
Jurisprudentie
BF1955
Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-23
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureKort geding
Instantie naamRechtbank Almelo
Zaaknummers96318 / KG ZA 08-222
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-23
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureKort geding
Instantie naamRechtbank Almelo
Zaaknummers96318 / KG ZA 08-222
Statusgepubliceerd
Indicatie
De vrouw heeft gevorderd te bepalen dat de man dient over te gaan tot ontbinding van de maatschapovereenkomst. De voorzieningenrechter is van oordeel dat een daartoe strekkende veroordeling constitutief van aard is en reeds daarom niet bij wijze van voorlopige voorziening kan worden toegewezen.
Uitspraak
RECHTBANK ALMELO
Sector Civiel
zaaknummer: 96318 / KG ZA 08-222
datum vonnis: 17 september 2008 (amw)
Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:
De vrouw,
wonende te ,
eiseres,
verder te noemen de vrouw,
advocaat: mr. S.H.R. van Heeks,
tegen
de man,
wonende te ,
gedaagde,
verder te noemen de man,
advocaat: mr. O.N.J. Maatje.
Het procesverloop
De vrouw heeft gevorderd als vermeld in de dagvaarding.
De zaak is behandeld ter terechtzitting van 8 september 2008. Ter zitting zijn verschenen: de vrouw vergezeld door mr. Van Heeks en de man vergezeld door mr. Maatje en
mr. N.J.C. Spapen. De standpunten zijn toegelicht.
Het vonnis is bepaald op vandaag.
Vaststaande feiten
1. In deze zaak staat het navolgende vast. De vrouw is op 23 december 1971 in gemeenschap van goederen gehuwd met de man.
Per 1 januari 2003 zijn de man en de oudste zoon van partijen X, verder te noemen de zoon, een maatschapovereenkomst aangegaan. De zoon en de man hebben hun afspraken dienaangaande op 16 juli 2004 bij de notaris in een maatschapovereenkomst vastgelegd. De maatschap heeft ten doel het voor gemeenschappelijke rekening uitoefenen van het landbouwbedrijf zoals dit tot 31 december 2002 voor rekening van de man werd gedreven.
Bij beschikking van deze rechtbank van 14 november 2007 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, welke beschikking bij beschikking van het gerechtshof te Arnhem van
8 juli 2008 is bekrachtigd. De echtscheiding is nog niet ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Het verzoek tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap is aangehouden.
Het geschil
2. De vrouw vordert - kort weergegeven - te bepalen dat de man binnen veertien dagen na deze uitspraak dient over te gaan tot het ontbinden van de maatschap gesloten tussen de man en de zoon, op straffe van verbeurte van een dwangsom, alsmede de man te veroordelen in de proceskosten.
3. De vrouw heeft daartoe het volgende aangevoerd. Zij heeft op grond van het feit dat zij met de man in gemeenschap van goederen is gehuwd, de maatschapovereenkomst meegetekend. De zoon heeft de vrouw vervolgens meegedeeld dat zij geen rechten meer heeft op gelden die de man van privé naar de maatschap heeft overgebracht. Na raadpleging van een notaris heeft de vrouw de zoon en de man laten weten dat zij op grond van de huwelijksgemeenschap volledig recht behoudt op die gelden. Deze mededeling heeft de slechte huwelijksrelatie van de vrouw en de man in een stroomversnelling gebracht.
Inmiddels woont de man bij de zoon en verstrekt de man geen informatie meer aan de vrouw over de maatschap, waarin alle gelden en goederen van de gemeenschap, behalve de woning van partijen, zijn ingebracht. De vrouw is van mening dat de huwelijksgoederengemeenschap, waarvan volgens haar de waarde tenminste twee miljoen euro bedraagt, dient te worden verdeeld. Dit kan alleen via een ontbinding van de maatschap. Ingevolge artikel 10 lid 3 van de maatschapovereenkomst heeft de man het recht om vóór 1 januari 2009 de maatschap op grond van opzegging te ontbinden, waarbij hij wederom het bedrijf zoals voorheen alleen kan voortzetten. Indien hij na 1 januari 2009 ontbindt, zal de zoon alleen het recht hebben op de maatschap en zal het voor de vrouw niet mogelijk zijn om haar deel in de gemeenschap van goederen te ontvangen. Gezien de datum genoemd in de maatschapovereenkomst heeft de vrouw een spoedeisend belang bij deze procedure.
4. De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot niet ontvankelijkverklaring, dan wel afwijzing van de vordering van de vrouw, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten. Op de stellingen van de man wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing
5. Het meest verstrekkende verweer van de man is dat de vrouw niet ontvankelijk in haar vordering dient te worden verklaard, aangezien er niet is voldaan aan de substantiëringsplicht.
6. In artikel 111 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is weliswaar bepaald dat het exploot van dagvaarding de door gedaagde tegen de eis aangevoerde verweren en de gronden daarvoor vermeldt (de substantiëringsplicht), doch de wet verbindt geen consequenties aan het niet voldoen aan dit vereiste. Nu de man voor het overige geen bijzondere feiten en/of omstandigheden heeft gesteld die ertoe moeten leiden dat aan het niet voldaan zijn van de substantiëringsplicht consequenties moeten worden verbonden, faalt voormeld verweer van de man. De vrouw is aldus ontvankelijk in haar vordering.
7. De vrouw heeft gevorderd te bepalen dat de man dient over te gaan tot ontbinding van de maatschapovereenkomst. De voorzieningenrechter is van oordeel dat een daartoe strekkende veroordeling constitutief van aard is en reeds daarom niet bij wijze van voorlopige voorziening kan worden toegewezen.
8. Ook overigens valt voorshands niet in te zien op welke grond de man verplicht zou zijn om de maatschap door opzegging te ontbinden, noch dat de vrouw haar aanspraken op de huwelijksgoederengemeenschap verliest indien de man de maatschap niet vóór
1 januari 2009 ontbindt.
9. Daar partijen echtgenoten zijn, zal worden bepaald dat iedere partij de eigen kosten van dit kort geding draagt.
De beslissing
De voorzieningenrechter:
I. Wijst af de vordering van de vrouw.
II. Bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. G.J. Stoové, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 september 2008, in tegenwoordigheid van mr. A.M. Witkop, griffier.