Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF1948

Datum uitspraak2008-09-02
Datum gepubliceerd2008-09-23
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Rotterdam
Zaaknummers814476
Statusgepubliceerd
SectorSector kanton


Indicatie

Een broeder van een Rooms Katholieke congregatie is niet-ontvankelijk in vorderingen tegen die congregatie, voorzover die vorderingen gebaseerd zijn op ondeugdelijke kerkelijke rechtsgang en de door de broeder gestelde arbeidsovereenkomst tussen hem en de congregatie. De kantonrechter neemt wel een overeenkomst sui generalis aan tussen de congregatie en de broeder.


Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM Sector kanton Locatie Rotterdam Vonnis in de zaak van [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, gemachtigde: mr. drs. T. van Kooten, t e g e n : 1. de ingevolge artikel 2:2 BW naar canoniek recht rechtpersoonlijkheid bezittende Congregatie van de Broeders van de Onbevlekte Ontvangenis van de Heilige Maagd Maria, gevestigd te Maastricht, en 2. de ingevolge artikel 2:2 BW naar canoniek recht rechtpersoonlijkheid bezittende Nederlandse Provincie van de Congregatie van de Broeders van de Onbevlekte Ontvangenis van de Heilige Maagd Maria, gevestigd te Rotterdam, gedaagden, gemachtigde: mr. A.G.W. Verstraten. Partijen worden respectievelijk aangeduid als “[eiser]”, “de Congregatie” en “de Provincie”, tenzij anders is vermeld. 1. Het verdere verloop van de procedure Verwezen wordt naar het tussenvonnis d.d. 11 december 2007. Daarna heeft de kantonrechter kennis genomen van de volgende, door te nummeren, processtukken: 1. conclusie van antwoord met producties, 2. conclusie van repliek met producties, 3. conclusie van dupliek met productie. 2. De verdere beoordeling Inleiding 2.1. Zoals in het tussenvonnis is overwogen, heeft de kantonrechter zich bevoegd verklaard ten aanzien van alle vorderingen die door [eiser] zijn ingesteld tegen gedaagden. Met hen is de kantonrechter dan ook van oordeel dat verwijzing naar de Sector Civiel Recht van deze rechtbank, zoals door [eiser] bij repliek subsidiair gevraagd, niet meer aan de orde kan komen. [eiser] wijzigt de grondslag van zijn vordering bij repliek deels, te weten dat waar hij in de dagvaarding het woord “arbeidsovereenkomst” bezigt, daarvoor subsidiair het woord “overeenkomst” moet worden gelezen, terwijl hij zich bovendien beroept op onrechtmatige daad. Aanvulling vaststaande feiten 2.2. De onder 2 van het tussenvonnis vastgestelde feiten dienen nog als volgt te worden aangevuld. 2.3. In de overeenkomst d.d. 11 maart 1984 komen ook de volgende passages voor: "4. Deze overeenkomst kan worden herzien in onderling overleg tussen het P.B. en [eiser]. 5. Deze overeenkomst is opgesteld in wederzijds vertrouwen. Op basis van dit vertrouwen zullen in voorkomende gevallen zaken die niet in deze overeenkomst zijn vastgelegd, in onderling overleg geregeld worden." Ontvankelijkheid - gebreken in de kerkelijke rechtsgang Tussenvonnis 2.4. In het tussenvonnis is verder overwogen dat partijen dienen voort te procederen over het verweer van gedaagden dat [eiser] in zijn vorderingen niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Hierover dient allereerst een beslissing te worden gegeven, met inachtneming van hetgeen de rechtbank hieromtrent reeds heeft overwogen onder 6.5., welke overweging ten behoeve van de leesbaarheid van dit vonnis hier wordt herhaald: “Indien de kerkelijke rechtsgang wel is doorlopen en daarna de burgerlijke rechter wordt aangezocht, zal eiser niet-ontvankelijk in zijn vorderingen dienen te worden verklaard, tenzij hij zwaarwegende omstandigheden aanvoert. In deze zaak worden twee soorten van omstandigheden aangevoerd. In de eerste plaats de schending van elementaire beginselen van een behoorlijke procesorde in de kerkelijke rechtsgang. Daarnaast voert [eiser] aan dat, naast de verbintenissen tussen partijen van meer kerkrechtelijke aard, er tevens een rechtsverhouding tussen partijen op grond van het civiele recht is ontstaan (arbeidsovereenkomst of overeenkomst sui generis).” 2.5. Hierna wordt achtereenvolgens ingegaan op de kwestie van de schending van de elementaire beginselen van een behoorlijke procesorde in de kerkelijke rechtsgang. Daarna wordt de kwestie van de andersoortige parallelle rechtsverhouding behandeld. Nadere vaststelling feiten 2.6. Gebleken is dat partijen het eens zijn over de stappen die moeten worden gezet en de regels die moeten worden nageleefd om de wegzendingsprocedure te voltooien. Zij onderschrijven dat de procedurele stappen daadwerkelijk zijn gezet. Partijen verschillen van mening over de vraag of dit door de Congregatie alsmede de kerkelijke instanties en de Vaticaanse rechtbank naar behoren is gedaan. De wegzendingsprocedure is als volgt ingericht: a. eerste waarschuwing door de Provinciale Overste van de Congregatie, b. tweede waarschuwing door de Generale Overste van de Congregatie, c. besluit tot wegzending, d. bekrachtiging van het besluit tot wegzending door de Congregatie voor Religieuzen bij de Heilige Stoel, e. bezwaar bij de Congregatie voor Religieuzen bij de Heilige Stoel, f. herbekrachtiging van het besluit tot wegzending door de Congregatie voor Religieuzen bij de Heilige Stoel, g. beroep bij de Signatura Apostolica; een Vaticaanse rechtbank, h. beslissing van de Signatura Apostolica, i. bezwaar tegen de beslissing bij dezelfde Signatura Apostolica, j. beslissing op het bezwaar, k. mededeling door de Generale Overste van de beslissing tot wegzending aan de broeder. Stellingen [eiser] 2.7. [eiser] stelt dat op meerdere punten in de kerkelijke rechtsgang een schending van elementaire beginselen van een behoorlijke procesorde aan de orde is. Als algemeen punt voert hij aan dat de wegzendingsprocedure een veel te zwaar middel is in zijn geval, zodat gedaagden dit onterecht hebben ingezet. Hij wijst op Canon 696 § 1 waarin wordt uitgelegd dat het gaat om misdrijven, geloofsafval, het verbreken van de celibaatsbelofte alsmede "ernstige, uitwendige, aanrekenbare en juridisch bewezen" gronden, zoals een voortdurende verwaarlozing van de verplichtingen van het gewijde leven, herhaalde schendingen van de gewijde banden, hardnekkige ongehoorzaamheid aan wettige voorschriften van de oversten in ernstige aangelegenheden, zware ergernissen ontstaan uit een schuldige handelwijze van het lid, hardnekkig vasthouden aan of het verspreiden van doctrines die door het leergezag van de kerk veroordeeld zijn, publiek aanhangen van ideologieën die aangetast zijn door materialisme of atheïsme, onwettige afwezigheid gedurende een half jaar en andere gronden van gelijke zwaarte. 2.8. Daarnaast stelt hij in meer algemene zin dat de wegzendingsprocedure een veronachtzaming is van de overeenkomst d.d. 11 maart 1984, waarin is bepaald dat de Provincie afstand doet van haar instructiebevoegdheid en bovendien met de Provincie juist is overeengekomen dat er overleg gevoerd zou worden. 2.9. Kort en zakelijk weergegeven wijst hij, meer specifiek, op de volgende punten: 1. de brief van 1 juni 2003 is niet als een kerkrechtelijke waarschuwing aan te merken. Het is veeleer een voorstel aan [eiser] om zelf de beslissing te nemen te vertrekken. De brief is voorts onvoldoende gemotiveerd; 2. er wordt niet serieus ingegaan op zijn verweer. [eiser] heeft in zijn antwoordbrieven naar aanleiding van de beide waarschuwingen zich bereid verklaard tot het voeren van overleg; 3. de procedure bij de Congregatie is zeer oppervlakkig. Er is gehandeld naar de letter van het Wetboek van Canoniek recht zonder tot een volwaardige afweging te geraken. Twee van de voorgeschreven vier personen die zitting hadden in de Raad waren toen nog geëxcommuniceerd; 4. de Signatura Apostolica heeft de door eiser ingediende stukken deels onbesproken gelaten en niet, althans onvoldoende afgedaan, 5. hij is beperkt in de vrije advocatenkeuze. Hij mocht slechts kiezen uit een beperkt aantal Italiaanse advocaten. De advocaat bleek uitsluitend het Italiaans en het Latijn te beheersen. [eiser] beheerst deze talen niet zodat hij niet goed met deze advocaat kon communiceren. Stellingen van de Congregatie en de Provincie 2.10. In alinea’s 4.2. tot en met 4.4. van het tussenvonnis wordt een samenvatting verstrekt van de stellingen van gedaagden ten aanzien van de niet-ontvankelijkheid. Bij antwoord en dupliek hebben gedaagden deze argumenten verder ingekleed. De Congregatie en de Provincie verdedigen dat er geen sprake is van een onbehoorlijke rechtsgang en zij voeren daartoe, kort en zakelijk weergegeven, het volgende aan: 1. wel degelijk is sprake van twee waarschuwingen. Duidelijk is dat [eiser] geen gehoor heeft gegeven aan het herhaalde bevel naar Nederland af te reizen voor overleg; 2. [eiser] heeft ampel gebruik gemaakt van de mogelijkheid om schriftelijk verweer te voeren tegen de beide waarschuwingen. Een van zijn beroepschriften telde 70 pagina's en hij is bijgestaan door Prof. Dr. R. Huysmans; 3. de Raad van de Congregatie bestond wel degelijk uit vier bevoegde personen; 4. er is sprake van vrije advocatenkeuze, doch wel dienen de advocaten te voldoen aan specifieke kwaliteitseisen die door de Signatura Apostolica worden gesteld. Als [eiser] niet kon communiceren met zijn advocaat, had hij een tolk moeten inschakelen, hetgeen gebruikelijk is bij internationale procedures. De kosten van de advocaat zijn door de Congregatie vergoed. 2.11. Ten aanzien van de algemene kritiek (de redenen voor de wegzending stroken niet met de aard van de verweten gedraging en de overeenkomst uit 1984) voeren gedaagden nog het volgende aan. Er was wel degelijk sprake van zware ergernis en hardnekkige ongehoorzaamheid. Wat betreft de overeenkomst uit 1984 verwijzen de Congregatie en de Provincie naar punt 3, waarin is vermeld dat [eiser] volwaardig broeder blijft met alle rechten en verplichtingen daaraan verbonden. Oordeel 2.12. Door toetreding in 1962 tot de Congregatie als broeder heeft [eiser] zich onderworpen aan de interne regels van de Congregatie en van de Rooms-Katholieke kerk in het algemeen, daaronder begrepen de regels betreffende procedures. Daarbij komt dat, anders dan bijvoorbeeld in het geval van een predikant van een protestantse kerk, de beslissing tot toetreding als broeder tot een congregatie van de Rooms-Katholieke kerk oneindig veel meer omvat dan het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van de Congregatie. Het is een beslissing die veel facetten van het persoonlijke leven omvat: celibaat, geloften van armoede en gehoorzaamheid, onderwerping aan de instructies van de kerkelijke autoriteiten, enzovoorts. Het is een zelfgekozen aards leven in dienstbaarheid aan God dat in principe eindigt door de dood en niet eerder. Door toetreding tot de gemeenschap van religieuzen, deel uitmakende van de Rooms-Katholieke kerk, geldt dat het recht van deze gemeenschap voorrang heeft, behoudens zwaarwegende omstandigheden zoals schending van elementaire beginselen van een goede procesorde. 2.13. Geoordeeld wordt dat de overheidsrechter terughoudendheid in acht dient te nemen indien tussen partijen een eigen kerkelijke rechtsgang geldt, zeker indien deze een integraal onderdeel uitmaakt van de regels die de religieuze leefgemeenschap beheersen en zij schriftelijk en gedetailleerd blijken te zijn vastgelegd. Gebleken is dat de formele regels ten aanzien van de wegzendingsprocedure door gedaagden zijn nageleefd. De stelling van [eiser] komt er vooral op neer dat deze regels niet goed zijn nageleefd, in die zin dat zijn argumenten niet naar behoren zijn gewogen. Nu [eiser] zijn bezwaren daaromtrent kenbaar heeft kunnen maken aan de Signatura Apostolica, met behulp van een door de Congregatie betaalde advocaat, dient het ervoor gehouden te worden dat geen schending van elementaire beginselen van een behoorlijke procesorde heeft plaatsgevonden. Gebleken is dat er hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden. 2.14. De kwestie van de overeenkomst uit 1984 en de redenen van de wegzending zijn typisch zaken die door de kerkelijke autoriteiten en de kerkelijke rechtbank dienen te worden beoordeeld. Zij zijn door [eiser] naar voren gebracht en kennelijk niet overtuigend bevonden. De marginale toetsing door de (Nederlandse) overheidsrechter stopt waar het betreft de vraag of de kerkelijke rechter de inhoudelijke argumenten wel naar behoren heeft getoetst. 2.15. [eiser] is derhalve niet-ontvankelijk in zijn vorderingen, voorzover hij deze baseert op klachten ten aanzien van de kerkelijke rechtsgang. Ontvankelijkheid - arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en gedaagde(n)? Standpunt [eiser] 2.16. [eiser] voert aan dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst. Kort en zakelijk weergegeven wijst hij daartoe op de volgende aspecten. Er is sprake van een instructiebevoegdheid die door gedaagden gedurende vele jaren actief is ingevuld. Gedaagden hebben vele werkgeversbevoegdheden uitgeoefend, zoals het bepalen van vakantie en het aanwijzen van de werkplek. Loon is uitgekeerd in de vorm van kost en inwoning, hetgeen is toegestaan op grond van artikel 7:617 lid 1 sub d BW. Inkomsten die hij bij derden verdiende, werden afgedragen aan de Congregatie. Met zijn toetreding tot de Congregatie is beoogd dat hij werkzaamheden zou verrichten om bij te dragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de Congregatie. Deze werkzaamheden vertegenwoordigen een waarde. De Congregatie heeft voorzieningen getroffen in geval van ziekte en ouderdom van haar broeders. Hij verwijst naar jurisprudentie waaruit blijkt dat veelvuldig tot het bestaan van een arbeidsovereenkomst is geconcludeerd ingeval van leden van kerkgemeenschappen. Standpunt van de Congregatie en de Provincie 2.17. De door van [eiser] aangehaalde jurisprudentie van na het Kruis / Christelijk Gereformeerde Kerk-arrest (HR 14 juni 1991, NJ 1992, 173), waarin inderdaad meermalen een arbeidsovereenkomst is aangenomen door lagere rechters, ziet op geestelijke ambtsdragers zoals priesters, ambtsdragers en andere voorgangers. In dit arrest zelf overigens is dit niet aangenomen. [eiser] heeft een dergelijk ambt nooit vervuld. Hij is geen werknemer, maar lid van de Congregatie. Deze heeft ook nooit loon betaald aan [eiser]. Hij heeft gewerkt voor instellingen buiten de Congregatie en mocht zijn loon houden. Zie de overeenkomst uit 1984. De kost en inwoning hebben van doen met zijn lidmaatschap van de Congregatie en niet met zijn werkzaamheden. Er heeft een gezagsverhouding bestaan tussen [eiser] en de externe instellingen, doch niet tussen [eiser] en de Congregatie, althans niet in arbeidsrechtelijke zin. Wel overigens in theologische zin; [eiser] heeft zich door toetreding onderworpen aan de evangelische gehoorzaamheid en heeft de gelofte van gehoorzaamheid afgelegd. Oordeel Geen arbeidsovereenkomst 2.18. Naar het oordeel van de kantonrechter is er geen sprake van een arbeidsovereenkomst. De rechtsverhouding tussen [eiser] en de Congregatie is er een van zuiver kerkrechtelijke aard die veel meer omvat dan een arbeidsovereenkomst. Het is niet mogelijk de arbeidsrechtelijke aspecten los te zien van deze religieuze verstandhouding. Zie hetgeen hiervoor is overwogen onder 2.12. De gezagsverhouding is met name van religieuze aard en raakt het wezen van de toetreding tot de Congregatie als onderdeel van de Rooms-Katholieke kerk. [eiser] heeft inderdaad nooit als voorganger gewerkt. De arbeid wordt niet geldelijk beloond, maar de revenuen komen toe aan de Congregatie. Dit is gedurende een aantal jaren anders geweest vanwege de overeenkomst uit 1984, maar aangaande de werkzaamheden van [eiser] in Ghana vanaf 1989 tot de wegzending geldt dat deze ten behoeve van de Congregatie zijn verricht en is gebleken dat hij daarvoor uitsluitend kost en inwoning ontving. Voorzover [eiser] zijn stellingen op het bestaan van een arbeidsovereenkomst baseert, dient hij in zijn vorderingen niet-ontvankelijk te worden verklaard. Wel overeenkomst sui generis 2.19. Wel onderschrijft de kantonrechter de mening van [eiser] dat er sprake is van een overeenkomst sui generis. Niet kan worden uitgesloten dat het lidmaatschap van de Congregatie tevens een rechtsverhouding omvat die civielrechtelijk kan worden gedefinieerd. Daarvoor pleit dat er sprake is van een zeer langdurig lidmaatschap, te weten van 15 augustus 1962 tot 26 januari 2007. Dit lidmaatschap is geëindigd op initiatief van de Congregatie en onder protest van [eiser]. De Congregatie heeft voor haar leden voorzieningen getroffen in geval van ziekte en ouderdom, bestaande uit voorzieningen in natura. Duidelijk is dat voor [eiser] als ex-broeder geen (sociale) voorzieningen zijn getroffen bij gelegenheid van de wegzending. Bovendien geldt dat een besluit tot wegzending dermate ongebruikelijk is dat van een individuele broeder redelijkerwijs niet verwacht kan worden dat hij daarvoor zelf voorzieningen treft, voorzover hij daartoe al de mogelijkheden zou hebben, gelet op de gelofte van armoede. 2.20. Gedaagden kunnen door de overheidsrechter te respecteren redenen hebben gehad om tot wegzending van [eiser] te besluiten (zie hiervoor 2.13. en 2.14.). Dit neemt echter niet weg dat beoordeeld dient te worden of de wegzending niet tot een onredelijke financiële situatie voor [eiser] heeft geleid die gedaagden zich hadden moeten aantrekken. Voor de beoordeling hiervan zou enigszins kunnen worden aangesloten bij het gevolgencriterium van artikel 7:681 lid 2 sub b BW. Verdere procesverloop 2.21. Het debat omtrent de financiële voorzieningen na wegzending waarop [eiser] aanspraak heeft, is door partijen wel gevoerd, doch onvoldoende gedetailleerd. [eiser] dient een conclusie na tussenvonnis in te dienen waarin hij ingaat op zijn inkomenssituatie na wegzending tot heden alsmede voor de toekomst. Deze conclusie dient gepaard te gaan met verificatoire bescheiden betreffende eventuele pensioenopbouw bij de externe werkgevers alsmede mogelijk elders. Tevens dient hij in te gaan op de kwestie van de beëindigingsvergoeding die hij van één van deze werkgevers zou hebben ontvangen. Aandacht dient te worden besteed aan zijn woonsituatie in Ghana, het kostenniveau aldaar alsmede zijn toekomstige woonadres. Hierop mogen gedaagden bij antwoordconclusie na tussenvonnis reageren. 2.22. Voorts is gebleken dat geen hoofdelijke veroordeling wordt verzocht van gedaagden, maar dat de kantonrechter of de een of de ander dient te veroordelen. Aan partijen wordt verzocht hierover helderheid te verschaffen. Wellicht is het gedaagden onverschillig wie van hen uiteindelijk eventueel een bepaald bedrag zal moeten betalen. Mogelijk kunnen partijen een praktische afspraak maken, zodanig dat aan de kantonrechter eenduidig kan worden bericht welke gedaagde eventueel dient te worden veroordeeld. 2.23. Indien partijen eendrachtig verzoeken om een comparitie van partijen zal de kantonrechter dit verzoek honoreren. Deze comparitie zal worden aangewend om de mogelijkheden van een schikking te onderzoeken. Vorderingen [eiser] 2.24. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komen de vorderingen van [eiser] onder 1 tot en met 4 van de dagvaarding niet voor toewijzing in aanmerking. [eiser] dient hierin niet-ontvankelijk te worden verklaard nu immers geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. 2.25. [eiser] dient eveneens niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering sub 6, nu de kantonrechter niet tot het oordeel is gekomen dat in de kerkelijke procesgang elementaire beginselen van een behoorlijke procesorde zijn geschonden. 2.26. Het gevorderde sub 5 dient verder beoordeeld te worden na de conclusiewisseling. 2.27. Ten aanzien van de grondslagwijziging bij repliek gelden nog de volgende overwegingen. Het oordeel van de kantonrechter dat sprake is van een overeenkomst sui generis zal niet kunnen leiden tot een herstel van het lidmaatschap van [eiser]. Verwezen wordt naar hetgeen hiervoor onder 2.12 tot en met 2.15. is overwogen. Hetzelfde geldt voor de vorderingen uit hoofde van onrechtmatige daad. 2.28. Teneinde tussentijds appèl te voorkomen, volstaat de kantonrechter met de hiernavolgende beslissing. 3. De beslissing De kantonrechter: verwijst de zaak naar de schriftelijke rolzitting van dinsdag 30 september 2008 om 10.00 uur voor conclusie na tussenvonnis zijdens [eiser], bepaalt dat daarna gedaagden een antwoordconclusie na tussenvonnis mogen indienen, bepaalt, doch alleen indien partijen daar gezamenlijk om verzoeken, een comparitie van partijen op een nader te bepalen zittingsdag, houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting.