
Jurisprudentie
BF2117
Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-24
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Utrecht
Zaaknummers567970 AC EXPL 08-2001
Statusgepubliceerd
SectorSector kanton
Datum gepubliceerd2008-09-24
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Utrecht
Zaaknummers567970 AC EXPL 08-2001
Statusgepubliceerd
SectorSector kanton
Indicatie
Docent Duits wordt, na een schorsing, op staande voet ontslagen nadat hij door de strafrechter in eerste aanleg is veroordeeld voor de verkrachting en ontucht van een destijds minderjarige oud-leerlinge van de school. Daarna wordt de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk ontbonden, onder toekenning van een - eveneens voorwaardelijke - vergoeding (de vergoeding zou eerst verschuldigd zijn indien werknemer in de strafzaak onherrroepelijk wordt vrijgesproken van het hem tenlastegelegde). In hoger beroep volgt vrijspraak. Op vordering van de werknemer wordt nu voor recht verklaard dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven. Strijd met de 'onschuldpresumptie'. De loonvordering wordt toegewezen, evenals de gevorderde uitbetaling van de eerder toegekende ontbindingsvergoeding.
Uitspraak
RECHTBANK UTRECHT
Sector kanton
Locatie Amersfoort
zaaknummer: 567970 AC EXPL 08-2001 lh
vonnis d.d. 17 september 2008
inzake
[eiser], wonende te [woonplaats], verder ook te noemen [eiser],
eisende partij,
gemachtigde: mr. S.G. Volbeda,
tegen:
de stichting STICHTING VOOR PROTESTANTS CHRISTELIJK ONDERWIJS EEMLAND, gevestigd te Amersfoort,
verder ook te noemen Meerwegen,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. G.A. Schoonderbeek.
Verloop van de procedure
[eiser] heeft een vordering ingesteld. Meerwegen heeft geantwoord op de vordering. [eiser] heeft voor repliek en Meerwegen heeft voor dupliek geconcludeerd. Hierna is uitspraak bepaald.
De vaststaande feiten
1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend althans niet weersproken, neemt de kantonrechter het volgende als vaststaand aan.
a. [eiser], geboren op [geboortedatum], is op 1 augustus 1973, als docent Duits, in dienst getreden van Meerwegen. Het laatstgenoten bruto loon bedroeg € 4.549,-- per maand (exclusief vakantiebijslag). [eiser] heeft zijn werk als docent steeds naar volle tevredenheid van Meerwegen verricht.
b. In september 2004 is Meerwegen ermee bekend geworden dat een oud-leerlinge van de school (geboren op [geboortedatum]) [eiser] ervan beschuldigde dat hij haar in de periode van 1 januari 1995 tot en met 1 mei 1997 (toen zij omstreeks 14 jaar oud was) heeft verkracht en ontucht met haar heeft gepleegd. Meerwegen heeft dit gemeld aan de vertrouwensinspecteur, die heeft vastgesteld dat er sprake was van een redelijk vermoeden dat [eiser] zich jegens een minderjarige leerling van de school had schuldig gemaakt aan een zedenmisdrijf. Daarna heeft Meerwegen hiervan, ingevolge haar uit artikel 3 lid 2 Wet op het Voortgezet Onderwijs voortvloeiende verplichting, bij de politie aangifte gedaan. Meerwegen heeft [eiser] met ingang van 28 september 2004 geschorst, met behoud van loon. Sindsdien heeft hij voor haar geen werkzaamheden meer verricht.
c. [eiser] is strafrechtelijk vervolgd. Hij heeft steeds ontkend zedendelicten te hebben gepleegd. Bij vonnis van 18 december 2006 heeft de sector strafrecht van de rechtbank te Utrecht (onder parketnummer 16/600368-05) bewezen verklaard dat [eiser] zich heeft schuldig gemaakt aan de hem ten laste gelegde verkrachting en ontucht, en hem ter zake veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden. Zowel [eiser] als het openbaar ministerie zijn van dit vonnis in hoger beroep gekomen.
d. Bij op 19 december 2006 aan [eiser] verzonden brief heeft Meerwegen hem op staande voet ontslagen. Als dringende reden daartoe werd hem meegedeeld dat zijn strafrechtelijke veroordeling van daags tevoren het haar onmogelijk maakte hem nog langer als docent in dienst te houden. Op 19 december 2006 heeft [eiser] zich bij Meerwegen ziek gemeld. Op 26 december 2006 heeft hij tegen het ontslag geprotesteerd.
