
Jurisprudentie
BF1947
Datum uitspraak2008-09-03
Datum gepubliceerd2008-09-23
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Rotterdam
Zaaknummers234625 / HA ZA 05-817
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-23
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Rotterdam
Zaaknummers234625 / HA ZA 05-817
Statusgepubliceerd
Indicatie
Exoneratiebeding in Algemene Voorwaarden: niet onredelijk bezwarend, geen sprake van een grove fout, geen reflexwerking. Beroep op beding slaagt.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Sector civiel recht
Zaak-/rolnummer: 234625 / HA ZA 05-817
Uitspraak: 3 september 2008
VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:
1. de vennootschap onder firma BIOPOL,
gevestigd te Stellendam,
2. [eiser 2],
3. [eiseres 3],
beide wonende te [woonplaats],
eisers,
advocaat mr. P.A.R. Dijkers,
- tegen -
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde],
gevestigd te Simonshaven,
gedaagde,
advocaat mr. J.H.A.M. Scheiffers.
Eisers gezamenlijk worden hierna aangeduid als "Biopol". Gedaagde wordt hierna aangeduid als "[gedaagde]".
1 Het verloop van het geding
De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- dagvaarding d.d. 25 februari 2005 en de door Biopol overgelegde producties;
- conclusie van antwoord, met producties;
- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 13 juli 2005, waarbij een comparitie van partijen
is gelast;
- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 2 december 2005;
- conclusie van repliek, met producties;
- conclusie van dupliek;
- akte aan de zijde van Biopol, met producties.
2 De vaststaande feiten
Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:
2.1 Biopol is producent en leverancier van levende natuurlijke vijanden en biologische bestuivers voor de land- en tuinbouwindustrie, voornamelijk hommels. De kweek van de hommels vindt sedert 1995 plaats in zogenaamde klimaatcellen op het bedrijf van Biopol te Stellendam. [gedaagde] levert en installeert sinds 1995 de klimaatcellen en de koelinstallaties voor de klimaatbeheersing van de klimaatcellen aan Biopol en voert sinds 1998 het periodiek onderhoud daaraan uit. Voorafgaand aan de bouw van de klimaatcellen heeft [gedaagde] een proefopstelling gemaakt van een klimaatcel, waarin Biopol hommels heeft gekweekt teneinde vast te stellen of proefopstelling voldeed. Toen deze bleek te voldoen heeft Biopol [gedaagde] opdracht gegeven om op basis van de proefopstelling grotere klimaatcellen te leveren. [gedaagde] heeft vervolgens zes klimaatcellen en koelinstallaties geleverd met een dienovereenkomstige capaciteit.
2.2 Op 19 februari 2002 zijn het aggregaat, de compressor en het vloeistofvat behorende bij de koelinstallatie door en op advies van [gedaagde] vervangen. Omdat de eerdere installatie nooit meer dan 50% van zijn capaciteit gebruikte, is [gedaagde] bij de keuze van de nieuwe installatie uitgegaan van een installatie die 50% van de capaciteit van de eerdere installatie kon leveren. Het vloeistofvat is op 12 maart 2002 door [gedaagde] bijgevuld. De installatie is op 13 mei 2002 preventief gecontroleerd in het kader van periodiek onderhoud.
2.3 In de maand mei 2002 is het op een aantal warme dagen voorgevallen dat de temperatuur in de klimaatcellen te hoog opliep. Op 17 juni 2002 liep de temperatuur in enkele klimaatcellen dermate hoog op dat de totale hommelkweek voor/van zes maanden volledig verloren is gegaan.
2.4 Namens Biopol is [gedaagde] op 26 november 2002 aansprakelijk gesteld voor de door Biopol geleden schade.
2.5 Op de overeenkomst zijn de door [gedaagde] gehanteerde Algemene leverings- en reparatievoorwaarden van de NVKL, de Nederlandse Vereniging van ondernemingen op het gebied van de koudetechniek en luchtbehandeling (hierna: de AV) van toepassing.
2.6 Bij brief van 16 juni 2003 heeft [gedaagde] haar aansprakelijkheid afgewezen op grond van artikel 11.2 AV. Dit artikel luidt als volgt:
“behoudens grove schuld aan de zijde van de leverancier, de toepasselijkheid van de wettelijke bepalingen betreffende productaansprakelijkheid zoals deze ter uitvoering van de betreffende EG-richtlijn zijn vastgesteld, alsmede behoudens het bepaalde in lid 1 is alle aansprakelijkheid van de leverancier, zoals voor bedrijfsschade, andere indirecte schade en schade als gevolg van aansprakelijk- heid jegens derden, uitgesloten. Op deze uitsluiting zal geen beroep kunnen worden gedaan indien een zodanig beroep in voorkomend geval tot een naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar resultaat zou leiden”
3 De vordering
De vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
1. primair te vernietigen, althans nietig te verklaren, het beding opgenomen in artikel 11.2
AV, omdat dit beding als onredelijk bezwarend dient te worden beschouwd voor
Biopol in de zin van artikel 6:233 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW);
2. subsidiair te verklaren voor recht dat toepassing van het beding in artikel 11.2 AV in de
onderhavige zaak onaanvaardbaar is;
3. zowel primair als subsidiair gedaagde te veroordelen om aan Biopol te betalen een
voorschot op de door Biopol geleden schade van € 25.000,--, te vermeerderen met de
wettelijke rente vanaf 26 november 2002;
4. te bepalen dat de totale schade zal worden opgemaakt bij staat; alsmede
5. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure.
Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft Biopol aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:
3.1 Biopol acht [gedaagde] aansprakelijk voor de door haar geleden schade. De door [gedaagde] in februari 2002 geplaatste koelinstallatie bleek ondeugdelijk vanwege een gebrek aan capaciteit. Hierdoor is de koelinstallatie uitgevallen, ten gevolge waarvan schade is ontstaan.
3.2 Het exoneratiebeding ex artikel 11.2 AV is niet van toepassing nu [gedaagde] een koelinstallatie heeft geplaatst die achteraf te klein bemeten bleek met onvoldoende capaciteit voor het doel waarvoor deze was aangeschaft. Deze fout is te kwalificeren als een grove fout, omdat [gedaagde], als geen ander, op de hoogte was van de technische voorwaarden en vereisten waaraan de door haar te leveren koelinstallatie diende te voldoen.
3.3 Biopol verzoekt de rechtbank het in artikel 11.2 AV opgenomen exoneratiebeding te vernietigen, althans nietig te verklaren. Dit beding is onredelijk bezwarend voor Biopol en is derhalve vernietigbaar, althans nietig, nu [gedaagde] haar aansprakelijkheid, in elk geval buiten rechte, heeft erkend.
3.4 Hoewel artikel 6:237, sub f BW niet direct tussen partijen van toepassing is, zijn er gronden om de nodige reflexwerking daaraan te ontlenen. Koeltechniek en alles wat daarmee samenhangt behoort niet tot het eigenlijke bedrijfsterrein van Biopol.
3.5 Subsidiair beroept Biopol zich op het bepaalde in artikel 6:248, lid 2 BW. Het is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [gedaagde] niet gehouden zou zijn tot vergoeding van de door Biopol geleden schade. Het is aan [gedaagde] te wijten dat een koelinstallatie is geleverd met onvoldoende capaciteit, waardoor de schade heeft kunnen ontstaan. Vervanging van de koelinstallatie is geschied op initiatief van [gedaagde], die tevens het ontwerp en de berekeningen daarvoor heeft gemaakt.
3.6 Biopol heeft schade geleden, welke schade [gedaagde] dient te vergoeden. Biopol vordert dienaangaande een voorschot van € 25.000,--, waarin tevens zijn begrepen de kosten van de door Biopol ingeschakelde deskundigen en de gemaakte noodzakelijke buitengerechtelijke kosten. Biopol vordert voorts dat de totale schade zal worden opgemaakt bij staat.
4 Het verweer
Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van Biopol in de kosten van het geding.
[gedaagde] heeft daartoe het volgende aangevoerd:
4.1 Op grond van artikel 11.2 AV kan [gedaagde] niet aansprakelijk worden gesteld voor de door Biopol geleden schade.
4.2 Van grove schuld aan de zijde van [gedaagde] is geen sprake. Weliswaar heeft zij een fout gemaakt, echter deze kan niet als een grove fout worden aangemerkt. [gedaagde] mocht er van uitgaan dat de onderhavige koelinstallatie geschikt was voor het doel waarvoor deze werd gebruikt. Aangezien de oude koelinstallatie nooit meer dan 50% van zijn capaciteit gebruikte, is [gedaagde] bij de keuze van de nieuwe installatie uitgegaan van een installatie die 50% van de capaciteit van de eerdere installatie kon leveren. [gedaagde] hoefde er niet op bedacht te zijn dat onvoldoende functioneren van de koelinstallatie ernstige gevolgen zou hebben voor de bedrijfsprocessen van Biopol. Biopol heeft dit bij storingen in het verleden niet eerder aangegeven, noch heeft zij op enig moment vóór 17 juni 2002 aan de orde gesteld of de capaciteit van de installatie wel toereikend was. Biopol heeft er bovendien bewust voor gekozen slechts voor één klimaatcel een tweede koelinstallatie te plaatsen, teneinde een falende koelinstallatie te kunnen ondervangen. Voorts geschiedde de kweek van hommels vóór 1995 grotendeels zonder gebruik van klimaatcellen.
