Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF1940

Datum uitspraak2008-09-03
Datum gepubliceerd2008-09-24
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsRotterdam
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 08/28694
Statusgepubliceerd


Indicatie

Vreemdelingebewaring / nieuwe ontwikkelingen met betrekking tot de onderhandelingen tussen verweerder en de Sierra Leoonse autoriteiten
In onderhavige zaak is de opgelegde maatregel van bewaring van 30 november 2007 met ingang van 25 augustus 2008 opgeheven na een belangenafweging. De beroepsgrond van eiser dat tot het moment van opheffing het zicht op uitzetting ontbrak, nu de Sierra Leoonse autoriteiten slechts overgaan tot afgifte van een laissez-passer bij vrijwillige terugkeer, slaagt niet. Gelet op de door verweerder ter zitting – alsmede bij brief van 28 augustus 2008 – gedane mededeling dat de Sierra Leoonse autoriteiten medio september 2008 ten aanzien van vreemdelingen voor een nationaliteitsverklaring is afgegeven een laissez-passer wordt verstrekt en gelet op het feit dat ten aanzien van eiser een nationaliteitsverklaring door de Sierra Leoonse autoriteiten is afgegeven, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de Sierra Leoonse autoriteiten niet binnen een redelijke termijn tot afgifte van een laissez-passer zouden overgaan.


Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector Bestuursrecht Vreemdelingenkamer, enkelvoudig Nevenzittingsplaats Rotterdam Reg.nr : AWB 08/28694 V-nummer: Inzake: [eiser], eiser, gemachtigde mr. J. van Appia, advocaat te Amsterdam, tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde mr. T.J.W. Visser. I Procesverloop 1 Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] en de Sierra Leoonse nationaliteit te bezitten. Op 30 november 2007 heeft verweerder eiser in bewaring gesteld. 2 Bij uitspraak van 24 december 2007 heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Rotterdam, het beroep inzake de oplegging van de maatregel van bewaring ongegrond verklaard. 3 Laatstelijk bij uitspraak van 28 juli 2008 heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Rotterdam, het beroep, ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring, ongegrond verklaard. 4 Op 8 augustus 2008 heeft eiser wederom beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. In het beroepschrift is tevens verzocht om schadevergoeding. 5 De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2008. Eiser is niet ter zitting verschenen. De gemachtigde van eiser is – met voorafgaande kennisgeving – evenmin ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. 6 Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst. Verweerder is verzocht de nieuwe informatie met betrekking tot de onderhandelingen tussen verweerder en de Sierra Leoonse autoriteiten op schrift aan het dossier toe te voegen. Verweerder heeft daartoe tot en met donderdag 28 augustus 2008 de tijd gekregen, waarna de gemachtigde van eiser tot en met maandag 1 september 2008 in de gelegenheid is gesteld daarop te reageren. Zowel verweerder als de gemachtigde van eiser heeft van de geboden gelegenheid gebruik gemaakt. Met toestemming van beide partijen is een nadere zitting achterwege gebleven. Op 2 september 2008 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. II Overwegingen 1 Ingevolge artikel 96, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), staat ter beoordeling of voortzetting van de toepassing of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is. 2 Verweerder heeft de rechtbank op 13 augustus 2008 en 26 augustus 2008 schriftelijke inlichtingen verstrekt over zijn handelen strekkend tot uitzetting van eiser. Ter zitting heeft verweerder aangevoerd dat tot het moment van opheffing voldoende zicht op uitzetting bestond en dat verweerder voldoende voortvarend handelde teneinde de uitzetting van eiser te realiseren. Ter onderbouwing hiervan wijst verweerder op de nieuwe ontwikkelingen met betrekking tot de onderhandelingen tussen verweerder en de Sierra Leoonse autoriteiten. In de maand mei hebben presentaties van vreemdelingen bij de Sierra Leoonse autoriteiten plaatsgevonden. Naar aanleiding van een bezoek van de medewerkers van de DT&V en de LP-kamer hebben de Sierra Leoonse autoriteiten toegezegd dat ten aanzien van vreemdelingen voor wie een nationaliteitsverklaring is afgegeven op zeer korte termijn een laissez-passer wordt verstrekt. De bewaring van eiser is opgeheven na een belangenafweging. 