
Jurisprudentie
BF1953
Datum uitspraak2008-09-15
Datum gepubliceerd2008-09-23
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
ZaaknummersAWB 07/5499
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-23
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
ZaaknummersAWB 07/5499
Statusgepubliceerd
Indicatie
Intrekking van een ontheffing voor een dam met duiker in een B-watergang op grond van de Keur voor waterkingen en wateren van waterschap Rivierenland nu aannemelijk is dat voor haar verkrijging onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt, zodanig dat deze niet zou zijn verleend. Niet aannemelijk gemaakt dat verweerder op de hoogte is gebracht van de plaatsing van een tuinhuis op de dam.
Uitspraak
RECHTBANK ARNHEM
Sector bestuursrecht
registratienummer: AWB 07/5499
uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
van 15 september 2008
inzake
[naam], eiser,
wonende te [plaatsnaam], vertegenwoordigd door J. Boelens,
tegen
het college van dijkgraaf en heemraden van het Waterschap Rivierenland, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 3 december 2007.
2. Procesverloop
Bij besluit van 22 mei 2007 heeft verweerder de aan eiser verleende ontheffing voor het plaatsen van een dam met duiker ingetrokken. De dam is aangebracht in B-watergang [nummer] aan de [naam weg] te [plaatsnaam], gelegen tussen de percelen kadastraal bekend gemeente [naam gemeente], [sectie], [nummers], hierna aangeduid met de dam.
Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het hiertegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 22 mei 2007 gehandhaafd.
Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.
Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 4 september 2008. Eiser is
aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door J. Boelens. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door M.Y.M. Roetman en H. Stok, werkzaam bij het Waterschap Rivierenland.
3. Overwegingen
Uit de gedingstukken is de rechtbank het volgende gebleken.
Bij besluit van 2 juli 2003 heeft verweerder op aanvraag van eiser op grond van de Keur voor waterkeringen en wateren van waterschap Rivierenland (hierna: de Keur) een ontheffing verleend voor het plaatsen van de dam. Op 31 mei 2005 heeft verweerder ter plaatse geconstateerd dat eiser op de dam een tuinhuis heeft geplaatst. Bij brief van 14 juli 2006 heeft verweerder aan eiser het voornemen kenbaar gemaakt de verleende ontheffing in te trekken, waarbij eiser in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze hierover kenbaar te maken. Van deze mogelijkheid heeft eiser bij brief van 10 augustus 2006 gebruik gemaakt. Vervolgens heeft verweerder de ontheffing bij besluit van 22 mei 2007 ingetrokken, welk besluit in het thans bestreden besluit is gehandhaafd.
Hieraan ligt het standpunt van verweerder ten grondslag dat de dam niet voldoet aan het motief met welke de ontheffing destijds is verleend, namelijk dat de dam dient ter ontsluiting van een agrarisch perceel. Door de plaatsing van het tuinhuis op de dam is hiervan geen sprake meer. Het belang van eiser bij het tuinhuis rechtvaardigt volgens verweerder geen inbreuk op het waterhuishoudkundig belang, dat is gediend met zo min mogelijk obstakels in de watergang.
Eiser kan zich hiermee niet verenigen en heeft het bestreden besluit gemotiveerd bestreden. Op zijn stellingen zal de rechtbank in het navolgende, voor zover nodig, verder ingaan.
Op grond van artikel 15, aanhef en eerste lid, van de Keur, zoals deze luidt per 1 januari 2007 en voor zover hier relevant, is het, tenzij anders door het bestuursorgaan is bepaald, verboden: in, op, onder en boven de kern- en beschermingszones van waterstaatswerken werken aan te brengen, of te hebben.
Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Keur kan het bestuursorgaan van de in artikel 15 van de keur gestelde gebods- en verbodsbepalingen vrijstelling dan wel ontheffing verlenen.
Op grond van artikel 30, tweede lid, van de Keur kan een verleende ontheffing door het bestuursorgaan worden gewijzigd en geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken.
Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de Keur - voor zover hier van belang - wordt een ontheffing, verleend voor de inwerkingtreding van de keur, waarbij een ontheffingplichtig werk door het bevoegd gezag is toegestaan, geacht ingevolge deze keur te zijn verleend.
Ten aanzien van de uitvoering van de Keur heeft verweerder de Beleidsregels Keur voor waterkeringen en wateren van Waterschap Rivierenland (hierna: beleidsregels) vastgesteld, in werking getreden op 1 januari 2007. Volgens deze beleidsregels (paragraaf 3.2.2.2) wordt uit een oogpunt van waterhuishoudkundige belangen aan aanvragen om ontheffing voor dammen met duikers uitsluitend medewerking verleend ter ontsluiting van percelen die niet anders zijn of kunnen worden ontsloten.
Door eiser is niet gesteld, noch is de rechtbank gebleken dat de beleidsregels op dit punt onredelijk dan wel anderszins onjuist zijn.
De rechtbank stelt voorop dat een begunstigende beschikking, zoals de in geding zijnde ontheffing, kan worden ingetrokken, indien de voor haar verkrijging verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig zijn dat deze niet zou zijn verleend.
Eiser stelt zich op het standpunt dat de ontheffing ten onrechte is ingetrokken, omdat verweerder er volgens hem van op de hoogte was dat hij op de dam een tuinhuis wilde plaatsen. Hij betwist dan ook dat verweerder onjuist of onvolledig is geïnformeerd.
De rechtbank stelt vast dat eiser zijn stelling niet met bewijsstukken heeft onderbouwd. Verder stelt de rechtbank vast dat eiser op de aanvraag om de ontheffing niet heeft aangegeven dat de dam was bedoeld voor de plaatsing van een tuinhuis. Nu verweerder heeft betwist hiervan op de hoogte te zijn gesteld, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat eiser dit aan verweerder bekend heeft gemaakt. De stelling van eiser dat hij het onwaarschijnlijk vindt dat verweerder niet op de hoogte was, omdat hij aan [x] - eigenares van het belendende perceel - toestemming heeft gevraagd de dam en het tuinhuis te plaatsen, volgt de rechtbank niet. [x] is immers een geheel andere organisatie dan die van verweerder. Verder kan worden vastgesteld dat deze toestemming ongeveer een half jaar na de afgifte van de ontheffing is gevraagd en verleend. Hiermee is dan ook niet aannemelijk gemaakt dat verweerder ten tijde van de aanvraag van de voorgenomen plaatsing van het tuinhuis op de hoogte is gesteld. Op grond van het voorgaande komt eiser dan ook geen succesvol beroep op het vertrouwensbeginsel toe.
De rechtbank volgt evenmin het standpunt van eiser dat verweerder zelf had moeten informeren naar aanleiding van de aanvraag. De dam is immers gelegen tussen eisers perceel en dat van [x], welk perceel door eiser wordt gepacht. Gelet hierop was er voor verweerder geen aanleiding te vermoeden dat de dam anders dan ten behoeve van ontsluiting van het belendende perceel zou worden gebruikt. Het voorgaande leidt ertoe dat niet kan worden staande gehouden dat verweerder redelijkerwijs op de hoogte had moeten zijn van de plaatsing van het tuinhuis.
Tot slot is de rechtbank niet gebleken dat de ontsluiting van het agrarisch perceel redelijkerwijs nog bereikt kan worden. De stelling van eiser dat er nog steeds een doorgang mogelijk is – onweersproken is dat zulks niet met voertuigen mogelijk is -, betekent naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat kan worden gezegd dat de dam slechts dient ter ontsluiting van een agrarisch perceel.
Het voorgaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat niet gezegd kan worden dat verweerder niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt de ontheffing in te trekken. De daartegen gerichte bezwaren zijn dan ook terecht ongegrond verklaard. Met het oog hierop behoeven de overige stellingen van eiser geen bespreking meer. De rechtbank zal het beroep dan ook ongegrond verklaren.
De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.
Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.
4. Beslissing
De rechtbank
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. L. van Gijn, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Bolzoni, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2008.
De griffier, De rechter,
Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.
Verzonden op: 15 september 2008