Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF2074

Datum uitspraak2008-04-04
Datum gepubliceerd2008-09-23
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Amsterdam
ZaaknummersAWB 07/1261 WWB
Statusgepubliceerd


Indicatie

Schending inlichtingenplicht. Onduidelijkheid over de door eiser gewerkte uren in december 2006. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt kunnen stellen dat er onduidelijkheid bestaat over de financiële situatie van eisers met als gevolg dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.


Uitspraak

Rechtbank Amsterdam Sector Bestuursrecht Algemeen enkelvoudige kamer UITSPRAAK in het geding met reg.nr. AWB 07/1261 WWB tussen: [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, en [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres, gezamenlijk verder te noemen eisers, vertegenwoordigd door mr. T.M. van Angeren, en: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder, vertegenwoordigd door [persoon 1]. 1. PROCESVERLOOP De rechtbank heeft op 21 maart 2007 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 13 maart 2007 (hierna aangeduid als: het bestreden besluit). Het onderzoek is gesloten ter zitting van 29 februari 2008. 2. OVERWEGINGEN Eisers hebben op 13 december 2006 een gezinsuitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) aangevraagd. Bij besluit van 16 januari 2007 heeft verweerder de aanvraag van eisers afgewezen. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Daartoe heeft verweerder overwogen dat op basis van de door eisers overgelegde gegevens onduidelijkheid bestaat over de door eiser gewerkte uren in december 2006. Gelet hierop hebben eisers hun inlichtingenplicht geschonden met als gevolg dat het recht op bijstand niet is vast te stellen. In beroep hebben eisers aangevoerd dat eiser uitsluitend de door hem opgegeven inkomsten, zoals vermeld op de salarisspecificaties en de fooienlijst, heeft ontvangen. Verweerder heeft op geen enkele wijze kunnen aantonen dat eisers meer inkomsten hebben gehad. Als er uit de rittenstaten, de weekstaten dan wel anderszins zou kunnen worden geconcludeerd dat er door eiser meer uren zouden zijn gewerkt dan op de salarisstrookjes is aangegeven dan geven die staten het een en ander niet goed weer. Het recht op bijstand van eisers kan derhalve wel worden vastgesteld. Tot slot hebben eisers aangevoerd dat verweerder de rittenstaten en de weekstaten met rust- en rijtijden verkeerd leest en periodes met elkaar verwart. De door eiser genomen pauzes worden, anders dan verweerder kennelijk meent, niet als te verlonen uren aangemerkt. De tellingen, zoals door verweerder in het bestreden besluit weergegeven, zijn dan ook niet correct. De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WWB heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Indien de belanghebbende deze verplichting niet of in onvoldoende mate nakomt en in gebreke blijft dit verzuim te herstellen, is dat blijkens vaste jurisprudentie, in samenhang bezien met artikel 11, eerste lid, van de WWB, een rechtsgrond voor weigering of beëindiging van de bijstand wanneer door de schending van die rechtsplicht het recht op bijstand niet of niet langer kan worden vastgesteld. Naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) is het voor de beoordeling van het recht op bijstand in het algemeen noodzakelijk om inzicht te verkrijgen in de financiële situatie van een aanvrager in de aan de bijstandsaanvraag voorafgaande periode (zie bijvoorbeeld CRvB 21 maart 2007, LJN: BA1387). Uit het rapport van bevindingen met afsluitdatum 12 januari 2007 blijkt dat eisers op 11 januari 2007 onder meer hebben verklaard dat eiser sinds 11 september 2006 parttime bij [werkgever] werkt, dat eiser niet weet hoeveel uur hij exact werkt omdat dit per week verschillend is, dat eiser zijn loon contant ontvangt en dat eiser alleen salarisstrookjes ontvangt en geen kwitanties. Eiser heeft tijdens dit gesprek een overzicht van zijn fooien vanaf 1 december 2006, een salarisstrook van december 2006 en een aantal rittenstaten en weekstaten van december 2006 overgelegd. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat er onduidelijkheid bestaat over de door eiser gewerkte uren in december 2006. Zowel het totaal aantal gewerkte uren als de gewerkte dagen komen op de door eiser overgelegde salarisstrook, rittenstaten en weekstaten niet geheel overeen. Dit is ook het geval indien de door eiser genomen pauzes in aanmerking worden genomen. Gelet hierop heeft verweerder zich terecht op het standpunt kunnen stellen dat er onduidelijkheid bestaat over de financiële situatie van eisers en dat het recht op bijstand om die reden niet kan worden vastgesteld. Het bestreden besluit kan om bovenvermelde reden in rechte standhouden. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of te bepalen dat het door eisers betaalde griffierecht dient te worden vergoed. Beslist wordt als volgt. 3. BESLISSING De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 4 april 2008 door mr. N.J. Koene, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S. van Excel, griffier, en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum. De griffier, De rechter, Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht. Afschrift verzonden op: DOC: C