Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF2095

Datum uitspraak2008-09-03
Datum gepubliceerd2008-09-24
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Rotterdam
ZaaknummersHOREC 07/3429-SA01
Statusgepubliceerd


Indicatie

Sluiting horeca-inrichting en intrekking exploitatievergunning. Vuurwapen in inrichting aangetroffen. Geldt als zeer ernstig incident, dat leidt tot ernstig gevaar voor openbare orde en woon- en leefklimaat inde omgeving van de inrichting. Aanwezigheid van vuurwapen in inrichting is reeds voldoende voor het nemen van het besluit. Beroep op gelijkheidsbeginsel kan niet slagen. Beroep is ongegrond.


Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM Sector Bestuursrecht Meervoudige kamer Reg.nr.: HOREC 07/3429-SA01 Uitspraak in het geding tussen [eisers], allen wonende te [adres], eisers, gemachtigde mr. M.P.Ph.M. Weerts, advocaat te Rotterdam, en de burgemeester van de gemeente Rotterdam, verweerder. 1 Ontstaan en loop van de procedure Bij besluit van 12 april 2007 heeft verweerder op grond van artikel 2.3.7, eerste lid, aanhef en onder b en c, juncto artikel 2.3.6, tweede lid, aanhef en onder a, b, c, d en f van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam (hierna: APV) de sluiting bevolen van horeca-inrichting [naam inrichting] aan de [adres], met onmiddellijke ingang na ontvangst van het besluit. Bij separaat besluit van 12 april 2007 heeft verweerder op grond van artikel 2.3.6, tweede lid, aanhef en onder a, b, c, d en f, juncto artikel 2.3.2a, tweede lid, van de APV de aan de [naam inrichting] op 5 juli 2006 verleende exploitatievergunning ingetrokken. Bij separaat besluit van 12 april 2007 heeft verweerder op grond van artikel 2.3.9, vijfde lid, juncto artikel 2.3.6, tweede lid, aanhef en onder a, b, c, d en f, van de APV de op 27 juni 2006 aan de [naam inrichting] verleende nachtontheffing met onmiddellijke ingang ingetrokken. Tegen deze besluiten hebben eisers, als bestuurders van de [naam inrichting] per faxbericht van 3 mei 2007 bezwaar gemaakt. Voorts hebben eisers bij brief van 7 mei 2007 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende de schorsing van de primaire besluiten. Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 juni 2007 is het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen (reg.nr. VVEROR 07/1608/1626/1627 HOU). Bij besluit van 7 augustus 2007 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) hebben eisers per faxbericht van 17 september 2007 beroep ingesteld. Verweerder heeft bij brief van 19 mei 2008 een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 mei 2008. Aanwezig waren [naam] en de gemachtigde van eisers. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. E.J. Overgaauw. 2 Overwegingen Voor wat betreft de feiten en omstandigheden die tot de primaire besluiten hebben geleid en het juridisch kader verwijst de rechtbank naar hetgeen hieromtrent is vermeld in de uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 juni 2007. In beroep hebben eisers aangevoerd dat sprake was van een verjaardagsfeest van een 50-jarige vrouw dat in familiekring gevierd werd. Het was een familiefeest en niet een "bijzondere bijeenkomst waarvan op voorhand vaststond dat nadere maatregelen nodig zouden zijn". Daaraan doet niet af dat de jarige vrouw en haar familie Antilliaans waren en dat er geen lijst was van gasten. Doorslaggevend bij het antwoord op de vraag of een evenement veiligheidsrisico's met zich brengt, lijkt eisers veeleer de aard van het evenement dan de aard van de deelnemende bevolkingsgroep. Eisers zijn, net als de voorzieningenrechter, van mening dat de criteria die een feest conform de voorschriften van de exploitatievergunning risicovol maken, onduidelijk zijn. Eisers baseren hun inschatting dat het verjaardagsfeest niet risicovol was op de zeer ruime ervaring van de exploitant en het feit dat het ging om een verjaardagsfeest onder familie en vrienden. De enige grond waarop de betreffende besluiten kunnen worden gebaseerd, is het verzuim om de agenda van de maand februari 2007 aan de politie door te geven. Dit verzuim is niet ernstig genoeg om als basis te dienen voor de genomen besluiten. Voorts merken eisers op dat hier sprake is van een punitieve sanctie en dat het besluit vol getoetst moet worden. In dit geval speelt verwijtbaarheid een rol: de exploitant wordt verweten dat hij maar twee beveiligers had aangesteld en dat hij de wijkpolitie de maandagenda niet heeft doen toekomen. Dit duidt erop dat wel degelijk sprake is van een bestraffende sanctie. Een andere indicatie is de in het oog springende zwaarte van de sanctie. Deze is disproportioneel. Ook om die reden kunnen de onderhavige sancties niet anders dan als bestraffende sancties worden gekenmerkt. Dat de maatregel wel degelijk bestraffend en niet herstellend is, blijkt ook uit het Rotterdamse Handhavingsarrangement. Dit spreekt namelijk van repressief bestuurlijk optreden en repressie heeft de betekenis van "straf". Het Rotterdamse bestuursrechtelijke optreden in dit geval heeft derhalve het oogmerk van bestraffing. Na indiening van het beroepschrift hebben eisers bij brief van 14 mei 2008 de rechtbank bericht dat zij bij verweerder een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) inzake informatie over soortgelijke gevallen hebben ingediend. Eisers achten deze informatie van cruciaal belang omdat zij daarmee het beroep op het gelijkheidsbeginsel menen te kunnen onderbouwen. De vermeende soortgelijke gevallen betreffen incidenten bij Now & Wow op 29/30 december 2006 en 10 december 2005, een incident bij Hollywood Music Hall op 31 oktober/1 november 2007, en een incident bij Imax op 28 oktober 2007. De rechtbank overweegt allereerst het volgende. Door verweerder is gesteld dat eisers hun onderneming inmiddels hebben verkocht, zodat zij geen exploitanten meer zijn van de [naam inrichting]. Volgens verweerder hebben eisers geen belang bij opheffing van de sluiting en verstrekking van een nieuwe exploitatievergunning. Verweerder is van mening dat eisers in hun beroep niet-ontvankelijk zouden moeten worden verklaard. Eisers hebben ter zitting aangegeven dat sprake is geweest van een gedwongen verkoop en dat er (onder andere) een financieel belang is bij deze procedure omdat een locatie zonder vergunning veel minder waard is dan een locatie met exploitatievergunning. In hetgeen eisers naar voren hebben gebracht ziet de rechtbank voldoende aanleiding om procesbelang aanwezig te achten en eisers ontvankelijk te achten in hun beroep. De rechtbank komt dan ook toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep. De rechtbank overweegt dat de bevoegdheid van verweerder om een exploitatievergunning te wijzigen dan wel in te trekken discretionair van aard is. Dit houdt in dat verweerder terzake beleidsvrijheid is gelaten. De gebruikmaking van verweerders bevoegdheid dient door de rechtbank terughoudend beoordeeld te worden. Dezelfde terughoudende toetsing dient de rechtbank aan de dag te leggen waar het verweerders bevoegdheid betreft een inrichting gesloten te verklaren nu ook deze bevoegdheid discretionair van aard is. Daarbij merkt de rechtbank op dat, zoals blijkt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie bijvoorbeeld ARRS 03-05-2006, AB 2006, 392), de bestreden besluiten geen punitieve sanctie inhouden zoals door eisers is gesteld. Deze besluiten zijn uitsluitend gericht op bescherming van de openbare orde en niet (mede) gericht op het bewerkstelligen van normconform gedrag door toevoeging van geïndividualiseerd concreet nadeel. Hieraan doet niet af dat verweerder eisers verwijt dat zij maar twee beveiligers hadden aangesteld en dat zij de maandagenda niet aan de politie hadden doen toekomen. De toetsing van de bestuursrechter gaat dan ook niet verder dan de hier omschreven marginale toetsing. Verweerder heeft voor de gebruikmaking van zijn bevoegdheden een beleid ontwikkeld dat is neergelegd in het Handhavingsarrangement van de Horecanota Rotterdam 2007-2011. Hierin is voor overtredingen van artikel 2.3.6 en/of 2.3.7, eerste lid, aanhef en onder b en/of c van de APV onderscheid gemaakt tussen twee - niet-limitatieve - categorieën van incidenten, te weten categorie 1 (zeer ernstige incidenten) en categorie 2 (ernstige incidenten). Indien er voor de eerste keer sprake is van een incident van de eerste categorie kan de exploitatievergunning worden ingetrokken en/of de inrichting worden gesloten voor een periode van 3, 6 of 12 maanden. Bij een tweede keer kan de exploitatievergunning worden ingetrokken en/of de inrichting voor onbepaalde tijd worden gesloten. Onder incidenten van de eerste categorie valt onder meer het aantreffen van wapen(s). Bij het niet voldoen aan voorschriften van de exploitatievergunning (eerste of tweede keer) wordt een bestuurlijke waarschuwing uitgereikt door de politie of de toezichthouder. In het Handhavingsarrangement is aangegeven dat het achtereenvolgens plegen van verschillende overtredingen kan leiden tot het overslaan van bepaalde beschreven stappen in de overheidsreactie op afzonderlijke overtredingen. De rechtbank is van oordeel dat het hiervoor weergegeven beleid niet als onredelijk dient te worden aangemerkt. De feiten en omstandigheden die verweerder hebben genoodzaakt tot gebruikmaking van de hier bedoelde bevoegdheid, zijn uiteengezet in de zich in het dossier bevindende politierapportages van februari 2007. Uit die rapportages blijkt dat op 24 februari 2007 in de [naam inrichting] een vechtpartij heeft plaatsgevonden. Nadat de politie ter plaatse kwam en de inrichting binnenliep, rende een man de inrichting uit, terwijl andere bezoekers riepen dat deze man een wapen in zijn bezit had. De politie is direct achter deze man aangegaan en heeft hem vervolgens aangehouden. Onder een in zijn nabijheid geparkeerd staande auto heeft de politie een vuurwapen aangetroffen. De man heeft daarover later verklaard dat hij dit wapen kort voor zijn aanhouding onder de auto had gegooid. Voorts heeft de man verklaard dat hij in de [naam inrichting] zijn wapen te voorschijn had gehaald en alvast schietklaar had gemaakten dat hij besloot de [naam inrichting] te verlaten op het moment dat de politie ter plaatse verscheen. Gelet op de verklaringen in het politiedossier, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende komen vast te staan dat de betreffende man tijdens zijn aanwezigheid in de [naam inrichting], in de nacht van 24 op 25 februari 2007, een vuurwapen bij zich droeg. Gelet daarop is sprake van een overtreding van artikel 2.3.6, tweede lid, sub a, b, c, d en f van de APV, op grond waarvan verweerder bevoegd is over te gaan tot intrekking van de exploitatievergunning en sluiting van de inrichting. Verweerder heeft daarbij overwogen dat de aanwezigheid van een vuurwapen in de inrichting geldt als een zeer ernstig incident dat leidt tot een ernstig gevaar voor de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de omgeving van de inrichting. De financiële belangen van de exploitant wegen dan niet op tegen het grote belang dat is gemoeid met de handhaving van de openbare orde en een veilig woon- en leefklimaat. Gelet op een eerder incident op 18 december 2005, waarvoor verweerder destijds heeft besloten tot een sluiting voor de duur van 6 maanden, heeft verweerder, op grond van het Handhavingsarrangement, op goede gronden kunnen besluiten tot intrekking en sluiting voor onbepaalde tijd. Van disproportionaliteit is dan ook geen sprake. Nu de aanwezigheid van het vuurwapen in de inrichting reeds voldoende was voor het nemen van het besluit, is de rechtbank van oordeel dat eisers geen belang meer hebben bij bespreking van de overige gronden. Onbesproken kan dus blijven of het verjaardagsfeest een bijzondere bijeenkomst was waarvan op voorhand vaststond dat nadere maatregelen nodig waren. Ter zitting hebben eisers gevraagd om in de gelegenheid te worden gesteld om hun beroep op het gelijkheidsbeginsel nader te onderbouwen met de bij de gemeente opgevraagde, nog niet ontvangen, stukken. De rechtbank overweegt terzake als volgt. De rechtbank overweegt dat de stukken die betrekking hebben op de incidenten in Hollywood Music Hall en Imax niet meteen na de sluiting van de inrichting in april 2007 of ten tijde van het verzoek om voorlopige voorziening in mei 2007, doch eerst op 29 april 2008 zijn opgevraagd bij verweerder. Van de gemachtigde van eisers mag worden verwacht dat zij er rekening mee houdt dat verweerder enige tijd nodig heeft om op dit verzoek in het kader van de Wob te beslissen. Nu zij lang gewacht heeft met het indienen van dit Wob-verzoek tot kort voor de zitting had zij er rekening mee moeten houden dat verweerders besluit op dit verzoek niet meer tijdig voor de zitting zou kunnen worden genomen. De rechtbank ziet, gelet op deze omstandigheden, geen aanleiding om het onderzoek te heropenen teneinde de gemachtigde van eisers in de gelegenheid te stellen nadere stukken in de procedure in te brengen. Ten aanzien van de opmerking ter zitting van de gemachtigde van verweerder dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel te laat is gedaan, en hij tegen een inhoudelijke behandeling daarvan bezwaar maakt, overweegt de rechtbank dat de gemachtigde van verweerder er ter zitting blijk van heeft gegeven dat hij zich voldoende heeft kunnen voorbereiden en adequaat heeft kunnen reageren op deze beroepsgrond. Een inhoudelijke beoordeling van deze beroepsgrond komt dan ook niet in strijd met de beginselen van een goede procesorde. In de uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 juni 2007 is het beroep op het gelijkheidsbeginsel, voorzover daarbij een vergelijking is gemaakt is met de situatie ten aanzien van Now & Wow uitvoerig aan de orde geweest, en in die uitspraak is gemotiveerd waarom het beroep op het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van die situatie niet kan slagen. De rechtbank neemt de overwegingen van de voorzieningenrechter op dit punt over en maakt deze tot de hare. Deze overwegingen worden hier als herhaald en ingelast beschouwd. De rechtbank constateert dat nauwelijks informatie voorhanden is met betrekking tot gestelde gelijke gevallen van Hollywood Music Hall en Imax. Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd aangegeven waarom het beroep op het gelijkheidsbeginsel ook hier niet kan slagen. Naar het oordeel van de rechtbank is ten aanzien van deze twee gevallen niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van gelijke gevallen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan dan ook niet slagen. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep van eisers dient ongegrond te worden verklaard. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding. 3 Beslissing De rechtbank, recht doende: verklaart het beroep ongegrond. Aldus gedaan door mr. P.C. Santema, voorzitter, en mr. A.I. van Strien en mr. P. Vrolijk, leden, en door de voorzitter en mr. I. Geerink-van Loon, griffier, ondertekend. De griffier: De voorzitter: Uitgesproken in het openbaar: 3 september 2008 Een belanghebbende - onder wie in elk geval eisers worden begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden. Afschrift verzonden op: