Wet op de Raad van State geen hoger beroep open. Let wel: Ook als u in deze uitspraak (gedeeltelijk) in het gelijk bent gesteld, kan het van belang zijn hoger beroep in te stellen voor zover de rechtbank gronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen en u daar niet in wilt berusten.