Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF2112

Datum uitspraak2008-09-16
Datum gepubliceerd2008-09-24
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
Zaaknummers05/503742-08, 05/930183-06 (TUL)
Statusgepubliceerd


Indicatie

Medeplegen brandstichting nieuwjaarsnacht in winkelcentrum te Nijmegen bewezen.


Uitspraak

Verkort vonnis RECHTBANK ARNHEM Sector strafrecht Meervoudige kamer Parketnummer : 05/503742-08, 05/930183-06 (TUL) Datum zitting : 17 juni 2008 en 2 september 2008 Datum uitspraak : 16 september 2008 Tegenspraak In de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Arnhem tegen: naam : [verdachte], geboren op : [geboortedatum] te [woonplaats], adres : [adres], plaats : [woonplaats]. thans verblijvende in Groot-Batelaar te Lunteren. Raadsvrouw : mr. H. Wolfs, advocaat te Nijmegen. 1. De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: 1. hij op of omstreeks 01 januari 2008 te Nijmegen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een winkelpand (Zeeman), gelegen aan de Couwenbergstraat 148, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk een (brandende) aansteker gehouden bij een kledingstuk, in elk geval een stuk stof, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen) en/of (vervolgens) dat brandende kledingstuk op/over/tegen een kledingrek en/of (de daaraan) hangende kleding in voornoemd winkelpand gelegd en/of gegooid, ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor dat winkelpand en/of de daarin aanwezige inboedel en/of voor de belendende winkelpanden (Lidl en/of Bakker Bart en/of Schoenenwinkel Andre en/of Kruidvat en/of Bruna) en/of de in die belendende winkelpanden aanwezige inboedel, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was; 2. hij op of omstreeks 01 januari 2008 te Nijmegen, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan één of meerdere politieambtena(a)r(en) (leden van het Politie Interventieteam en/of de ME) gedurende of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk één of meerdere (brandende) molotovcocktail(s) en/of één of meerdere stuk(s) (sier)vuurwerk en/of één of meerdere ste(e)n(en) naar, in elk geval in de richting van, die politieambtena(a)r(en) heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; art 304 ond 2 Wetboek van Strafrecht art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt: hij op of omstreeks 01 januari 2008 te Nijmegen met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Muiderslotstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen één of meerdere politieambtena(a)r(en) (leden van het Politie Interventieteam en/of de ME), welk geweld bestond uit het gooien van één of meerdere (brandende) molotovcocktail(s) en/of één of meerdere stuk(s) (sier)vuurwerk en/of één of meerdere ste(e)n(en) naar, in elk geval in de richting van, die politieambtena(a)r(en); 3. hij op of omstreeks 01 januari 2008 te Nijmegen met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, van Hogendorpstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een bushokje, welk geweld bestond uit het gooien van stenen tegen/door de ruiten van genoemd bushokje; 2. Het onderzoek ter terechtzitting De zaak is laatstelijk op 2 september 2008 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. H. Wolfs, advocaat te Nijmegen. Als benadeelde partijen hebben zich schriftelijk in het geding gevoegd: • Kruidvat Retail B.V. (Watson Group) • CBS Outdoor B.V. • Zeeman TextielSupers B.V. De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 2 primair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken en ter zake van het onder 1, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 266 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met als bijzondere voorwaarde op te leggen reclasseringstoezicht, ook als dit inhoudt klinische behandeling bij Groot Batelaar of een soortgelijke instelling voor de duur van 14 maanden of zoveel korter als door de Reclassering nodig wordt geacht, en voorts met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. De officier van justitie heeft voorts verzocht dat de vordering van de benadeelde partij Kruidvat Retail B.V. (Watson Group) van € 24.653,-- in haar geheel wordt toegewezen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opge¬legd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 256 dagen hechtenis. De officier van justitie heeft tevens verzocht dat de vordering van de benadeelde partij CBS Outdoor B.V. van € 780,-- in haar geheel wordt toegewezen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis. De officier van justitie heeft voorts verzocht dat de vordering van de benadeelde partij Zeeman TextielSupers B.V. tot een bedrag van € 150.384,83 wordt toegewezen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 360 dagen hechtenis. Ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden, opgelegd bij vonnis van de politierechter te Arnhem van 19 oktober 2006, heeft de officier van justitie verzocht de proeftijd met een jaar te verlengen. Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd. 3. De beslissing inzake het bewijs De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 2 primair is tenlastegelegd en zal verdachte daarvan vrijspreken. Verdachte heeft bekend feit 2 subsidiair en feit 3 te hebben gepleegd. Verdachte ontkent feit 1 te hebben gepleegd. De rechtbank overweegt ten aanzien van feit 1 als volgt. Op 31 december 2007 in de middag heeft verdachte samen met [medeverdachte 1] een jerrycan benzine gehaald bij een tankstation. Daarmee heeft verdachte in zijn woning met [medeverdachte 1] vijf molotovcocktails gemaakt. Met deze molotovcocktails zijn verdachte en [medeverdachte 1] in de avond per scooter in de richting van een brandstapel in de wijk Hatert te Nijmegen gereden waar een vreugdevuur zou worden gemaakt. Onderweg is een molotovcocktail tegen een stoeprand stuk gegooid. Verdachte heeft, bij de brandstapel aangekomen, deze aangestoken met een molotovcocktail. Een andere molotovcocktail is door [medeverdachte 1] op het vuur gegooid. Een vijfde molotovcocktail werd door verdachte aan een omstander gegeven. Toen er ongeregeldheden ontstonden en de ME ten tonele verscheen, heeft verdachte een steen uit een voortuin stukgegooid en een brok steen ter grootte van een vuist in de richting van de ME gegooid. [medeverdachte 1] en verdachte zijn hierna samen in de richting van het winkelcentrum aan de Couwenbergstraat gegaan. Daar aangekomen, zijn enkele ruiten van de textielwinkel Zeeman stukgegooid. Daarin heeft verdachte een actief aandeel gehad. Hierna heeft [medeverdachte 1] met een aansteker een kledingstuk dat uit het winkelpand Zeeman was genomen, in brand gestoken en vervolgens is dat kledingstuk op een winkelrek in de etalage gelegd waar kleding aan hing, waarna een grote brand in de winkel is ontstaan. Hierna zijn verdachte en [medeverdachte 1] met anderen naar winkelcentrum Binnenhof gegaan, waarbij verdachte onderweg met anderen, waaronder [medeverdachte 1], de ruiten van een bushokje heeft ingegooid. Volgens [medeverdachte 1] heeft verdachte het brandende kledingstuk op het rek in de winkel gelegd, maar volgens verdachte heeft [medeverdachte 1] dit gedaan en stond hij zelf op drie meter afstand toen dit gebeurde. Hetgeen de getuigen op dit punt hebben verklaard geeft naar het oordeel van de rechtbank geen eenduidig antwoord op de vraag wie van beiden het brandende kledingstuk in de winkel heeft gelegd. Derhalve kan niet bewezen worden verklaard dat het verdachte is geweest die het vuur in de winkel heeft gebracht en daarmee brand in de winkel heeft veroorzaakt. Wel is duidelijk dat verdachte op oudejaarsavond tot ver in de nieuwjaarsnacht is opgetrokken met [medeverdachte 1] - zowel voor als na de brandstichting bij Zeeman - en dat hun handelen in het teken stond van relschoppen, waarbij het maken vuur een belangrijke rol speelde. Wanneer mede door toedoen van verdachte bij Zeeman enkele ruiten zijn gesneuveld en daar vervolgens brand wordt gesticht, staat verdachte er in ieder geval bij en doet hij niets om de brandstichting te voorkomen. Hij gaat ook niet weg wanneer als eenmaal brand in het pand is ontstaan, doet geen enkele poging om de beginnende brand te blussen wanneer dat nog kan en neemt ook anderszins op geen enkele wijze afstand van het handelen van [medeverdachte 1], die naar verdachtes zeggen de brand zou hebben gesticht. Integendeel, na de brandstichting zet verdachte samen met [medeverdachte 1] het relschoppen voort door middel van het vernielen van een bushokje. Onder deze omstandigheden dient het er naar het oordeel van de rechtbank voor te worden gehouden dat er ook ten tijde van de brandstichting bij Zeeman sprake was van een dusdanige bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 1], dat verdachte als medepleger van de brandstichting bij Zeeman is te beschouwen. Om die reden acht de rechtbank, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van brandstichting bij Zeeman. De rechtbank derhalve acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat 1. hij op 01 januari 2008 te Nijmegen tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk brand heeft gesticht in een winkelpand (Zeeman), gelegen aan de Couwenbergstraat 148, immers hebben verdachte en/of zijn mededader toen aldaar opzettelijk een brandende aansteker gehouden bij een kledingstuk en vervolgens dat brandende kledingstuk op/over/tegen een kledingrek en/of de daaraan hangende kleding in voornoemd winkelpand gelegd of gegooid, ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor dat winkelpand en de daarin aanwezige inboedel en voor de belendende winkelpanden (Lidl en Bakker Bart en Schoenenwinkel Andre en Kruidvat en Bruna) en de in die belendende winkelpanden aanwezige inboedel, te duchten was; Voorts acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 subsidiaiar en onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat 2. hij op 01 januari 2008 te Nijmegen met anderen, op of aan de openbare weg, de Muiderslotstraat openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen politieambtenaren (leden van het Politie Interventieteam en/of de ME), welk geweld bestond uit het gooien van één brandende molotovcocktail en meerdere stuks (sier)vuurwerk en meerdere stenen naar die politieambtenaren; 3. hij op 01 januari 2008 te Nijmegen met anderen, aan de openbare weg, van Hogendorpstraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een bushokje, welk geweld bestond uit het gooien van stenen door de ruiten van genoemd bushokje; Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben. De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen. 4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: Ten aanzien van feit 1: medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is Ten aanzien van feit 2 subsidiair: Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen Ten aanzien van feit 3: Openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen 4b. De strafbaarheid van de feiten De feiten zijn strafbaar. 5. De strafbaarheid van verdachte Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. 6. De motivering van de sanctie(s) Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met: - de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan; - de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op: • de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 6 augustus 2008; • een voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland, gedateerd 9 juni 2008, betreffende verdachte; • een adviesrapport van Reclassering Nederland, gedateerd 28 augustus 2008, betreffende verdachte; • een pro justitia rapportage, opgemaakt door drs. J.P.M. van der Leeuw, klinisch psycholoog/psychotherapeut, gedateerd 7 juni 2008. De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende. Verdachte heeft zich tijdens de jaarwisseling schuldig gemaakt aan brandstichting en openlijk geweld. De rellen waaraan verdachte deelnam hebben in Nijmegen in het algemeen en met name in de wijk Hatert tot grote verontwaardiging geleid. Dergelijke feiten dragen bij aan de gevoelens van onveiligheid in de maatschappij in het algemeen en in genoemde buurt in het bijzonder. Voorts heeft verdachte door zijn acties een aanzienlijke schade aan eigendommen van derden veroorzaakt. Daar komt bij dat verdachte recentelijk nog is veroordeeld terzake van een geweldsdelict, gepleegd tijdens de Nijmeegse zomerfeesten, en nog in twee proeftijden liep. Voor dergelijke feiten acht de rechtbank geen andere straf aangewezen dan een gevangenisstraf. De rechtbank houdt echter ook rekening met hetgeen door de psycholoog Van de Leeuw voornoemd in zijn rapport naar voren is gebracht en met diens conclusie dat het tenlastegelegde verdachte in enigszins verminderde mate kan worden toegerekend. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte inmiddels is opgenomen in de kliniek Groot Batelaar te Lunteren, dat hij lijkt in te zien dat een behandeling aldaar hem zal helpen bij zijn problematiek en dat hij zich gemotiveerd heeft getoond deze behandeling tot een goed einde te brengen. Het onvoorwaardelijke gedeelte van de op te leggen gevangenisstraf zal om die redenen gelijk zijn aan de tijd dat verdachte reeds in bewaring en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. 6a. De beoordeling van de civiele vorderingen De rechtbank zal de civiele vordering van Kruidvat Retail B.V. (Watson Group) toewijzen, waarbij de omvang van de schade door de rechtbank op basis van de overgelegde stukken naar billijkheid op het gevorderde bedrag is begroot. Anders dan de raadsvrouw, is de rechtbank van oordeel dat de vordering is ingediend door de vennootschap die kan worden aangemerkt als benadeelde partij, namelijk Kruidvat Retail BV. De door de raadsverouw genoemde vennootschap A.S. Watson Group BV is slechts vermeld als enig aandeelhouder van Kruidvat Retail BV om duidelijk te maken dat de vordering is ingediend door een medewerker die daarvoor door de bevoegde bestuurders gemachtigd is. De rechtbank volgt voorts de raadsvrouw niet in haar stelling dat de vordering niet van eenvoudige aard is. Bij de stukken bevindt zich een - op zichzelf niet betwist - schrijven van verzekeraar Marsh, waaruit blijkt hoe hoog het eigen risico was. De rechtbank zal de civiele vordering van CBS Outdoor B.V. toewijzen, waarbij de omvang van de schade door de rechtbank op basis van de overgelegde stukken naar billijkheid op het gevorderde bedrag is begroot. De rechtbank zal de civiele vordering van Zeeman TextielSupers B.V. tot een bedrag van € 150.384,83 aan materiële schade toewijzen, waarbij de omvang van de schade door de rechtbank op basis van de overgelegde stukken naar billijkheid op dat bedrag is begroot. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige deel van de vordering ter zake vergoeding van materiële schade (zijnde de inkomensderving) omdat dit deel van de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat het zich leent voor behandeling in het strafgeding. De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om in het geval van (gedeeltelijke) toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen af te zien van het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Gelet op het inkomen van verdachte valt niet te verwachten dat hij de schade binnen afzienbare tijd zal kunnen voldoen. Bijgevolg zal het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel zeer waarschijnlijk leiden tot de executie van een langdurige vervangende hechtenis. De benadeelde partijen betreffen alle bedrijven die, naar mag worden aangenomen, voldoende middelen hebben om hun schade op termijn op verdachte te verhalen. Zij zullen er geen belang bij hebben wanneer verdachte vanwege betalingsonmacht voor langere tijd gedetineerd zal zijn. Daarmee wordt het moment waarop verdachte in staat zal zijn tenminste een deel van de schade te vergoeden alleen maar verder in de toekomst verschoven. De rechtbank zal daarom de schadevergoedingsmaatregel niet opleggen. 6b. De beoordeling van de vordering na voorwaardelijke veroordeling Op grond van het verhandelde ter terechtzitting zal de rechtbank, in aansluiting op hetgeen door de officier van justitie is betoogd, ten aanzien van de vordering na voorwaardelijke veroordeling bepalen dat de proeftijd met een jaar zal worden verlengd. 7. De toegepaste wettelijke bepalingen De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 14f, 27, 47, 57, 141 en 157 van het Wetboek van Strafrecht. 8. De beslissing De rechtbank, rechtdoende: Spreekt verdachte vrij van het onder 2 primair tenlastegelegde feit. Verklaart bewezen dat verdachte het overige tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar. Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot Een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden. Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 265 (tweehonderdenvijfenzestig) dagen niet tenuitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit dan wel navolgende bijzondere voorwaarden niet is nagekomen: - Veroordeelde zal een klinische behandeling ondergaan in Groot Batelaar waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen en de regels die hem daar worden gegeven, voor de maximale duur van 14 maanden of zoveel korter als de reclassering in overleg met de leiding van de inrichting wenselijk acht. - Veroordeelde dient zich gedurende de proeftijd te gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die hem door of namens Reclassering Nederland zullen worden gegeven Geeft opdracht aan Reclassering Nederland om aan veroordeelde bij de naleving van voornoemde voorwaarden hulp en steun te verlenen. Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht. De beslissing op de vordering van de benadeelde partij Kruidvat Retail B.V. (Watson Group) Wijst de vordering van de benadeelde partij toe. - Veroordeelt de veroordeelde - met dien verstande dat indien en voorzover medeveroordeelde betaalt ook veroordeelde daardoor tegenover Kruidvat Retail B.V. (Watson Group) zal zijn gekweten - tegen kwijting aan Kruidvat Retail B.V. (Watson Group), adres [adres], te betalen € 24.365,- (zegge vierentwintigduizenddriehonderdenvijfenzestig euro). - Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken. De beslissing op de vordering van de benadeelde partij CBS Outdoor B.V. Wijst de vordering van de benadeelde partij toe. - Veroordeelt de veroordeelde - met dien verstande dat indien en voorzover medeveroordeelde betaalt ook veroordeelde daardoor tegenover CBS Outdoor B.V. zal zijn gekweten - tegen kwijting aan CBS Outdoor B.V., adres [adres], te betalen € 780,- (zegge zevenhonderdentachtig euro). - Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken. De beslissing op de vordering van de benadeelde partij Zeeman TextielSupers B.V. Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe. - Veroordeelt de veroordeelde - met dien verstande dat indien en voorzover medeveroordeelde betaalt ook veroordeelde daardoor tegenover Zeeman TextielSupers B.V. zal zijn gekweten - tegen kwijting aan TextielSupers B.V., adres [adres], te betalen € 150.384,83 (zegge eenhondervijftigduizenddriehonderdenvierentachtig euro en drieëntachtig cent). - Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken. - Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk nu de vordering voor dat gedeelte niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. Verstaat dat de vordering voor wat dit betreft kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter. De beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling Wijst af de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 05/930183-06. Verlengt de proeftijd met één jaar Aldus gewezen door: mr. G. Noordraven, als voorzitter, mr. J.H.M. Westenbroek, rechter, mr. F.J.H. Hovens, rechter, in tegenwoordigheid van mr. C.T.P.M. van Aarssen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 september 2008.