e. Op 22 januari 2007 heeft Meerwegen de kantonrechter te Utrecht verzocht de arbeidsovereenkomst tussen partijen, voor zover deze nog zou blijken te bestaan, te ontbinden, primair op grond van een dringende reden en subsidiair wegens veranderingen in de omstandigheden. Bij beschikking van 19 maart 2007 (zaaknummer 506762 AE VERZ 07-26) heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst, op grond van de door Meerwegen gestelde verstoring van de vertrouwensrelatie met [eiser], voorwaardelijk - namelijk voor zover deze overeenkomst nog zal blijken te bestaan - ontbonden met ingang van 1 april 2007, met toekenning aan [eiser] van een voorwaardelijke vergoeding van € 69.272,17 bruto. De kantonrechter bepaalde dat deze vergoeding eerst verschuldigd en opeisbaar is, indien in rechte bij onherroepelijke uitspraak is komen vast te staan dat [eiser] is vrijgesproken van het tenlastegelegde waarvoor de rechtbank te Utrecht hem op 18 december 2006 heeft veroordeeld.
f. Bij brief van 15 juni 2007 heeft de gemachtigde van [eiser] zich jegens Meerwegen beroepen op de vernietigbaarheid van het ontslag en aanspraak gemaakt op het loon over de periode van 19 december 2006 tot 1 april 2007. Meerwegen heeft het ontslag gehandhaafd en geen loon meer betaald.
g. Bij arrest van 24 januari 2008 (parketnummer 21-005172-06) heeft het gerechtshof te Amsterdam het vonnis, waarvan beroep, vernietigd en opnieuw rechtdoende niet bewezen verklaard dat [eiser] de hem ten laste gelegde feiten heeft begaan en hem daarvan vrijgesproken. Daartoe heeft het hof overwogen dat onvoldoende kan worden uitgesloten dat de verklaringen van aangeefster inzake de verkrachting en ontucht op fantasie berusten. Tegen dit arrest is geen beroep in cassatie ingesteld.
De vordering en het daartegen gevoerde verweer
2.1. [eiser] vordert dat wordt verklaard voor recht dat het hem per 19 december 2006 gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Voorts vordert [eiser] de veroordeling van Meerwegen om aan hem, onder overlegging van een deugdelijke specificatie, te voldoen € 16.798,32 bruto, bestaande uit € 15.554,-- aan bruto loon over de periode van 19 december 2006 tot en met 31 maart 2007 en € 1.244,32 aan vakantiebijslag, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% wegens te late betaling en met de wettelijke rente over dit loon en deze vakantiebijslag vanaf de dag van opeisbaarheid tot die der voldoening. Bovendien vordert [eiser] de veroordeling van Meerwegen om aan hem te voldoen de hem bij beschikking van de kantonrechter te Utrecht van 19 maart 2007 toegekende vergoeding van € 69.272,17 bruto, met veroordeling van Meerwegen in de proceskosten. De kantonrechter verstaat de repliek (onder 6.) van [eiser] aldus, dat hij zijn eis heeft verminderd met de aanvankelijk ook gevorderde vergoeding voor niet genoten vakantiedagen.
2.2. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat het hem gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is verleend, omdat in december 2006 nog niet onherroepelijk vast stond dat hij zich aan zedendelicten had schuldig gemaakt. Een dringende reden voor het ontslag ontbrak, omdat hij de zedendelicten waarvan hij werd beschuldigd niet heeft gepleegd en hij daarvan in hoger beroep is vrijgesproken. Het ontslag is terecht door hem vernietigd en de arbeidsovereenkomst is tot en met 31 maart 2007 blijven voortbestaan. Nu hij steeds bereid is gebleven de bedongen te verrichten - hij was daartoe slechts in verband met zijn verhindering wegens ziekte niet in staat -, is Meerwegen hem het loon en de vakantiebijslag over de periode van 19 december 2006 tot 1 april 2007 verschuldigd. Ook komt hem de door de kantonrechter te Utrecht bij beschikking van 19 maart 2007 toegekende ontbindingsvergoeding toe, omdat de daaraan verbonden voorwaarde met de vrijspraak van 24 januari 2008 in vervulling is gegaan.
