Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF1965

Datum uitspraak2008-09-11
Datum gepubliceerd2008-09-25
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/6547 WW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij vaststellen WW-dagloon is wegens overschrijding van de termijn van een jaar na afloop van een eerder dienstverband geen toepassing gegeven aan de dagloongarantieregeling. Bijzondere omstandigheden.


Uitspraak

07/6547 WW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 11 oktober 2007, 06/1626 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv), Datum uitspraak: 11 september 2008. I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2008. Appellant is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door A.B. Froentjes, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. II. OVERWEGINGEN 1. Bij na bezwaar genomen besluit van 17 mei 2006 heeft het Uwv met handhaving van de beslissing van 31 januari 2006 het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Daarbij is bij het vaststellen van het dagloon ingevolge de Werkloosheidswet per 2 januari 2006 van € 112,93 wegens overschrijding van de termijn van een jaar na afloop van een eerder dienstverband geen toepassing gegeven aan de dagloongarantieregeling. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard. Daarin heeft de rechtbank vastgesteld dat appellant niet binnen 12 maanden na de dag van beëindiging van zijn dienstbetrekking bij werkgever [naam werkgever] op 31 mei 2003 zijn dienstbetrekking bij [naam supermarkt] heeft aangegaan. Hierdoor is volgens de rechtbank niet voldaan aan de dagloongarantieregeling zoals neergelegd in artikel 17, eerste lid van het Besluit Dagloonregels werknemers van 8 oktober 2005, Stb. 546. De rechtbank kan niet inzien dat het Uwv ten gunste van appellant een uitzondering had moeten maken, omdat het hier gaat om een bepaling van dwingend recht. De rechtbank heeft hieraan het oordeel ten grondslag gelegd dat de omstandigheid dat appellant buiten zijn schuld niet binnen 12 maanden bij zijn nieuwe werkgever in dienst is getreden niet als een zodanige bijzondere omstandigheid kan worden aangemerkt dat strikte toepassing van laatstgenoemd voorschrift van dwingendrechtelijke aard in die mate in strijd komt met de algemene rechtsbeginselen dat op die grond toepassing daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn. 3. Namens appellant is in essentie met dezelfde motivering als in eerste aanleg tegen de uitspraak hoger beroep aangetekend. 4.1. De Raad overweegt op grond van hetgeen hem uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken als volgt. 4.2. De Raad verenigt zich met de overwegingen en het eindoordeel van de aangevallen uitspraak en maakt beide tot de zijne, omdat een juiste toepassing van de dagloongarantieregeling van artikel 17, eerste lid van even bedoeld Besluit tot geen andere redengeving en uitkomst kan leiden. 4.3. De Raad onderkent met appellant dat de langere loop van de sollicitatieprocedure tot aan de formele indiensttreding bij de nieuwe werkgever [naam supermarkt] tengevolge van een minder gelukkige samenloop van omstandigheden niet aan hem zelf kan worden verweten. Dit neemt evenwel niet weg dat tussen het einde van het dienstverband bij [naam werkgever] op 31 mei 2003 (eerste werkloosheidsdag 2 juni 2003) en het begin van het dienstverband bij [naam supermarkt] op 13 juli 2004 ruim 13 maanden, derhalve aanmerkelijk meer dan een jaar lag. De regelgever heeft te dien aanzien strikt het begin en einde van de garantie aangegeven en imperatief niet langer dan een termijn van een jaar willen garanderen om verdiensten uit een vroegere dienstbetrekking onder omstandigheden aan de bepaling van het dagloon in een latere situatie van werkloosheid na een recentere dienstbetrekking (in casu na 31 december 2005 na afloop van het tijdelijk contract bij Poiesz) ten grondslag te leggen. 4.4. Daarenboven is de Raad evenmin als de rechtbank gebleken van zodanige bijzondere omstandigheden in het geval van appellante dat daardoor de toepassing van artikel 17, eerste lid van meerbedoeld Besluit ter zijde ware te stellen. Met name is zulk een omstandigheid volgens de Raad niet dat kennelijk reeds op of omstreeks 6 juni 2004 afrondende afspraken zijn getroffen tussen appellant en zijn nieuwe werkgever over het salaris en dat, hiervan uitgaande, de in geding zijnde jaartermijn slechts een viertal dagen wordt overschreden. 4.5. Op grond van het vorenstaande kan het hoger beroep niet slagen en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking. 4.6. De Raad ziet geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 september 2008. (get.) B.J. van der Net. (get.) R.B.E. van Nimwegen. OA