
Jurisprudentie
BF2056
Datum uitspraak2008-09-16
Datum gepubliceerd2008-09-25
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Roermond
ZaaknummersAWB 08 / 422
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-25
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Roermond
ZaaknummersAWB 08 / 422
Statusgepubliceerd
Indicatie
Eiser, bladenman/franchisenemer van Sanoma, is per 1 november 2004 werkloos geworden en WW is geweigerd omdat hij langer dan 1,5 jaar als zelfstandige had gewerkt. Geen rechtsmiddelen.
Nav een uitspraak van de CR en een daarop gebaseerd (algemeen) verzoek van een rechtsbijstandsverlener, is verweerder alsnog tot het standpunt gekomen dat bladenmannen als eiser als werknemer verzekerd moeten worden geacht. Eiser vraagt op2 augustus 2007 opnieuw WW. Wordt toegekend miv 1 november 2004 voor de duur van vier jaar, maar uitbetaald vanaf 3 april 2006 op grond van beleid.
Verweerder heeft in zijn beleid van juli 2007 ten aanzien van de Sanoma bladenmannen uiteengezet dat de aanvragen van de bladenmannen om een WW-uitkering als bijzondere gevallen in de zin van artikel 35 van de WW aangemerkt zullen worden. In verweerders beleid is een terugwerkende kracht aan de toekenning van de uitkering gegeven tot 3 april 2006, zijnde 26 weken voorafgaande aan maandag 2 oktober 2006, nu er op 5 oktober 2006 een collectieve vraag terzake toekenning van een WW-uitkering aan de bladenmannen bij verweerder is neergelegd. Ingevolge verweerders beleid worden alleen de uitkeringen over de perioden die na 3 april 2006 nog niet verstreken zijn toegekend. Verweerder heeft desgevraagd ter zitting medegedeeld niet te zijn uitgegaan van 26 weken voorafgaand aan de datum van genoemde uitspraak van de Centrale Raad van 2 maart 2005, omdat niet deze uitspraak de directe aanleiding was voor het opstellen van het thans aan de orde zijnde beleid, maar de brief van de Stichting rechtsbijstand.
De rechtbank acht het beleid zoals door verweerder opgesteld en toegepast niet kennelijk onredelijk. Bij dit oordeel wordt meegewogen dat verweerder heeft uiteengezet deze aanpak te hebben gehanteerd om te voorkomen dat gevallen waarin reeds een afwijzing is afgegeven en een nieuwe aanvraag wordt gedaan ongelijk worden behandeld met gevallen waarin een eerste aanvraag wordt gedaan. Een terugwerkende kracht van 26 weken ten aanzien van de uitbetaling van de uitkering, acht de rechtbank daarbij met het oog op het bepaalde in artikel 35 van de WW, niet onlogisch of onaanvaardbaar.
Omtrent de vraag of een terugwerkende kracht van 26 weken vóór 2 oktober 2006 voldoende recht doet aan eisers situatie, overweegt de rechtbank ten slotte dat indien van een (fictieve) collectieve aanvraag in de zin van artikel 35 van de WW op 2 oktober 2006 wordt uitgegaan, eiser in ieder geval in een gunstigere positie is komen te verkeren dan het geval zou zijn geweest zonder (toepassing van) het beleid. Dit beleid beoogt immers om voor (een groep) bijzondere gevallen een uitzonderingsregeling te treffen. Daarvan wordt door verweerder enkel afgeweken indien iemand door het ontbreken van de WW-uitkering in een hopeloze financiële situatie zou zijn terechtgekomen. Daarvan is in het geval van eiser niet gebleken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder op goede gronden tot het onderhavige besluit is gekomen
Nav een uitspraak van de CR en een daarop gebaseerd (algemeen) verzoek van een rechtsbijstandsverlener, is verweerder alsnog tot het standpunt gekomen dat bladenmannen als eiser als werknemer verzekerd moeten worden geacht. Eiser vraagt op2 augustus 2007 opnieuw WW. Wordt toegekend miv 1 november 2004 voor de duur van vier jaar, maar uitbetaald vanaf 3 april 2006 op grond van beleid.
Verweerder heeft in zijn beleid van juli 2007 ten aanzien van de Sanoma bladenmannen uiteengezet dat de aanvragen van de bladenmannen om een WW-uitkering als bijzondere gevallen in de zin van artikel 35 van de WW aangemerkt zullen worden. In verweerders beleid is een terugwerkende kracht aan de toekenning van de uitkering gegeven tot 3 april 2006, zijnde 26 weken voorafgaande aan maandag 2 oktober 2006, nu er op 5 oktober 2006 een collectieve vraag terzake toekenning van een WW-uitkering aan de bladenmannen bij verweerder is neergelegd. Ingevolge verweerders beleid worden alleen de uitkeringen over de perioden die na 3 april 2006 nog niet verstreken zijn toegekend. Verweerder heeft desgevraagd ter zitting medegedeeld niet te zijn uitgegaan van 26 weken voorafgaand aan de datum van genoemde uitspraak van de Centrale Raad van 2 maart 2005, omdat niet deze uitspraak de directe aanleiding was voor het opstellen van het thans aan de orde zijnde beleid, maar de brief van de Stichting rechtsbijstand.
De rechtbank acht het beleid zoals door verweerder opgesteld en toegepast niet kennelijk onredelijk. Bij dit oordeel wordt meegewogen dat verweerder heeft uiteengezet deze aanpak te hebben gehanteerd om te voorkomen dat gevallen waarin reeds een afwijzing is afgegeven en een nieuwe aanvraag wordt gedaan ongelijk worden behandeld met gevallen waarin een eerste aanvraag wordt gedaan. Een terugwerkende kracht van 26 weken ten aanzien van de uitbetaling van de uitkering, acht de rechtbank daarbij met het oog op het bepaalde in artikel 35 van de WW, niet onlogisch of onaanvaardbaar.
Omtrent de vraag of een terugwerkende kracht van 26 weken vóór 2 oktober 2006 voldoende recht doet aan eisers situatie, overweegt de rechtbank ten slotte dat indien van een (fictieve) collectieve aanvraag in de zin van artikel 35 van de WW op 2 oktober 2006 wordt uitgegaan, eiser in ieder geval in een gunstigere positie is komen te verkeren dan het geval zou zijn geweest zonder (toepassing van) het beleid. Dit beleid beoogt immers om voor (een groep) bijzondere gevallen een uitzonderingsregeling te treffen. Daarvan wordt door verweerder enkel afgeweken indien iemand door het ontbreken van de WW-uitkering in een hopeloze financiële situatie zou zijn terechtgekomen. Daarvan is in het geval van eiser niet gebleken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder op goede gronden tot het onderhavige besluit is gekomen
Uitspraak
RECHTBANK ROERMOND
Sector bestuursrecht, enkelvoudige kamer
Procedurenummer: AWB 08 / 422
Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
inzake
[eiser] te [woonplaats], eiser,
tegen
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Venlo), verweerder.
1. Procesverloop
1.1. Bij besluit van 11 februari 2008 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen verweerders besluit van 15 november 2007, welk bezwaar zich richtte tegen de ingangsdatum en duur van de toekenning van een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aan eiser, ongegrond verklaard. Tegen dat besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld.
1.2. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eiser gezonden.
1.3. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 16 juli 2008, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J.H.G. Levels, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door J. Huijs.
2. Overwegingen
2.1 Eiser werkte vanaf 1 november 1986 bij Sanoma Uitgevers BV (Sanoma) als verkoper en distributeur van tijdschriften, waarbij hij per 1 januari 1999, als gevolg van wijziging van zijn overeenkomst met Sanoma, als zelfstandige (franchisenemer) werd beschouwd. Per 1 november 2004 werd eiser werkloos. Op 24 december 2005 heeft eiser bij verweerder een WW-uitkering aangevraagd, met ingangsdatum 1 november 2004.
Bij besluit van 3 februari 2006 is deze aanvraag afgewezen, omdat eiser langer dan 1,5 jaar als zelfstandige had gewerkt. Tegen dit besluit heeft eiser geen bezwaar gemaakt.
2.2 Na een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 2 maart 2005 (te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJN: AT0238) die handelde over de verzekeringsplicht van een franchisenemer zoals eiser, is zijdens verweerder nader onderzoek gedaan naar de verzekeringsplicht van de bladenmannen van Sanoma. Daaruit is gebleken dat de bladenmannen wel als verzekerd in de zin van de WW beschouwd moeten worden.
Dit had tot gevolg dat de bladenmannen alsnog vanaf 1 januari 1999 verzekerd werden geacht. Mede naar aanleiding van een vraag van 5 oktober 2006 van de Stichting rechtsbijstand naar de mogelijke WW-aanspraken van de bladenmannen van Sanoma, heeft verweerder zich, in beleid neergelegd in een brief aan de stichting van 13 juli 2007, op het standpunt gesteld dat de bladenmannen ook na 1 januari 1999 als werknemer in de zin van de WW moeten worden aangemerkt.
2.3 Eiser heeft vervolgens bij formulier van 2 augustus 2007 opnieuw een WW-uitkering aangevraagd.
2.4 Bij besluit van 15 november 2007 is aan eiser met ingang van 1 november 2004 een loongerelateerde WW-uitkering toegekend, die -als er niets aan eisers situatie verandert- loopt tot en met 31 oktober 2008. Uitbetaling van de uitkering vindt plaats vanaf 3 april 2006.
2.5 Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 24 december 2007, ontvangen door verweerder op 27 december 2007, bezwaar gemaakt. Eiser heeft daarbij aangegeven dat zijn bezwaar zich toespitst op de duur en ingangsdatum van de aan hem toegekende WW-uitkering. Bij aanvullend bezwaarschrift van 9 januari 2008 heeft eiser zijn standpunt als volgt uiteengezet. Indien de (eerdere) aanvraag van eiser om WW-uitkering per 1 november 2004 gehonoreerd zou zijn , zou dit voor hem gunstiger zijn geweest. In die situatie zou hij namelijk vier jaar een uitkering hebben ontvangen, terwijl dat in de huidige situatie slechts 2,5 jaar het geval is. Verder is het zo, aldus eiser, dat collega’s die na 3 april 2006 werkloos zijn geworden niet geconfronteerd worden met een verkorting van de WW-duur, hetgeen eiser in strijd met het gelijkheidsbeginsel acht. Eiser verzoekt verweerder, met inachtneming van het bepaalde in artikel 35 van de WW, om in casu een bijzonder geval aan te nemen, waarbij òf de ingangsdatum van zijn WW-uitkering wordt bepaald op 1 november 2004 òf de ingangsdatum wordt bepaald op 3 april 2006, maar dan met een uitkeringsduur van minimaal vier jaar.
2.6 Bij besluit op bezwaar van 11 februari 2008 heeft verweerder eisers bezwaar ongegrond verklaard, waarbij verweerder -voor zover thans van belang- het volgende standpunt heeft ingenomen. Verweerder acht de gevallen van de bladenmannen een bijzonder geval, waarbij voor de ingangsdatum van de uitkering wordt teruggegaan tot 26 weken voorafgaande aan 2 oktober 2006 (de datum waarop de belangenbehartiger van de bladenmannen verweerder om een standpunt heeft gevraagd). Dit betekent dat de WW-uitkering vanaf 3 april 2006 kan worden toegekend (uitbetaald), hoewel deze in veel gevallen een ingangsdatum zal hebben die ligt vóór 3 april 2006. Vanaf 3 april 2006 bestaat dus nog slechts recht op uitbetaling over de resterende duur. Eiser komt niet in aanmerking voor verdere terugwerkende kracht omdat niet gesteld kan worden dat hij, door het ontbreken van een WW-uitkering in een hopeloze financiële situatie terecht is gekomen. Eiser ontving immers een WAZ-uitkering met een toeslag ingevolge de Toeslagenwet. Eisers aanvraag is verder op gelijke wijze behandeld als aanvragen van andere bladenmannen die voor het eerst zijn ingediend, conform verweerders beleid dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld. Over de duur van de loongerelateerde uitkering heeft verweerder overwogen dat deze is berekend op vier jaar. Omdat eisers recht op de WW-uitkering is ontstaan op 1 november 2004 (en niet later), kan de aanspraak op de uitkering vóór 3 april 2006 dus niet meer te gelde worden gemaakt. Eiser heeft daardoor nog slechts recht op uitbetaling van uitkering over de resterende duur tot en met 31 oktober 2008.
2.7 Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 4 maart 2008, ontvangen ter griffie op 7 maart 2008, beroep ingesteld. In zijn aanvullende beroepschrift heeft eiser, naast hetgeen hij in bezwaar reeds had aangevoerd, gesteld dat herziening van verweerders besluit van 3 februari 2006 inhoudt dat met terugwerkende kracht alsnog een besluit wordt genomen zoals dat per die datum genomen had dienen te worden. Dat daarbij eisers WW-uitkeringsduur wordt teruggebracht van vier naar twee jaar acht eiser in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Verder benadrukt eiser dat hij zich niet gelijk behandeld voelt met collega’s die na 3 april 2006 werkloos zijn geworden, omdat zij niet geconfronteerd worden met een verkorting van de WW-duur.
2.8 Verweerder heeft vervolgens in het verweerschrift aangegeven dat aan eiser alsnog met volledige terugwerkende kracht het volle uitkeringsrecht van vier jaar is toegekend, in tegenstelling tot hetgeen eiser meent. Slechts de feitelijke uitbetaling van eisers uitkering is in duur beperkt. Volledige terugwerkende kracht van de uitbetaling had eiser mogelijk kunnen bereiken door bezwaar en beroep in te stellen tegen de afwijzing in het besluit van 3 februari 2006. Verder heeft verweerder nog opgemerkt dat in de WW de eerste werkloosheidsdag een van de belangrijkste onderscheidende criteria is voor het uitkeringsrecht, zodat in dat opzicht niet van een gelijk geval met bladenmannen die na 3 april 2006 werkloos zijn geworden, kan worden gesproken.
2.9 Het oordeel van de rechtbank
2.10 Niet in geding is dat eiser gelet op de uitspraak van de CRvB en het mede daarop door verweerder gebaseerde, in juli 2007 vastgestelde beleid omtrent de WW-aanspraken van de bladenmannen van Sanoma, ook in de periode vanaf 1 januari 1999 als werknemer in de zin van de WW dient te worden aangemerkt.
2.11 In artikel 15 van de WW is bepaald dat, met inachtneming van de artikelen 16 tot en met 21 en de daarop berustende bepalingen, de werknemer die werkloos is, recht heeft op uitkering. Eiser voldeed (op enig moment) aan de voorwaarden voor het ontstaan van het recht op die uitkering.
2.12 Ingevolge het bepaalde in artikel 16, eerste lid, en artikel 16 a, eerste lid, van de WW, is voor het bepalen van de datum van intreden van de werkloosheid van doorslaggevend belang wanneer het arbeidsurenverlies van de betrokkene optreedt. In eisers geval is het arbeidsurenverlies opgetreden na ontbinding van de franchise-overeenkomst tussen eiser en Sanoma op 30 oktober 2004. Als eisers eerste WW-dag dient ingevolge het bepaalde in voornoemde artikelen derhalve 1 november 2004 te worden aangemerkt.
2.13 In artikel 35 van de WW is bepaald dat de uitkering niet wordt betaald (cursivering rechtbank) over perioden gelegen vóór 26 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om een uitkering werd ingediend. Verweerder is bevoegd in bijzondere gevallen af te wijken van de eerste zin.
2.14 Eiser heeft op 24 december 2005 een aanvraag om een WW-uitkering ingediend. Deze aanvraag is afgewezen door verweerder, omdat eiser, in verweerders toenmalige visie, vanaf 1 januari 1999 geen werknemer in de zin van de WW was. Eiser heeft tegen deze afwijzing geen rechtsmiddelen aangewend, waardoor het besluit waarin de afwijzing is neergelegd rechtens onaantastbaar is geworden.
2.15 Verweerder heeft in zijn beleid van juli 2007 ten aanzien van de Sanoma bladenmannen uiteengezet dat de aanvragen van de bladenmannen om een WW-uitkering als bijzondere gevallen in de zin van artikel 35 van de WW aangemerkt zullen worden. In verweerders beleid is een terugwerkende kracht aan de toekenning van de uitkering gegeven tot 3 april 2006, zijnde 26 weken voorafgaande aan maandag 2 oktober 2006, nu er op 5 oktober 2006 een collectieve vraag terzake toekenning van een WW-uitkering aan de bladenmannen bij verweerder is neergelegd. Ingevolge verweerders beleid worden alleen de uitkeringen over de perioden die na 3 april 2006 nog niet verstreken zijn toegekend. Verweerder heeft desgevraagd ter zitting medegedeeld niet te zijn uitgegaan van 26 weken voorafgaand aan de datum van genoemde uitspraak van de Centrale Raad van 2 maart 2005, omdat niet deze uitspraak de directe aanleiding was voor het opstellen van het thans aan de orde zijnde beleid, maar de brief van de Stichting rechtsbijstand.
De rechtbank acht het beleid zoals door verweerder opgesteld en toegepast niet kennelijk onredelijk. Bij dit oordeel wordt meegewogen dat verweerder heeft uiteengezet deze aanpak te hebben gehanteerd om te voorkomen dat gevallen waarin reeds een afwijzing is afgegeven en een nieuwe aanvraag wordt gedaan ongelijk worden behandeld met gevallen waarin een eerste aanvraag wordt gedaan. Een terugwerkende kracht van 26 weken ten aanzien van de uitbetaling van de uitkering, acht de rechtbank daarbij met het oog op het bepaalde in artikel 35 van de WW, niet onlogisch of onaanvaardbaar.
2.16 Eisers tweede aanvraag dateert van 2 augustus 2007. Verweerder heeft deze aanvraag, conform zijn beleid over de WW-aanspraken van de bladenmannen, als eerste aanvraag aangemerkt. Voor zover eiser meent dat voor het bepaalde in artikel 35 (ingangsdatum uitbetaling uitkering) van de WW uit dient te worden gegaan van de datum van zijn eerste aanvraag, is de rechtbank van oordeel dat dit niet (meer) het geval kan zijn, nu de eerste aanvraag reeds door verweerder is afgewezen en deze afwijzing onherroepelijk vaststaat, waarvan in rechte dient te worden uitgegaan.
2.17 De overige grieven die eiser heeft aangevoerd, eveneens betrekking hebbend op de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid, zien met name op de duur van de aan eiser toegekende WW-uitkering. Eiser meent dat de duur van de uitkering door verweerder is bekort van vier naar twee jaar. Verweerder heeft uiteengezet dat de duur van het uitkeringsrecht van eiser niet is beperkt, maar dat de beperking enkel de duur van de uitbetaling van eisers uitkering betreft. De rechtbank is van oordeel dat dit standpunt van verweerder niet rechtens onjuist. Het vorenstaande laat echter onverlet dat eiser de facto slechts twee en een half jaar een uitkering ontvangt.
2.18 Omtrent de vraag of een terugwerkende kracht van 26 weken vóór 2 oktober 2006 voldoende recht doet aan eisers situatie, overweegt de rechtbank ten slotte dat indien van een (fictieve) collectieve aanvraag in de zin van artikel 35 van de WW op 2 oktober 2006 wordt uitgegaan, eiser in ieder geval in een gunstigere positie is komen te verkeren dan het geval zou zijn geweest zonder (toepassing van) het beleid. Dit beleid beoogt immers om voor (een groep) bijzondere gevallen een uitzonderingsregeling te treffen. Daarvan wordt door verweerder enkel afgeweken indien iemand door het ontbreken van de WW-uitkering in een hopeloze financiële situatie zou zijn terechtgekomen. Daarvan is in het geval van eiser niet gebleken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder op goede gronden tot het onderhavige besluit is gekomen. Beslist wordt als hierna onder 3.
3. Beslissing
De rechtbank Roermond;
gelet op het bepaalde in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht;
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gedaan door mr. L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier-Dassen,
in tegenwoordigheid van mr. K.M.J. van der Vorst als griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2008.
Voor eensluidend afschrift:
de wnd. griffier:
verzonden op: 17 september 2008
Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.