3. Meerwegen betwist de vordering. Zij heeft [eiser] op 19 december 2006 om een dringende reden op staande voet ontslagen. Gelet op de omstandigheden van het geval, kon van haar, toen [eiser] op 18 december 2006 door de rechtbank te Utrecht was veroordeeld en Meerwegen moest aannemen dat hij de hem ten laste gelegde zedendelicten had gepleegd, redelijkerwijs niet gevergd worden de arbeidsovereenkomst met hem te laten voortduren totdat in de strafzaak een onherroepelijke uitspraak zou zijn gedaan. Die einduitspraak zou nog geruime tijd op zich laten wachten, terwijl een latere vrijspraak de onschuld van [eiser] niet zou kunnen vaststellen, de vertrouwensbreuk - ontstaan door de veroordeling in eerste aanleg - niet zou kunnen herstellen en de naam van [eiser] niet zou kunnen zuiveren. Na het veroordelend strafvonnis was het ondenkbaar dat hij ooit nog voor Meerwegen zou kunnen werken, omdat (ouders van) leerlingen zijn terugkeer niet zouden accepteren. Ook speelde een rol dat [eiser] al meer dan twee jaar zijn loon kreeg doorbetaald zonder daarvoor te werken.
De beoordeling van het geschil
4.1. De kern van het geschil van partijen betreft de beantwoording van de vraag of door het op 19 december 2006 door Meerwegen aan [eiser] verleende ontslag op staande voet een rechtsgeldig einde aan hun arbeidsovereenkomst is gekomen. Partijen twisten weliswaar tevens over de vraag of Meerwegen [eiser] in september 2004 heeft mogen schorsen, doch die vraag behoeft voor de beoordeling van de door [eiser] ingestelde loonvordering geen beantwoording, omdat deze vordering betrekking heeft op de periode op en na 19 december 2006 en de loonbetalingsverplichting over die periode samenhangt met de vraag naar de rechtsgeldigheid van het ontslag, en niet naar die der schorsing.
4.2. Voorop wordt gesteld dat voor de werkgever een dringende reden voor een ontslag op staande voet slechts kan bestaan in daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van een zodanige dringende reden sprake is, moeten de omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren, behalve de aard en de ernst van de door de werkgever aan het ontslag ten grondslag gelegde dringende reden, ook in de beschouwing te worden betrokken de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd, zijn staat van dienst en de gevolgen die het ontslag voor hem zal hebben. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is.
4.3. Meerwegen heeft aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd dat de veroordeling van [eiser] tot een gevangenisstraf, daags tevoren door de strafrechter te Utrecht uitgesproken, voor jegens een destijds minderjarige leerling van de school gepleegde zedendelicten het voor haar onmogelijk maakte hem nog langer in dienst te houden. Dat [eiser] door een oud-leerling beschuldigd was van ernstige zedendelicten was Meerwegen reeds sinds september 2004 bekend. Die beschuldiging, aanvankelijk meegedeeld door een zus van deze oud-leerling maar later ook door haar zelf bij klacht en aangifte gedaan, is voor Meerwegen toentertijd reden geweest om [eiser] te schorsen. Kennelijk heeft zij in september 2004 geen reden gezien reeds toen naar een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met hem te streven en heeft zij eerst het verloop van de tegen [eiser] in te stellen vervolging willen afwachten. Zoals in het strafrecht, geldt - inderdaad - ook in het arbeidsrecht, en in het bijzonder bij de verlening van een ontslag op staande voet, het beginsel dat moet worden verondersteld dat iemand aan enig (strafbaar) feit onschuldig is indien en zolang zijn schuld niet is komen vast te staan (de ‘onschuldpresumptie’). Alleen de strafrechtelijke verdenking is daarom in beginsel onvoldoende om te komen tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Dit geldt óók voor ernstige delicten als waarvan [eiser] werd beschuldigd, en klemt temeer bij feiten die zich slechts in aanwezigheid van dader en slachtoffer plegen af te spelen, zoals veelal bij zedendelicten het geval is. Het moge zo zijn dat de strafrechtelijke veroordeling van [eiser] op 18 december 2006 in de visie van Meerwegen een bevestiging vormde van de juistheid van de eerder tegen hem ingebrachte beschuldiging, doch zij had er niettemin rekening mee behoren te houden dat die veroordeling eerst onherroepelijk zou worden nadat deze in hoogste rechterlijke instantie zou zijn bevestigd. Ook had zij dienen te beseffen dat ook zij, als werkgeefster, eerst dàn van de schuld van [eiser] zou kunnen uitgaan. In zoverre vormde de veroordeling van [eiser] op 18 december 2006 geen dringende reden die tot een onverwijlde beëindiging van de arbeidsovereenkomst noopte. Van Meerwegen mocht worden verlangd dat zij aan de leerlingen van de school en hun ouders zou hebben uitgelegd dat het haar in dat stadium nog niet vrij stond definitieve stappen te nemen tegen [eiser], voor wie de gevolgen van een ontslag op staande voet, gezien zijn leeftijd en staat van dienst, zeer ingrijpend zouden zijn.
4.4. Ook indien bij de beoordeling van het ontslag op staande voet mede rekening zou moeten worden gehouden met de omstandigheden die Meerwegen in de onderhavige procedure daartoe nader heeft aangevoerd, kan dit niet tot de slotsom leiden dat van haar op 19 december 2006 niet kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Dat aan [eiser] al vanaf eind september 2004 het loon werd doorbetaald zonder dat daar enige arbeidsprestatie zijnerzijds tegenover stond, en dat een onherroepelijke uitspraak in de strafzaak nog geruime tijd op zich zou laten wachten, zijn omstandigheden die op 19 december 2006 geen ontslag op staande voet rechtvaardigden, omdat die situatie al langere tijd bestond en Meerwegen daaraan door het indienen van een ontbindingsverzoek, gebaseerd op veranderingen in de omstandigheden (los staand van een mogelijke onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling), een einde had kunnen trachten te maken, zoals zij nadien (in januari 2007) - zij het in voorwaardelijke zin - ook heeft gedaan. Zoals uit de beschikking van 19 maart 2007 blijkt, kunnen bijkomende omstandigheden de ontbinding van een arbeidsovereenkomst rechtvaardigen, ondanks dat de strafrechtelijke veroordeling nog niet onherroepelijk is.
4.5. Meerwegen heeft voorts betoogd dat ook een latere vrijspraak de reputatie van [eiser] niet zou hebben kunnen zuiveren, zodat ook dàn zijn terugkeer naar het werk, gezien de te verwachten reacties van leerlingen en ouders, onmogelijk zou zijn. De kantonrechter verwerpt dit standpunt, omdat het evenzeer in strijd is met het beginsel van de onschuldpresumptie. Wie onherroepelijk door de strafrechter is vrijgesproken, heeft er recht op ook inderdaad voor onschuldig te worden gehouden. Of inderdaad [eiser], na een uiteindelijke vrijspraak, zijn werk op de school toch niet zou kunnen hervatten, had eerst op dat moment dienen te worden beoordeeld. Of zijn terugkeer alsdan voor collega’s en (ouders van) leerlingen aanvaardbaar zou blijken te zijn, had niet alleen kunnen afhangen van de overtuigendheid van de (bewijs)overwegingen in de uitspraak van de hogere strafrechter, maar ook van de door [eiser] verkozen opstelling, en - niet in de laatste plaats - van de inspanningen die Meerwegen zich zou getroosten om de reden van diens terugkeer aan de betrokkenen uit te leggen en van de door haar genomen maatregelen, gericht op het wegnemen van de mogelijk nog resterende gevoelens van onveiligheid.
4.6. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat van een dringende reden voor een ontslag op staande voet op 19 december 2006 geen sprake was. De keuze voor de weg van een onmiddellijke beëindiging van het dienstverband was dan ook prematuur en rechtens niet houdbaar. Dit maakt evenwel, anders dan [eiser] kennelijk meent, niet - zonder meer - dat het ontslag als vernietigd kan worden aangemerkt. De wet verbindt in artikel 7:677 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) aan een onverwijlde opzegging, waarvoor een dringende reden ontbreekt, niet de sanctie van vernietigbaarheid van die opzegging, doch van schadeplichtigheid van de contractspartij die ontijdig heeft opgezegd. Weliswaar kan het bepaalde in artikel 6 jo. 9 Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 (BBA) ertoe leiden dat de opzegging vernietigbaar is, doch ingevolge artikel 2 lid 1, aanhef en onder b BBA is dat besluit niet van toepassing op de arbeidsverhouding van onderwijzend en docerend personeel, werkzaam aan onderwijsinrichtingen die staan onder beheer van een natuurlijk of rechtspersoon. Aan [eiser] komt daarom geen beroep toe op de vernietigbaarheid van de opzegging wegens het ontbreken van voorafgaande toestemming van de Centrale organisatie werk en inkomen (CWI).
4.7. Niettemin ziet de kantonrechter reden om te concluderen tot een vernietigbare, en door [eiser] vernietigde, opzegging van de arbeidsovereenkomst door Meerwegen. Dat [eiser] zich op 19 december 2006 heeft ziek gemeld, is door Meerwegen niet weersproken. Die ziekmelding dateert derhalve van vóór het moment waarop de opzegging door Meerwegen jegens [eiser] werking kreeg. Ingevolge artikel 3:37 lid 3 BW moet een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, wil zij werking hebben, die persoon hebben bereikt. Nu Meerwegen de opzegging bij brief van 19 december 2006 heeft gedaan, en deze aan [eiser] zowel aangetekend als per reguliere post is verzonden, zal de opzegging hem op zijn vroegst op 20 december 2006, derhalve ná zijn ziekmelding, hebben bereikt. Meerwegen heeft niet betwist dat [eiser] op 19 december 2006 inderdaad ziek was. Het is ook voorstelbaar dat hij door het vonnis van daags tevoren enige tijd niet tot werken in staat is geweest. Meerwegen kon daarom ingevolge artikel 7:670 lid 1 BW niet opzeggen. [eiser] heeft op 26 december 2006, derhalve binnen de in artikel 7:677 lid 5 BW genoemde termijn van twee maanden, schriftelijk tegen zijn ontslag geprotesteerd. Daaruit heeft Meerwegen redelijkerwijs moeten afleiden dat hij zich niet neerlegde bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en een beroep deed op de vernietigbaarheid van het ontslag. Aan een beroep op een vernietigingsgrond dienen geen hoge eisen te worden gesteld. Niet vereist is dat het beroep op de vernietigbaarheid van het ontslag ondubbelzinnig of met zoveel woorden wordt gedaan. Evenmin is van betekenis dat [eiser], die zich in dat stadium kennelijk nog niet van juridische bijstand had voorzien, in zijn brief niet de (juiste) grondslag van dat beroep heeft vermeld. Hieraan doet niet af dat zijn gemachtigde nadien, bij brief van 15 juni 2007, met haar verwijzing naar het ontbreken van toestemming van de CWI, een onjuiste grond voor het beroep op vernietiging heeft aangevoerd.
4.8. Op grond van het voorgaande is de verklaring voor recht, alsook de vordering tot betaling van loon en vakantiebijslag over de periode van 19 december 2006 tot 1 april 2007 toewijsbaar. De hoogte van dat loon en die vakantiebijslag heeft Meerwegen niet afzonderlijk weersproken. Beperking van de wettelijke verhoging tot 20% komt de kantonrechter met het oog op de omstandigheden billijk voor, mede omdat Meerwegen gedurende de eerdere schorsing al geruime tijd het loon heeft doorbetaald. De wettelijke rente wordt, als niet specifiek betwist, toegewezen, zoals hierna omschreven.
4.9. Omdat het ontslag op staande voet geen stand kan houden en de opzegging van de arbeidsovereenkomst is vernietigd, is er eerst door de rechterlijke ontbinding met ingang van 1 april 2007 een einde aan de arbeidsovereenkomst gekomen. Nu ook de aan de ten behoeve van [eiser] toegekende ontbindingsvergoeding verbonden voorwaarde is vervuld, komt hem het bedrag van € 69.272,17 bruto toe.
4.10. Meerwegen wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de proceskosten.
Beslissing
De kantonrechter:
verklaart voor recht dat Meerwegen [eiser] op 19 december 2006 niet rechtsgeldig heeft ontslagen;
veroordeelt Meerwegen om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting en onder afgifte van een deugdelijke specificatie te betalen € 20.157,98 bruto aan loon, vakantiebijslag en wettelijke verhoging, met de wettelijke rente over € 16.798,32 vanaf de dag van opeisbaarheid van de onderscheiden loontermijnen en van de vakantiebijslag, tot die der voldoening;
veroordeelt Meerwegen om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting te voldoen € 69.272,17 bruto aan ontbindingsvergoeding;
veroordeelt Meerwegen tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.486,44, waarin begrepen € 1.200,-- aan salaris gemachtigde;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.S. Pieters, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 september 2008.