4.3 Tussen bedrijfsmatig opererende partijen zoals [gedaagde] en Biopol is het alleszins gebruikelijk om aansprakelijkheidsbeperkingen zoals de onderhavige overeen te komen. Dit beding is niet onredelijk bezwarend, noch in strijd met de redelijkheid en billijkheid.
4.4 Biopol kan zich niet beroepen op artikel 6:237, sub f BW. Deze bepaling geldt slechts voor consumenten. Bovendien kan ook voor consumenten een aansprakelijkheidsbeperking toelaatbaar zijn.
4.5 [gedaagde] betwist causaal verband tussen de gestelde schade en het uitvallen van de koelinstallatie op 17 juni 2002. Biopol heeft [gedaagde] op 17 juni 2002 ook niet op de hoogte gebracht van de vermeende catastrofe. Bovendien bewaakte Biopol haar broedprocessen ondeugdelijk door zelf niet in te grijpen bij te hoge temperaturen in de klimaatcellen. Overigens betwist [gedaagde] de gestelde schade. Biopol heeft in het geheel niet aangetoond dat zij schade heeft geleden.
5. De beoordeling
5.1 Tussen partijen is niet in geschil dat de op 19 februari 2002 door [gedaagde] geleverde koelinstallatie onvoldoende capaciteit kon leveren, met als gevolg dat op 17 juni van dat jaar de koelinstallatie is uitgevallen. [gedaagde] betwist niet dat zij achteraf bezien een fout heeft gemaakt bij de berekening van de vereiste capaciteit, maar voor zover al komt vast te staan dat zij aansprakelijk is voor de door uitval van de koelinstallatie door Biopol geleden schade, beroept zij zich op uitsluiting van haar aansprakelijkheid ingevolge artikel 11.2 AV.
5.2 In dit verband is door Biopol allereerst betoogd dat op grond van artikel 11.2 AV aansprakelijkheid niet kan worden uitgesloten, omdat sprake is van grove schuld aan de zijde van [gedaagde]. Biopol heeft daartoe gesteld dat [gedaagde] voor Biopol het koelsysteem heeft ontworpen en sinds 1995 alle klimaatcellen en koelinstallaties aan Biopol heeft geleverd en geïnstalleerd. Sedert 1998 heeft zij tevens het onderhoud daaraan uitgevoerd. [gedaagde] was als geen ander op de hoogte van de technische voorwaarden en vereisten waaraan de door haar te leveren koelinstallaties moesten voldoen. Onder deze omstandigheden moet het leveren van een koelinstallatie met onvoldoende capaciteit worden aangemerkt als een grove fout. Daar komt bij dat [gedaagde] heeft erkend dat zij een fout heeft gemaakt.
5.3 Dienaangaande overweegt de rechtbank dat grove schuld wordt aangenomen indien er sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid. De omstandigheid dat [gedaagde] expertise heeft op het gebied van koelsystemen en bekend is met de koelinstallatie bij Biopol, omdat zij deze zelf heeft ontwikkeld, is onvoldoende om, wanneer achteraf blijkt dat [gedaagde] bij vervanging van de installatie in februari 2002 is uitgegaan van een onjuiste aanname met betrekking tot de vereiste capaciteit van de koelinstallatie, om te concluderen dat sprake is van grove schuld. Ook het feit dat [gedaagde] heeft erkend dat zij achteraf bezien een fout heeft gemaakt doet daaraan niet af. Van belang is of op het moment van vervanging van de koelinstallatie in februari 2002 de kans op schade door een gebrek in de capaciteit door [gedaagde] is onderkend en [gedaagde] desondanks bewust voor een lagere capaciteit heeft gekozen en daarbij de kans op schade op de koop toe heeft genomen. Dit is echter gesteld, noch gebleken. Derhalve is niet komen vast te staan dat sprake is van grove schuld. In zoverre staat [gedaagde] dan ook een beroep op artikel 11.2 AV open.
5.4 Biopol beroept zich vervolgens op de vernietigbaarheid van het exoneratiebeding in artikel 11.2 AV op grond van artikel 6: 233 BW, omdat het beding onredelijk bezwarend zou zijn. Partijen hebben zich hierover nader uitgelaten bij conclusie van re- en dupliek.
