
Jurisprudentie
BF1941
Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-25
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/174 ZW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-25
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/174 ZW
Statusgepubliceerd
Indicatie
Weigering ziekengeld. Gezien long- en schouderklachten geschikt voor zijn werk als projectleider schoonmaakbedrijf? In hoger beroep alsnog een werkbeschrijving en functiebelasting opgesteld.
Uitspraak
06/174 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 25 november 2005, 05/1029 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 17 september 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.C. van der Weele, advocaat te Helmond, hoger beroep ingesteld.
Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Weele. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.
Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.
Op verzoek van de Raad heeft het Uwv schriftelijke inlichtingen verstrekt, waarop namens appellant bij brief van 3 januari 2008 is gereageerd. Hierna hebben het Uwv en appellant over en weer nadere reacties gegeven en stukken in het geding gebracht.
Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven het onderzoek ter zitting van de Raad achterwege te laten. Gelet op de verleende toestemming heeft de Raad het onderzoek gesloten.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellant was werkzaam als projectleider bij een schoonmaakbedrijf voor 50 uur per week tot 2 februari 2004. Sedertdien ontving hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Vanuit die situatie heeft hij zich op 21 juli 2004 ziek gemeld met
nek-, schouder-, arm- en rugklachten, hoofpijn en klachten samenhangend met astma. Na onderzoek op 26 november 2004 heeft de verzekeringsarts hem per 29 november 2004 hersteld verklaard. Bij besluit van 30 november 2004 heeft het Uwv appellant per 29 november 2004 uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) geweigerd. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 14 maart 2005 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat de verzekeringsarts zijn belastbaarheid per 29 november 2004 niet juist heeft vastgesteld. Appellant had toen dezelfde klachten en beperkingen als waarmee hij is uitgevallen. Door astma kan appellant niet met prikkelende stoffen werken en dat was bij het door hem verrichte schoonmaakwerk nu juist het geval. Appellant is op 28 november 2005 gezien door revalidatiearts Schreurs. Deze kwam tot meer beperkingen dan de huisarts en de (bezwaar)verzekeringsarts hebben aangenomen. Appellant heeft verzocht om een onderzoek door een onafhankelijk deskundige en om schadevergoeding.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1.1. Blijkens de medische kaart heeft appellant zich ziek gemeld met keel-, neus-, nek-, linkerschouder- en longklachten. Op 7 oktober 2004 is appellant op het spreekuur van de verzekeringsarts geweest. Toen had appellant nog long-, nek- en linkerschouderklachten. De verzekeringsarts besloot het door de huisarts ingezette onderzoek af te wachten. Op
26 oktober 2004 is appellant onderzocht door een andere verzekeringsarts die hem gezien de klachten nog arbeidsongeschikt achtte. Op het spreekuur van 26 november 2004 stelde de verzekeringsarts na eigen onderzoek vast dat er bij appellant op dat moment geen objectiveerbare afwijkingen dan wel beperkingen waren waardoor deze zijn eigen werk niet zou kunnen verrichten.
4.1.2. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellant gezien op de hoorzitting, hem onderzocht en informatie gevraagd aan de huisarts. Deze deelde in een brief van 24 februari 2005 mee dat appellant voor het laatst op 24 januari 2005 op het spreekuur was geweest met nekklachten, waarvoor medicatie was voorgeschreven. Een op 28 januari 2005 genomen röntgenfoto van de X-cervicale wervelkolom liet een minimale spondylosis op C5-C6 zien. De longfunctie liet een lichte vorm van COPD zien, die te behandelen was met medicatie. De huisarts achtte de prognose gunstig. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde hieruit dat de aandoeningen van appellant niet zodanig waren dat hij daardoor zijn werk niet kon verrichten.
4.2.1. De Raad stelt vast dat de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts niet volledig gelijkluidend is aan die van de primaire verzekeringsarts, nu de bezwaarverzekeringsarts niet heeft geconcludeerd dat appellant geen objectief medische beperkingen heeft, maar heeft geoordeeld dat sprake is van aandoeningen, doch dat deze niet in de weg staan aan het verrichten van zijn werk. De Raad stelt voorts vast dat de bezwaarverzekeringsarts bij de herbeoordeling niet beschikte over een door een arbeidsdeskundige opgestelde beschrijving van de aard en zwaarte van het door appellant verrichte werk.
4.3. De Raad is van oordeel dat, gelet op de aard van het door appellant verrichte werk en de aandoeningen waaraan hij leed, de bezwaarverzekeringsarts bij de heroverweging diende te beschikken over een door een arbeidsdeskundige opgestelde beschrijving van appellants werk. Nu een dergelijke werkbeschrijving ontbrak, is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en wordt het niet gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Dit betekent dat het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden vernietigd en dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. De Raad ziet echter, in aanmerking genomen de informatie die in de loop van de behandeling van het hoger beroep is verstrekt, aanleiding te beoordelen of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven.
4.4. In het kader van het hoger beroep heeft het Uwv uit eigen beweging alsnog een beschrijving van het werk van appellant opgesteld. Daartoe heeft bezwaararbeidskundige R.E.T. Peters onderzoek gedaan naar de aard en zwaarte van de door appellant verrichte functie. Blijkens de rapportage van Peters van 25 juni 2007 heeft deze, na overleg met een contactpersoon van de voormalige werkgever, de werkbeschrijving gebaseerd op de van toepassing zijnde Collectieve Arbeidsovereenkomst (CAO).
4.5. Appellant kan zich in deze werkbeschrijving niet vinden en heeft gesteld dat het werk dat hij verrichtte veel zwaarder was. Naast de leidinggevende taken werkte hij gewoon mee. Hij moest, onder andere, werkzaamheden verrichten in koel- en vriesafdelingen van bedrijven en sjouwen met zware slangen. Bovendien werd bij het reinigen chloor gebruikt. Met zijn astmaklachten was dit een probleem. Daarnaast was het autorijden van de ene locatie naar de andere met de nekklachten van appellant problematisch. Appellant meent dat Peters de belasting in de functie ten aanzien van staan, lopen, tillen, dragen, gebogen werken, bovenschouder actief zijn en knielen/hurken niet juist heeft weergegeven. Voorts stelt appellant dat, anders dan Peters aangeeft, hij werkzaamheden die hij te zwaar vond niet door collega’s kon laten uitvoeren.
4.6. In reactie hierop heeft Peters aangegeven dat het werk op onderdelen mogelijk zwaarder was, maar dat appellant dit niet met bewijs heeft onderbouwd, en dat bovendien sprake was van verstoorde arbeidsverhoudingen. Appellant heeft dit laatste ten stelligste weersproken en ter onderbouwing van zijn standpunt onder meer een verklaring overgelegd van 2 november 2007 van [naam superieur], de superieur van appellant ten tijde van zijn detachering bij [naam bedrijf].
4.7. De Raad acht gelet op de verklaring van 2 november 2007 en de namens appellant en mede door Van der Heijden ondertekende reacties op de rapportages van Peters van 22 november 2007 en 20 maart 2008, aannemelijk dat het werk van appellant aspecten had, die gelet op de bij appellant aanwezige aandoeningen, tot gezondheidsproblemen konden leiden. De Raad kan er echter niet aan voorbijgaan dat blijkens de verklaring van 2 november 2007 de lichamelijke arbeid van appellant de laatste 2 tot 3 jaar voor het ontslag was afgenomen, maar dat hij door zijn deskundigheid, vakkennis, werklust en loyaliteit ruim voldoende aan de invulling en uitvoering van zijn functie bleef voldoen. Gelet op deze verklaring moet ervan worden uitgegaan dat appellant voorafgaande aan het ontslag voornamelijk leidinggevende taken verrichtte. Peters heeft hier in zijn rapportage van 9 april 2008 terecht op gewezen. Voorts kan de Raad er niet aan voorbijgaan dat bezwaarverzekeringsarts G.C.N. Debie blijkens een rapportage van
22 april 2008 de door Peters opgestelde werkbeschrijving en functiebelasting alsmede de daarop gegeven reacties heeft beoordeeld in het licht van de aandoeningen van appellant en heeft geoordeeld dat gelet op de geringe medische afwijkingen appellant deze werkzaamheden moest kunnen verrichten. De Raad ziet, mede in aanmerking genomen de brief van de huisarts, geen aanleiding het oordeel van Debie niet te volgen. Dat betekent tevens dat een onderzoek door een deskundige niet aan de orde is.
4.5. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat appellant op 29 november 2004 in staat moest worden geacht zijn functie van projectleider bij een schoonmaakbedrijf te vervullen. Gelet daarop heeft het Uwv terecht appellant per die datum ziekengeld geweigerd. Dit betekent dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand kunnen blijven.
5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-. Voorts is de Raad van oordeel dat Uwv ook de kosten van de verklaring van de huisarts van appellant ter hoogte van € 36,80 dient te vergoeden.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.324,80, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 140,- vergoedt;
Wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. van Netten als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 september 2008.
(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.
(get.) A. van Netten.
MH