3 Bij brief van 28 augustus 2008 heeft verweerder aangevoerd dat van 25 maart 2008 tot 27 maart 2008 een missie van DT&V heeft plaatsgevonden met het oog op effectuering van gedwongen terugkeer naar Sierra Leone. Hierbij hebben diverse gesprekken plaatsgevonden met het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Sierra Leoonse Immigratiedienst. Op 24 mei 2008 en 26 mei 2008 tot en met 28 mei 2008 hebben presentaties plaatsgevonden (pilot) op het uitzetcentrum Rotterdam. Naar aanleiding van een bezoek van de medewerkers van de DT&V en de LP-kamer van 16 juni 2008 tot en met 19 juni 2008 aan Sierra Leone inzake afgifte laissez-passers aansluitend op de afgifte van nationaliteitsverklaringen door de diplomatieke vertegenwoordiging in Brussel, hebben de autoriteiten van Sierra Leone toegezegd op korte termijn vreemdelingen voor wie een nationaliteitsverklaring is afgegeven een laissez-passer af te geven. De huidige toezegging is dat de eerste laissez-passers medio september worden afgegeven. Derhalve is verweerder van mening dat in onderhavige zaak waarin reeds een nationaliteitsverklaring is afgegeven door de Sierra Leoonse autoriteiten, tot op de datum van opheffing van de bewaring voldoende zicht op uitzetting bestond. De reden voor opheffing van de bewaring is gelegen in een belangenafweging waarbij de duur van de maatregel een belangrijke rol heeft gespeeld. Van onvoldoende voortgang gelet op de datum van het laatste vertrekgesprek is naar mening van verweerder geen sprake, nu gelet op het bovenstaande het laissez-passertraject nog steeds liep en verweerder dienaangaande heeft gerappelleerd. 4 Bij brief van 15 augustus 2008 heeft de gemachtigde van eiser aangevoerd dat het zicht op uitzetting is komen te vervallen, nu de Sierra Leoonse autoriteiten slechts overgaan tot afgifte van een laissez-passer, indien eiser aangeeft zelf te willen vertrekken. Vast staat dat eiser niet zal meewerken aan vrijwillige terugkeer. In dit verband wijst de gemachtigde er op dat de vreemdelingenbewaring een middel is ter fine van uitzetting en geen middel om vrijwillige terugkeer af te dwingen. De gemachtigde verwijst in dit kader naar het advies van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) inzake vreemdelingenbewaring van 16 juni 2008 en de uitspraak van de rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 31 januari 2008 (LJN: BC5109). Subsidiair stelt de gemachtigde dat de belangenafweging in het voordeel van eiser dient uit te vallen. De gemachtigde meent dat, wat er ook zij van de frustratie van eiser van het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit, dit geen relevante omstandigheid (meer) is in de belangenafweging, nu de Sierra Leoonse autoriteiten reeds hebben aangegeven over te zullen gaan tot afgifte van een reisdocument als eiser zegt zelf te willen terugkeren. Er is dus kennelijk geen ander onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit meer nodig. Gelet hierop en gelet op de duur van de bewaring – inmiddels acht en een halve maand – dient de belangenafweging in het voordeel van eiser uit te vallen. Van belang is dat eiser niet tot ongewenst vreemdeling is verklaard. 5 Bij brief van 1 september 2008 heeft de gemachtigde van eiser aangevoerd dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld, nu verweerder eerst ter zitting van 27 augustus 2008 bekend heeft gemaakt dat reeds op 19 juni 2008 afspraken zijn gemaakt met de Sierra Leoonse autoriteiten over de afgifte van laissez-passers. Daarnaast heeft verweerder eiser niet meer gehoord sedert het vertrekgesprek van 9 juli 2008. Gelet op het feit dat verweerder de bewaring op 25 augustus 2008 heeft opgeheven, terwijl er gelet op de gemaakte afspraken met de Sierra Leoonse autoriteiten binnen twee, dan wel drie weken een laissez-passer zou worden afgegeven, meent eiser dat op het moment van de opheffing geen zicht op uitzetting bestond. 4 De rechtbank overweegt het volgende. 4.1 De rechtbank stelt vast dat de opgelegde maatregel van bewaring met ingang van 25 augustus 2008 is opgeheven. Thans is nog in geschil of de maatregel van bewaring eerder had moeten worden opgeheven en zo ja, of er aanleiding is een schadevergoeding op grond van artikel 106 van de Vw 2000 toe te kennen. 4.2.1 De rechtbank is van oordeel dat tot het moment van opheffing voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestond. Ter zitting, alsmede bij brief van 28 augustus 2008 heeft verweerder medegedeeld dat de Sierra Leoonse autoriteiten hebben toegezegd dat medio september 2008 ten aanzien van vreemdelingen voor wie een nationaliteitsverklaring is afgegeven een laissez-passer wordt afgegeven. Gelet hierop en gelet op het feit dat eiser op 11 januari 2008 in persoon bij de Sierra Leoonse autoriteiten is gepresenteerd, waarna door deze autoriteiten een nationaliteitsverklaring is afgegeven, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de Sierra Leoonse autoriteiten niet binnen een redelijke termijn tot afgifte van een laissez-passer zouden overgaan. Niet is gebleken dat de bewaring van eiser is toegepast om vrijwillige terugkeer van eiser af te dwingen. 4.2.2 Ter zitting, alsmede bij brief van 28 augustus 2008 heeft verweerder medegedeeld dat de bewaring van eiser met ingang van 25 augustus 2008 is opgeheven na een belangenafweging. In de enkele omstandigheid dat de Sierra Leoonse autoriteiten ten aanzien van eiser binnen twee, dan wel drie weken een laissez-passer zouden verstrekken ziet de rechtbank, anders dan de gemachtigde van eiser, geen aanleiding om te twijfelen aan de mededeling van verweerder dat de bewaring van eiser is opgeheven na een belangenafweging. 4.3 De rechtbank overweegt dat van verweerder mag worden verwacht dat het dossier betreffende het voortduren van de maatregel van bewaring compleet wordt aangeleverd en dat daarin alle voor de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de bewaring van belang zijnde feiten en omstandigheden te vinden zijn. Eerst ter zitting van 27 augustus 2008 heeft verweerder medegedeeld dat de Sierra Leoonse autoriteiten, naar aanleiding van onderhandelingen tussen verweerder en de Sierra Leoonse autoriteiten, hebben toegezegd dat medio september 2008 ten aanzien van vreemdelingen voor wie een nationaliteitsverklaring is afgegeven een laissez-passer wordt verstrekt. Gelet op het feit dat eiser van meet af aan geen medewerking heeft verleend aan vrijwillige terugkeer, acht de rechtbank deze handelwijze onzorgvuldig. Het had op de weg van verweerder gelegen om de voortgang van de onderhandelingen tussen verweerder en de Sierra Leoonse autoriteiten, alsmede het resultaat hiervan in de voortgangsrapportages van de vorige beroepen te vermelden. De rechtbank ziet echter, anders dan de gemachtigde van eiser, geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder hierdoor onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Uit het verhandelde ter zitting en de ingezonden stukken blijkt dat tot het moment van opheffing het laissez-passertraject nog liep bij de Sierra Leoonse autoriteiten en verweerder dienaangaande heeft gerappelleerd. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank in de omstandigheid dat verweerder eiser niet meer heeft gehoord na het vertrekgesprek van 9 juli 2008 geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. 4.4 Naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State komt na zes maanden vreemdelingenbewaring in beginsel meer gewicht toe aan het belang van de vreemdeling bij opheffing van de bewaring dan aan de belangen van verweerder bij het voortzetten daarvan. De rechtbank stelt vast dat eiser bijna negen maanden in bewaring heeft verbleven. Bij brief van 28 augustus 2008 heeft verweerder aangegeven dat de reden voor opheffing van de bewaring is gelegen in een belangenafweging, waarbij de duur van de bewaring een belangrijke rol heeft gespeeld. Gelet hierop en gelet op de frustratie van eiser van het onderzoek ter fine van uitzetting ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de bewaring eerder op grond van een belangenafweging had moeten worden opgeheven. De rechtbank overweegt daarbij dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling het primair op de weg van eiser ligt om volledig en actief mee te werken aan het onderzoek ter fine van uitzetting. 4.5 Niet is gebleken dat voortzetting van de maatregel van bewaring in strijd was met de Vw 2000 dan wel, bij afweging van alle daarbij betrokken belangen, in redelijkheid ongerechtvaardigd was te achten. De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel eerder had moeten worden opgeheven. 4.6 Het beroep is ongegrond. 4.7 Er bestaat geen ruimte voor het toekennen van schadevergoeding, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen. 4.8 De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. III Beslissing De rechtbank ’s-Gravenhage: recht doende: 1 verklaart het beroep ongegrond; 2 wijst het verzoek om schadevergoeding af. Aldus gedaan door mr. A. van ‘t Laar, rechter, en door deze en G.F. Meiland, griffier, ondertekend. De griffier, De rechter, Uitgesproken in het openbaar op: 3 september 2008. Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open. afschrift verzonden op: