
Jurisprudentie
BF2090
Datum uitspraak2008-09-10
Datum gepubliceerd2008-09-24
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Rotterdam
ZaaknummersBESLU 07/3663-VRLK
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-24
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Rotterdam
ZaaknummersBESLU 07/3663-VRLK
Statusgepubliceerd
Indicatie
Vaststelling van hondenuitlaat- en hondenuitrengebieden voor de deelgemeente Noord in het kader van het nieuwe hondenbeleid.
Trefwoorden: besluit van algemene strekking, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, discretionaire bevoegdheid, beleid niet onredelijk
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Sector Bestuursrecht
Meervoudige kamer
Reg.nr.: BESLU 07/3663-VRLK
Uitspraak in het geding tussen
(Eiseres), wonende te Rotterdam, eiseres,
en
het dagelijks bestuur van de deelgemeente Noord, verweerder.
1 Ontstaan en loop van de procedure
Bij besluit van 4 april 2006, bekendgemaakt op 21 juni 2006 (hierna: het primaire besluit), heeft verweerder, in het kader van het nieuwe hondenbeleid, voor de deelgemeente hondenuitlaat- en hondenuitrengebieden vastgesteld.
Bij besluit van 15 december 2006 heeft verweerder de bezwaren van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit is bij uitspraak van 20 juli 2007, reg.nr. 07/336 BESLU-SCHV, door de rechtbank vernietigd, op de grond dat het primaire besluit een besluit van algemene strekking, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift behelst.
Bij brief van 8 oktober 2007 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op haar bezwaarschrift.
Bij besluit van 11 december 2007, verzonden op 13 december 2007, (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. De rechtbank heeft aan partijen medegedeeld dat het bestreden besluit bij de behandeling van het beroep van eiseres zal worden betrokken.
Bij brief van 23 januari 2008 heeft eiseres de beroepsgronden ter zake van het bestreden besluit ingediend.
Verweerder heeft op 10 juli 2008 nog enkele aanvullende stukken overgelegd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2008. Eiseres is verschenen, bijgestaan door (haar gemachtigde). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.E. Kleiweg de Zwaan.
2 Overwegingen
2.1 Juridisch kader
Artikel 2.4.10 van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam (hierna: APV) luidt, voor zover te dezen van belang, als volgt:
“ (…)
3. Het is de eigenaar van een hond verboden die hond op de weg te laten lopen of verblijven:
a. (…)
b. zonder dat die hond kort is aangelijnd, met een lijn waarvan de lengte, gemeten van hand tot halsband, niet meer dan 1.50 meter bedraagt.
(..)
5. Het college kan plaatsen en tijdstippen aanwijzen waar het gestelde in het derde lid, aanhef en onder b niet van toepassing is.
(..)
7. De eigenaar van een hond dient ertegen te waken dat de hond zich op of aan de weg van zijn uitwerpselen ontdoet anders dan in de goot van de rijweg naast een hoger gelegen trottoir, of op een door het college aangewezen plaats. Indien een dergelijke goot of aangewezen plaats ontbreekt, dient de eigenaar ervoor te zorgen dat de hond zich niet van zijn uitwerpselen ontdoet:
a. op een gedeelte van de weg dat bestemd is of mede bestemd is voor het verkeer van voetgangers of wielrijders;
b. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide, dan wel op het strand of op een groenstrook.
(…).”
Artikel 2.4.10a, leden 1 en 2, van de APV luidt als volgt:
“ 1. In afwijking van het in artikel 2.4.10, zevende lid, bepaalde, kan het college gebieden aanwijzen waar de eigenaar van een hond de uitwerpselen van die hond onmiddellijk opruimt.
2. Binnen de in het eerste lid genoemde gebieden kan het college plaatsen aanwijzen waar de uitwerpselen van die hond niet hoeven worden opgeruimd.”
Ingevolge de Lijst van bevoegdheden behorende bij de Deelgemeenteverordening 2002 zijn de bevoegdheden met betrekking tot artikel 2.4.10a en verder van de APV aan het dagelijks bestuur van de deelgemeente overgedragen.
De deelgemeente Noord is aangewezen als gebied ex artikel 2.4.10a, eerste lid, van de APV, waar de eigenaar van een hond de uitwerpselen van die hond onmiddellijk dient te verwijderen. In dit kader heeft verweerder bij het primaire besluit hondenuitlaat- en hondenuitrengebieden vastgesteld. In deze gebieden hoeven de uitwerpselen van honden niet opgeruimd te worden. Die gebieden worden door de Roteb schoongemaakt.
Tijdens de bezwaarprocedure heeft verweerder voorafgaande aan de behandeling in de bezwaarschriftencommissie op 8 november 2006 (mondeling) ingestemd met het aanwijzen van één extra losloopplaats op de groenstrook langs het Noorderkanaal tussen het Rozenlaanviaduct en de Gordelbrug (destijds in gebruik als uitlaatgebied), hetgeen is geformaliseerd in een besluit van 14 december 2006.
2.2 Standpunten van partijen
Verweerder stelt dat bij de vaststelling van de hondenuitlaat- en hondenuitrengebieden rekening is gehouden met het huidige gebruik van het gebied, de ligging, of de locatie goed schoongemaakt kan worden en of er mogelijk andere, recreatieve functies voor de locaties van de huidige uitlaatgebieden gelden. Verweerder acht het niet wenselijk om het Vroesenpark een deel van het jaar open te stellen als losloopgebied, omdat dit tot onduidelijkheid zou kunnen leiden. Bovendien is gebleken dat het park in de winter niet goed kan worden schoongemaakt.
Eiseres stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat verweerder in dit geval niet adequaat en onzorgvuldig heeft gehandeld door hondenbezitters niet te betrekken bij het vaststellen van de hondenuitlaat- en hondenuitrengebieden. Hiermede handelt verweerder in strijd met de handleiding van de Roteb (het nieuwe Rotterdamse hondenbeleid van maart 2004). Tijdens de hoorzitting van 8 november 2006, waar meer dan 150 medestanders aanwezig waren, had verweerder hen alsnog inspraak kunnen geven, hetgeen is nagelaten. Dat zulks, zo redeneert verweerder, in het kader van de evaluatie alsnog kan, acht eiseres onbegrijpelijk. Immers in de periode vanaf het primaire besluit tot aan de evaluatie ervaren hondenbezitters de nadelige gevolgen, zoals weinig ruimte voor de honden om vrij te lopen, slechte spreiding en repressieve handhaving.
Eiseres stelt zich daarnaast op het standpunt dat verweerder onvoldoende is ingegaan op het verzoek om meer uitrengebieden. Door middel van geringe maatregelen kunnen uitlaatzones worden omgezet in uitrengebieden. Voorts is bij de vaststelling van de uitlaat- en uitrengebieden geen rekening gehouden met de evenredigheid van de maatregelen. Er zijn losloopgebieden, onder andere in het Vroesenpark, gesloten zonder dat daartoe eerst expertise is ingewonnen bij de dierenbescherming. Niet gedacht is aan het welzijn van de hond. Honden concentreren in een klein gebied levert gevaar op voor infectie en incidenten, aldus eiseres.
Verder voert eiseres aan dat de enkele overweging van verweerder, dat een hondenpoepzuiger in de winter in bijvoorbeeld het Vroesenpark niet kan rijden in verband met drassigheid, onvoldoende is om de hond er in die periode niet uit te kunnen laten of uit te laten rennen. In dit verband merkt zij op dat het hier de grasvelden en de stroken langs de singels en vijvers in het park betreft. Door de drassigheid zakken de uitwerpselen op natuurlijke wijze weg in de bodem. Bovendien heeft het gras in de winter vanwege de drassigheid geen recreatieve functie.
Tot slot acht eiseres de overweging van verweerder dat uit de overgelegde stukken kan worden opgemaakt dat op een zorgvuldige en gemotiveerde wijze is afgewogen of een gebied als uitlaat- of losloopgebied dient te worden aangewezen, onbegrijpelijk en onduidelijk, daar zij de overgelegde stukken niet kent.
2.3 Beoordeling.
Eiseres heeft tegen het uitblijven van een beslissing op haar bezwaarschrift beroep ingesteld.
Niet in geding is dat verweerder niet binnen de gestelde wettelijke termijnen op het bezwaarschrift heeft beslist. Ook de rechtbank stelt vast dat verweerder in gebreke is geweest tijdig op het bezwaar van eiseres te beslissen. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar is mitsdien in beginsel ontvankelijk, temeer nu eiseres niet onredelijk lang heeft gewacht met het instellen van beroep wegens niet tijdig beslissen.
Nu bij het bestreden besluit alsnog inhoudelijk op het bezwaar is beslist en – ook daarnaar ter zitting gevraagd – niet is gebleken van enig belang van eiseres bij haar oorspronkelijke beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar, is dit beroep bij gebrek aan belang niet-ontvankelijk.
Met betrekking tot het beroep tegen het bestreden besluit overweegt de rechtbank als volgt.
Ter toetsing ligt een besluit voor dat berust op een zogenaamde discretionaire bevoegdheid van verweerder. Dit betekent dat aan de rechter slechts een beperkte - marginale - toetsing toekomt en dat dient te worden gerespecteerd dat verweerder in beginsel over een zekere mate van vrijheid beschikt om naar eigen inzicht en goeddunken uitvoering te geven aan die bevoegdheid. Concreet zal dan moeten worden beoordeeld of bij de hantering en uitoefening van die bevoegdheid in het onderhavige geval door verweerder in strijd is gehandeld met een geschreven of ongeschreven rechtsregel.
De rechtbank stelt vast dat door verweerder is erkend dat, alvorens de hondenuitlaat- en hondenuitrengebieden vast te stellen, in dit geval (enige) inspraak beter zou zijn geweest. Nu belanghebbenden in het kader van de bezwaarprocedure de gelegenheid hebben gehad hun grieven naar voren te brengen en toe te lichten, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat de besluitvorming niet zodanig onzorgvuldig is geweest, dat dit tot gegrond verklaring van het beroep zou dienen te leiden.
Dat eiseres de stukken op grond waarvan verweerder de keuzes heeft gemaakt niet zou kennen komt de rechtbank niet aannemelijk voor. Deze stukken, die onder meer zijn overgelegd bij brief van 10 juli 2008, hebben destijds eveneens deel uitgemaakt van het geding 07/336 BESLU-SCHV. Bovendien heeft eiseres hiervan kennis kunnen nemen middels het dossier van de bezwaarschriftencommissie.
De rechtbank is van oordeel dat de door verweerder gehanteerde criteria, zoals weergegeven bij het bestreden besluit, niet onredelijk zijn. De rechtbank acht deze bovendien voldoende objectief teneinde te beoordelen of een gebied als hondenuitlaat- of hondenuitrengebied kan worden aangewezen. Vast is komen te staan dat verweerder in dit geval bij het bepalen van de onderhavige zones overleg heeft gevoerd met de dienst Gemeentewerken, Stadstoezicht en de Roteb.
De rechtbank kan zich verder vinden in verweerders opvatting dat het Vroesenpark niet geschikt is om volledig als hondenuitlaat- en uitrengebied aangewezen te worden, omdat het tevens voor recreatie wordt gebruikt. Ook verweerders afwijzing van de suggestie van eiseres, om daarbij onderscheid te maken tussen de winter en de andere jaargetijden daar het park volgens eiseres in de winter zo goed als niet voor recreatie wordt gebruikt, acht de rechtbank niet onredelijk. Verweerder heeft zich in in dit geval hierbij in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit onduidelijkheid schept en tot misverstanden kan leiden.
De rechtbank is voorts met verweerder van oordeel dat een uitlaatgebied niet zondermeer kan worden gewijzigd in een losloopgebied, daar een gebied niet alleen voldoende ruimte dient te bieden voor rennende honden, maar ook veilig dient te zijn voor de hond, het verkeer en omwonenden. De enkele redenering van verweerder om (één of beide aangewezen) hondenuitlaatgebieden in het Vroesenpark niet aan te wijzen als hondenuitrengebieden - zoals door eiseres is voorgesteld - omdat deze gebieden lastig schoon te houden zijn voor de Roteb, acht de rechtbank evenwel niet steekhoudend. Immers, ook een hondenuitlaatgebied dient door de Roteb te worden schoongemaakt. De rechtbank vermag niet in te zien waarom verweerder meent dat de Roteb dit wel kan in een uitlaat- doch niet in een uitrengebied. In het geval verweerder derhalve van opvatting wenst te blijven dat de desbetreffende hondenuitlaatgebieden in het Vroesenpark niet tevens als hondenuitrengebieden worden aangewezen zal verweerder daar een andere motivering aan ten grondslag dienen te leggen.
Gelet op het vorenstaande kan het bestreden besluit geen stand houden vanwege strijd met het in artikel 7:12 van de Awb neergelegde motiveringsbeginsel. Het beroep dient gegrond te worden verklaard. Verweerder dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, waarbij eventueel tevens de reeds eerder aangekondigde evaluatie van het hondenbeleid kan worden betrokken.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten, nu zijdens eiseres niet is gebleken van kosten waarop een dergelijke veroordeling kan zien.
3 Beslissing
De rechtbank,
recht doende:
verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar niet-ontvankelijk,
verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond,
vernietigt het bestreden besluit,
bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak,
bepaalt dat de gemeente Rotterdam aan eiseres het betaalde griffierecht van € 143,-- vergoedt.
Aldus gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzitter, en mr. drs. J.W.H.G. Loyson en mr. R.H.L. Dallinga, leden, en door de voorzitter en mr. A. Vermaat, griffier, ondertekend.
De griffier: De voorzitter:
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2008.
Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.
NB. In deze uitspraak is het beroep (deels) gegrond verklaard en is het bestreden besluit vernietigd. Als de rechtbank daarbij gronden van het beroep en/of (een deel van) de grondslag van het bestreden besluit uitdrukkelijk heeft verworpen en belanghebbende en/of verweerder daarin niet wil(len) berusten, moet daartegen binnen bovengenoemde termijn hoger beroep worden ingesteld.
Afschrift verzonden op: