Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF1967

Datum uitspraak2008-09-11
Datum gepubliceerd2008-09-25
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/2777 ALGEM
Statusgepubliceerd


Indicatie

Correctie- en boetenota's. Bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding bezwaartermijn? Omstandigheden die termijnoverschrijding rechtvaardigen?


Uitspraak

07/2777 ALGEM Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Naam appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 2 april 2007, 06/969 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv), Datum uitspraak: 11 september 2008. I. PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 28 augustus 2008 waar appellante zich heeft doen vertegenwoordigen door [naam directeur], directeur van appellante, terwijl het Uwv, met voorafgaand schriftelijk bericht, niet is verschenen. II. OVERWEGINGEN 1. Voor een overzicht van de in dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het vermelden van de volgende, voor de beoordeling van het hoger beroep van belang zijnde gegevens. 1.1. Naar aanleiding van een bij appellante op 11 september 2001 uitgevoerd onderzoek verzekeringsplicht heeft de rechtsvoorganger van het Uwv, bij besluit van 27 september 2001, ten aanzien van [naam directeur] met ingang van 21 juni 1995 verzekeringsplicht op grond van de sociale werknemersverzekeringswetten aangenomen. Naar aanleiding van een bij appellante gehouden looncontrole, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 2 september 2005, heeft het Uwv op 4 november 2005 aan appellante correctienota’s over de jaren 2000, 2001, 2003 en 2004 opgelegd overeenkomstig het door de looninspecteur geconstateerde verschil. In het verlengde daarvan heeft het Uwv op 10 maart 2006 aan appellante boetenota’s over de jaren 2001 en 2003 opgelegd. 1.2. Bij brief van 2 februari 2006 is namens appellante geïnformeerd naar de stand van zaken ter zake van het bezwaar gemaakt tegen de correctienota’s van 4 november 2005. Bij dit schrijven heeft appellante als bijlagen gevoegd het bezwaarschrift van 13 januari 2006, gericht tegen de correctienota’s van 4 november 2005 en het bezwaarschrift van 6 november 2001, gericht tegen het besluit van 27 september 2001. Op 7 april 2006 is namens appellante tegen de boetenota’s van 10 maart 2006 bezwaar aangetekend. 1.3. Het bezwaar gericht tegen het besluit van 27 september 2001 en het bezwaar gericht tegen de correctienota’s van 4 november 2005 is door het Uwv bij besluit van 29 juni 2006 niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Het bezwaar gericht tegen de boetenota’s van 10 maart 2006 is bij besluit van 29 juni 2006 ongegrond verklaard. 2. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. Ten aanzien van de overschrijding van de bezwaartermijnen heeft de rechtbank - kort weergegeven - overwogen dat de bezwaarschriften van 6 november 2001 en 13 januari 2006 niet aangetekend zijn verzonden en dat niet gebleken is van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest. Ten aanzien van het bezwaarschrift van 13 januari 2006 heeft de rechtbank nog overwogen dat indien het Uwv het bezwaarschrift wel terstond had ontvangen het eveneens na afloop van de bezwaartermijn is ingediend. Voorts heeft de rechtbank geen reden gezien om aan te nemen dat het Uwv de boetes over 2000 en 2001 ten onrechte of tot een te hoog bedrag zijn opgelegd. 3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen de uitspraak van de rechtbank en daarbij benadrukt dat het Uwv op brieven van appellante in het geheel niet of pas na maanden heeft gereageerd. 4. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het bezwaar gericht tegen het besluit van 27 september 2001, de verzekeringsplicht van [naam directeur] betreffende, alsmede het bezwaar gericht tegen de correctienota’s van 4 november 2005 terecht niet-ontvankelijk is verklaard omdat appellante bij het instellen van bezwaar de ingevolge de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde termijn voor het indienen van een bezwaarschrift van zes weken niet in acht heeft genomen, en dat niet is gebleken van enige omstandigheid op grond waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest. Het eerst op 17 juli 2007 gedane verzoek gericht aan het Uwv om een afschrift van het postregistratieboek over de perioden 6 tot 13 november 2001 en 18 tot 25 oktober 2002 kan het eigen feilen in elk geval niet rechtvaardigen. 4.1. Ten aanzien van de boetenota’s is de Raad met de rechtbank van oordeel dat niet gebleken is dat de boeten ten onrechte of tot een te hoog bedrag zijn vastgesteld. Hetgeen namens appellante in dit kader in hoger beroep nog is aangevoerd ziet naar het oordeel van de Raad op het al dan niet verzekerd zijn voor de sociale werknemersverzekeringen van haar directeur [naam directeur], en valt gelet op het vorenstaande buiten de omvang van dit geding. 4.2. Gezien het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking. 4.3. De Raad ziet geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 september 2008. (get.) B.J. van der Net. (get.) R.B.E. van Nimwegen. OA