Bij beantwoording van de vraag of een beding onredelijk bezwarend is dient te worden gelet op de aard en overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval. Biopol benadrukt in dit verband dat [gedaagde] vanaf 1995 bekend is met het belang van Biopol van een goed werkend koelsysteem voor de klimaatkamers en wist wat de risico’s waren bij het stijgen van de temperatuur in de klimaatkamers boven de 30 graden Celsius. Daarnaast is van belang dat Biopol niet deskundig is op het gebied van koelinstallaties en de technische vereisten waaraan deze dienen te voldoen. Biopol mocht erop vertrouwen dat [gedaagde] deze deskundigheid wel bezat. In ogenschouw nemend de deskundigheid van [gedaagde], in samenhang met de kennis van [gedaagde] van het bedrijf van Biopol, is het plaatsen van een koelinstallatie met een te lage capaciteit aan te merken als een grove fout. Aldus Biopol. Tot slot wijst Biopol er op dat zij zich tegen de door haar als gevolg van het uitvallen van de koelinstallatie geleden schade niet kan verzekeren, terwijl [gedaagde] een aansprakelijkheidsverzekering heeft afgesloten die daarvoor wel dekking biedt.
5.5 [gedaagde] heeft het standpunt van Biopol gemotiveerd betwist. De rechtbank is met [gedaagde] van oordeel dat, alle omstandigheden in aanmerking nemend, het beding in artikel 11.2 AV niet onredelijk bezwarend is. Zij hecht daarbij onder meer belang aan de omstandigheid dat Biopol en [gedaagde] beiden moeten worden aangemerkt als professionele en bedrijfsmatig handelende partijen, waarvan moet worden aangenomen dat zij bij het aangaan van een overeenkomst met toepasselijke algemene voorwaarden zich bewust zijn van de strekking van een exoneratie als de onderhavige. Het is bovendien niet ongebruikelijk om tussen bedrijfsmatig opererende partijen een aansprakelijkheidsbeperking als de onderhavige op te nemen. Deze keuze vloeit voort uit het feit dat ondernemingen - zoals ook in casu het geval - vaak op geheel verschillende markten opereren en de risico’s verbonden aan de hen onbekende bedrijfsvoering niet kunnen inschatten. Hoewel [gedaagde] het belang onderkent van Biopol bij de juiste werking van de koelinstallatie, volgt daaruit niet dat [gedaagde] daarmee tevens kennis heeft van het kweekproces van hommelvolken en de overige bedrijfsvoering van Biopol en aldus de gevolgen kon overzien van het ondeugdelijk functioneren van de koelinstallatie.
Voor zover de ernst van de fout een rol speelt bij de beoordeling van een beroep op het exoneratiebeding, verwijst de rechtbank naar hetgeen zij dienaangaande heeft overwogen onder 5.3. Van een grove fout is geen sprake.
Of Biopol de door haar geleden schade niet kan verzekeren staat niet vast, maar wat daar ook van zij, het feit dat [gedaagde] een aansprakelijkheidsverzekering heeft afgesloten betekent niet dat zij geen beroep kan doen op uitsluiting van haar aansprakelijkheid.
5.6 Het beroep van Biopol op het bepaalde in artikel 6:248, lid 2 BW wordt eveneens verworpen. Immers dit beroep steunt op de stelling dat sprake is van een grove fout van [gedaagde], welke stelling hiervoor reeds is verworpen.
5.7 Biopol stelt voorts dat, hoewel artikel 6:237, sub f BW niet direct tussen partijen van toepassing is, er gronden zijn om de nodige reflexwerking daaraan te ontlenen. Biopol voert aan dat zij de overeenkomst met [gedaagde] weliswaar heeft gesloten in de uitoefening van haar bedrijf, maar dat koeltechniek en alles wat daarmee samenhangt, niet tot haar eigenlijke bedrijfsterrein behoort. Ook die stelling treft geen doel. Biopol komt, als niet-consument, geen beroep toe op artikel 6:237, sub f BW. Voor reflexwerking is slechts ruimte wanneer zich een situatie voordoet die sterke gelijkenis vertoont met die van een consument. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. Biopol is niet gelijk te stellen met een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. De omstandigheid dat zij geen groot afnemer is van koelinstallaties doet daaraan niet af. Ook de schade - aangenomen dat sprake is van schade - is gerelateerd aan het uitoefenen door Biopol van een bedrijf en betreft geen schade die een consument evenzeer zou kunnen lijden.
5.8 Gelet op het vorenoverwogene concludeert de rechtbank dat het beroep van [gedaagde] op artikel 11.2 AV slaagt. Nu [gedaagde] met een beroep op dit artikel haar aansprakelijkheid rechtsgeldig heeft uitgesloten, komt de rechtbank aan een verdere beoordeling van het geschil niet toe. De rechtbank zal de vordering van Biopol afwijzen.
5.9 Biopol zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het geding.
6 De beslissing
De rechtbank,
wijst af de vorderingen van Biopol;
veroordeelt Biopol in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] bepaald op € 550,-- aan vast recht en op € 1.737,-- aan salaris voor de procureur.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Franken.
Uitgesproken in het openbaar.
585/1580