
Jurisprudentie
BF1956
Datum uitspraak2008-09-23
Datum gepubliceerd2008-09-23
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureKort geding
Instantie naamRechtbank 's-Hertogenbosch
Zaaknummers178591 KG ZA 08-493
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter
Datum gepubliceerd2008-09-23
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureKort geding
Instantie naamRechtbank 's-Hertogenbosch
Zaaknummers178591 KG ZA 08-493
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter
Indicatie
Conservatoir beslag opgeheven omdat gelet op de goede reputatie van de beslagschuldenaar ook bij toewijzing van de vordering bij het Hof in appèl, verhaal van de vordering voldoende zeker is.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 178591 / KG ZA 08-493
Vonnis in kort geding van 23 september 2008
in de zaak van
de stichting
BENELUX-UNIVERSITAIR CENTRUM/FOUNDATION BENELUX-UNIVERSITY,
statutair gevestigd te Utrecht,
eiseres,
advocaat mr. W.A. Braams,
tegen
1. [eiser sub 1],
wonende te [woonplaats],
gedaagde,
advocaat mr. M. Bouman,
2. [a],wonende te [woonplaats],
3. [b],wonende te [woonplaats],
4. [c], [woonplaats],
5. [d],wonende te [woonplaats],
6. [e], wonende te [woonplaats],
7. [f], wonende te [woonplaats],
8. [g], wonende te [woonplaats].
gedaagden,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna BUC en [gedaagden] genoemd worden.
1. De procedure
1.1. BUC heeft [gedaagden] bij exploot van 29 juli 2008 in kort geding gedagvaard.
1.2. Tegen de niet verschenen gedaagden is verstek verleend.
1.3. BUC heeft de vordering tijdens de mondelinge behandeling op 9 september 2008 nader toegelicht bij monde van mr. M.N.J.H. Dijkstra, kantoorgenoot van mr. Braams, die het woord heeft gevoerd, mede aan de hand van de door hen overgelegde pleitnotities en producties.
1.4. De advocaat van Van Boxtel heeft tijdens de mondelinge behandeling verweer gevoerd, mede aan de hand van door haar overgelegde pleitnotities en producties.
1.5. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1. BUC is een instelling die – naast andere activiteiten – onderwijs verzorgt op het gebied van de mens-, maatschappij- en cultuurwetenschappen. BUC beoogd de bevordering van de wetenschappelijke en culturele toenadering en samenwerking tussen België, Nederland en Luxemburg. BUC is niet bevoegd universitaire graden te verlenen.
2.2. [gedaagden] hebben zich elk in de periode gelegen tussen 28 mei 2001 en 23 september 2001 ingeschreven voor de masteropleiding Human Resources Management en Stressmanagement. In oktober 2001 zijn zij met de opleiding gestart.
2.3. [gedaagden] hebben de opleiding niet afgerond. Zij hebben in 2003 hun deelname aan de opleiding opgeschort nadat de door hen verzochte schriftelijke bevestiging door BUC, dat zij na het afronden van de opleiding een universitaire mastertitel zouden behalen, uitbleef.
2.4. Op grond van vermeende wanprestatie dan wel onrechtmatig handelen zijdens BUC hebben [gedaagden] op 2 januari 2007 bij deze rechtbank een procedure aanhangig gemaakt jegens BUC. In deze procedure hebben zij gevorderd dat BUC zal worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van in totaal € 50.800,- terzake ten onrechte betaalde lesgelden en vergoeding van reiskosten en andere kosten tot een bedrag van € 15.064,84.
2.5. Op 1 oktober 2007 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden. Op 12 oktober 2007 hebben [gedaagden] beslag laten leggen onder de bank (Postbank) van BUC. Een tegoed van ongeveer € 40.000,- is door het beslag getroffen.
2.6. Bij vonnis van 18 juni 2008 heeft de rechtbank de vorderingen van [gedaagden] integraal afgewezen.
2.7. BUC heeft vervolgens via haar advocaat om opheffing van het gelegde beslag verzocht. [gedaagden] hebben geweigerd dit beslag op te heffen.
2.8. [gedaagden] hebben op 22 augustus 2008 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 18 juni 2008.
3. Het geschil
3.1. BUC vordert - kort weergegeven - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen:
1. het op 12 oktober 2007 gelegde conservatoir beslag op de tegoeden ten behoeve van BUC die worden aangehouden bij de Postbank op te heffen, op straffe van een dwangsom;
2. [gedaagden] te verbieden om nogmaals conservatoir beslag te leggen op de tegoeden die ten behoeve van BUC worden aangehouden bij de Postbank op straffe van een dwangsom;
3. binnen 24 uur na betekening van dit vonnis een voorschot op de schadevergoeding van € 2.500,- aan BUC betalen;
4. [gedaagden] te veroordelen in de kosten van dit geding
3.2. BUC legt daaraan - kort weergegeven - het volgende ten grondslag:
3.2.1. Nu de eis in de hoofdzaak is afgewezen, mist het beslag een deugdelijke grondslag.Uit het gewezen vonnis blijkt geen feitelijke of juridische misslag. Bovendien blijkt ook overigens dat de vordering van [gedaagden] ondeugdelijk is.
3.2.2. Het belang van BUC bij opheffing van het beslag dient zwaarder te wegen dan het belang van [gedaagden] bij handhaving van het beslag, nu BUC door het gelegde beslag onmogelijk conform haar doelstelling haar werkzaamheden kan voortzetten en geen ontwikkelingen kan initiëren omdat zij de daarvoor gegenereerde gelden niet kan aanwenden.
3.2.3. [gedaagden] hebben BUC aanzienlijke schade berokkend doordat BUC door het beslag niet over haar toekomende gelden kon beschikken waardoor zij aanspraak heeft moeten maken op kredieten en daarvoor hoge kosten heeft moeten betalen.
3.3. [gedaagden] voeren - kort weergegeven - het volgende verweer:
3.3.1. Mede omdat [gedaagden] hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank van 18 juni 2008 hebben ingesteld en de uitspraak daarmee niet in kracht van gewijsde is gegaan, heeft BUC door (alleen) dit vonnis in het geding te brengen niet summierlijk de ondeugdelijkheid van de vordering aangetoond.
3.3.2. Bij de beslissing of het beslag al dan niet moet worden opgeheven, dienen de wederzijdse belangen van partijen te worden afgewogen. Het belang van [gedaagden] dient te prevaleren boven het belang van BUC. [gedaagden] hebben een groot belang bij handhaving van het beslag, gelet op het feit dat zij in hoger beroep zijn gegaan van het eerder genoemde vonnis en de kans bestaat dat het Hof de vorderingen alsnog toewijst. Nu BUC naar eigen zeggen in financiële nood verkeert, bestaat bij [gedaagden] de vrees dat zij hun vorderingen niet meer kunnen incasseren, als voorafgaand aan de uitspraak in hoger beroep het beslag zou moeten worden opgeheven. Daartegenover heeft BUC de zaak acht maanden op zijn beloop gelaten, waardoor getwijfeld kan worden aan de ernst van de consequenties die het gelegde beslag voor BUC heeft (gehad).
3.3.3. BUC biedt geen zekerheid voor de vorderingen van [gedaagden].
3.3.4. BUC heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat zij als gevolg van het beslag schade heeft geleden, waaruit deze schade zou bestaan en hoe groot de schade zou zijn. Tevens is niet gebleken dat BUC een zodanig spoedeisend belang heeft bij haar geldvordering dat zij de bodemprocedure niet kan afwachten.
3.4. Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
4.1. De Hoge Raad overweegt in haar uitspraak van 30 juni 2006 onder meer dat ‘Ingevolge artikel 705 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een gelegd beslag opgeheven wordt indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt’. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (onder andere Hoge Raad 14 juni 1996, NJ 1997 nr. 481 en Hoge Raad 25 november 2005, NJ 2006/148) ligt het op de weg van degene die opheffing van het conservatoir beslag vordert (in dit geval BUC) om, met inachtneming van de beperkingen van de kortgeding procedure, aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger (in dit geval [gedaagden]) gepretendeerde vordering ondeugdelijk is of dat het voortduren van het beslag om andere redenen niet kan worden gerechtvaardigd.
4.2. De voorzieningenrechter acht BUC niet in deze opzet geslaagd. Het is niet absoluut ondenkbaar dat de vordering in appèl zal worden toegewezen; de argumenten die daarvoor door [gedaagden] zijn aangevoerd zijn voldoende serieus te nemen en kunnen niet reeds thans als kennelijk onzinnig (en dus in appèl als kansloos) worden aangemerkt.
4.3. Ter staving van haar stelling dat de vordering ondeugdelijk is heeft BUC verwezen naar het vonnis van de rechtbank van 18 juni 2008, waarin de vordering van [gedaagden] is afgewezen. Anders dan BUC veronderstelt is uit die omstandigheid niet de conclusie zoals door BUC voorgestaan, te trekken. ‘De enkele omstandigheid dat de vordering tot verzekering waarvan het conservatoir beslag is gelegd door de bodemrechter in eerste aanleg is afgewezen, en in het geval tegen die afwijzing hoger beroep is ingesteld, leidt er niet zonder meer toe dat de vordering moet worden toegewezen, ook niet onder het voorbehoud van kennelijke misslagen in de uitspraak van de bodemrechter. De wederzijdse belangen van partijen dienen ook in een zodanig geval te worden afgewogen, waarbij de uitspraak in de hoofdzaak van de bodemrechter in eerste aanleg wél wordt meegewogen. Niet gevergd kan worden van de voorzieningenrechter dat hij in zijn vonnis een voorlopige beoordeling geeft van de kans van slagen van het door de beslaglegger tegen het vonnis in eerste aanleg ingestelde hoger beroep’ (Hoge Raad 30 juni 2006, NJ 2007, 384). De omstandigheid dat hoger beroep is ingesteld door [gedaagden] zal daarom bij de hieronder uit te voeren belangenafweging worden betrokken.
4.4. BUC heeft aan haar vordering voorts ten grondslag gelegd dat het beslag het haar onmogelijk maakt om haar activiteiten te continueren en om aldus haar werk te doen. Met name wordt zij belemmerd in het ontwikkelen van nieuwe activiteiten. BUC is een stichting zonder winstoogmerk die budgetneutraal haar werkzaamheden verricht en derhalve niet over een (groot) vermogen beschikt. BUC heeft ter zitting tevens aangegeven dat zij in verband met haar ideële doelstellingen ook niet over een (groot) vermogen wil beschikken. De € 40.000,- waarop het beslag ligt betreft derhalve het gehele vermogen van BUC. Gelet op het feit dat BUC voornoemde gelden normaal gesproken aanwendt voor het ontwikkelen van nieuwe activiteiten en het betalen van kosten acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat BUC er een zwaarwegend belang bij heeft om over de € 40.000,- die door het beslag is getroffen, te kunnen beschikken .
4.5. Daartegenover staat het belang van [gedaagden] om bij een eventueel - voor hen - positieve beslissing in hoger beroep een verhaalsmogelijkheid te hebben. Hoewel BUC heeft aangegeven dat zij in “financiële nood” verkeert, is ter zitting duidelijk geworden dat die financiële nood (slechts) daarin is gelegen dat BUC niet over een ander vermogen beschikt (en wil beschikken) als het vermogen waarop het beslag ligt. Zij heeft echter ook aangegeven dat zij- indien zij in hoger beroep wordt veroordeeld tot betaling van het door [gedaagden] gevorderde bedrag - via cursusgelden en donaties aan het geld kan komen, maar dat zij, zoals eerder al aangegeven niet op voorhand over een groot vermogen wil beschikken. Gelet op de goede reputatie van BUC, waartoe de voorzieningenrechter onder meer verwijst naar de lijst met prominenten in het wetenschappelijk onderwijs en openbaar bestuur in de Benelux, die deel uit maken van de Raad van Toezicht, acht de voorzieningenrechter het voorshands voldoende aannemelijk dat [gedaagden] ook na opheffing van het beslag een verhaalsmogelijkheid zullen hebben indien BUC in hoger beroep alsnog zal worden veroordeeld tot betaling van het door hen gevorderde.
4.6. Alle voorgaande belangen tegen elkaar afwegend en daarbij de uitspraak van 18 juni 2008 van de rechtbank in de overweging betrekkend, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het beslag moet worden opgeheven. De vordering onder 3.1.1 zal daarom worden toegewezen, met dien verstande dat voor een hoofdelijke veroordeling geen aanleiding bestaat.
4.7. De vordering onder 3.1.2 zal worden afgewezen nu er geen omstandigheden zijn gesteld of naar voren zijn gekomen waaruit zou kunnen volgen dat [gedaagden] zich aan de onderhavige beslissing niets gelegen zouden laten liggen en in weerwil daarvan opnieuw beslagverlof zouden gaan vragen.
4.8. Met betrekking tot de vraag of de vordering tot veroordeling van [gedaagden] tot betaling van een voorschot van € 2.500 ,-- op de door BUC gepretendeerde schade voor toewijzing vatbaar is, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Voor toewijzing van een dergelijke vordering in kort geding is slechts dan plaats, als het bestaan en de omvang van de vordering voldoende aannemelijk zijn, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling bij afweging van de belangen van partijen - aan toewijzing niet in de weg staat.
4.9. BUC legt aan haar vordering ten grondslag dat zij schade lijdt als gevolg van het door [gedaagden] gelegde conservatoir beslag, omdat zij daardoor aanspraak heeft moeten maken op kredieten en daarvoor hoge kosten heeft moeten betalen. BUC heeft echter geen nadere producties overgelegd ter onderbouwing van deze stelling, terwijl dit, zoals [gedaagden] terecht stellen, wel op haar weg had gelegen. De voorzieningenrechter is derhalve van oordeel dat het bestaan en de omvang van de vordering niet in hoge mate aannemelijk zijn. Tevens is er gelet op het voorgaande en de opheffing van het beslag geen sprake van een voldoende spoedeisend belang uit hoofde waarvan een onmiddellijke voorziening is vereist. De vordering onder 3.1. punt 3 zal worden afgewezen.
4.10. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt.
4.11. [gedaagden] zullen als de grotendeel in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1. veroordeelt [gedaagden] het 12 oktober 2007 gelegde conservatoir beslag op de tegoeden ten behoeve van BUC die worden aangehouden bij de Postbank binnen 24 na betekening van dit vonnis op te heffen;
5.2. bepaalt dat [gedaagden] ieder voor elke dat zij in strijd handelen met deze veroordeling een dwangsom verbeuren van € 1.000,-, tot een maximum van € 40.000,-;
5.3. bepaalt dat de dwangsommen vatbaar zullen zijn voor matiging door de voorzieningenrechter, voor zover handhaving daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, in aanmerking genomen de mate waarin aan het vonnis is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid van de overtreding;
5.4. veroordeelt [gedaagden] in de kosten van deze procedure aan de zijde van BUC begroot op € 1155,44, waarvan € 816,- salaris, € 254,- vastrecht en € 85,44 dagvaardingskosten;
5.5. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.6. wijst af het anders of meer gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.F.M. Strijbos en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2008.